Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/6.2.2.2
6.2.2.2 Het potentiële resultaat van de samenwerking
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS372383:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. De Mol van Otterloo 2005, p. 341.
“Kan” omdat de AFM in deze samenwerking aanleiding kan zien bij de betrokken partijen informatie op te vragen, zie de Leidraad voor aandeelhouders, par. 3.5.4. Deze informatie leidt niet noodzakelijk tot bevestiging van haar vermoedens. Zie hierover eerder Beckers 2010-1, p. 112-113.
Leidraad voor aandeelhouders, par. 3.5.4. Vgl. eerder hierover Beckers 2010-1, p. 112-116.
Dit is een wachtperiode die het bestuur kan inroepen als er sprake is van agendering van bovengenoemd onderwerp. Vgl. Best Practice Bepaling II.1.9, die nadere regels hieraan stelt.
Andere voorbeelden in vergelijkbare, concernrechtelijke regels zijn talrijk, zie bijvoorbeeld art. 2 lid 1 sub a en b Wet Europese Ondernemingsraden (definitie van “moederonderneming”).
In plaats van bij het doel van de samenwerking kan worden aangesloten bij het potentieel te bereiken resultaat van de samenwerking. Een biedplicht ontstaat dan als samenwerking tot verwerving van overwegende zeggenschap of het dwarsbomen van een bod kan leiden.1 Bij de acting in concert-regeling in het kader van de meldingsplicht betreffende substantiële deelnemingen (art. 5:45 lid 5 Wft) is voor deze weg gekozen. De AFM vermeldt in haar beleid ten aanzien van deze regeling dat in haar ogen sprake kan2 zijn van acting in concert als de samenwerking is gericht op een onderwerp dat kan leiden tot wijziging van de strategie.3 Dit is overigens weer afkomstig uit Best Practice Bepaling IV.4.4 (responstijd4) van de Corporate Governance Code (zie ook § 10.3.2.2). Voorbeelden van regelingen die aansluiten bij potentiële “zeggenschap” – zonder specifiek op aandeelhouderssamenwerking te zien – zijn de keuzeregeling inzake beschermingsconstructies (art. 2:359b BW), die ziet op het kunnen dwarsbomen van een openbaar bod en de consolidatiecriteria van art. 2:24a BW, betreffende het kunnen benoemen of ontslaan van bestuurders of commissarissen.5