GHvJ, 24-05-2023, nr. AUA2022H00258
ECLI:NL:OGHACMB:2023:72
- Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum
24-05-2023
- Zaaknummer
AUA2022H00258
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:OGHACMB:2023:72, Uitspraak, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 24‑05‑2023; (Hoger beroep)
Uitspraak 24‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek medische uitzending. Het beroep is niet tijdig ingesteld. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om tijdig beroep in te stellen. Het is hem ondanks zijn ziekte en opleidingsniveau immers wel gelukt om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Bevestiging aangevallen uitspraak.
Partij(en)
AUA2022H00258
Datum uitspraak: 24 mei 2023
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Aruba,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 28 september 2022 in zaak nr. AUA202103942, in het geding tussen:
appellant
en
het Uitvoeringsorgaan Algemene Ziektekostenverzekering (hierna: UAZV)
Procesverloop
Bij beschikking van 11 maart 2021 heeft UAZV het verzoek van [appellant] om een medische uitzending naar het buitenland, afgewezen.
Bij beschikking van 14 september 2021 heeft UAZV het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 september 2022 heeft het Gerecht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
UAZV heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2023. [appellant], vergezeld door [partner van appellant], en UAZV, vertegenwoordigd door mr. S.E. van Spall, werkzaam bij UAZV, waren aanwezig.
Overwegingen
[appellant] heeft in december 2016 een bedrijfsongeval gehad. Als gevolg daarvan kampt hij met de aandoening Complex Regionaal Pijn Syndroom (hierna: CRPS). De behandeling die hij daarvoor in Aruba krijgt, is volgens [appellant] niet effectief genoeg. Omdat in de Verenigde Staten van Amerika en in Italië een nieuwe behandeling voor CRPS wordt aangeboden, heeft hij UAZV verzocht hem medisch uit te zenden voor een behandeling in een van die landen. Dat verzoek heeft UAZV afgewezen omdat geen meerwaarde valt te verwachten van een behandeling in het buitenland. [appellant] kan eveneens niet worden uitgezonden voor de nieuwe behandeling in de Verenigde Staten van Amerika of in Italië, omdat die behandeling zich nog in de experimentele fase bevindt en daarom vooralsnog niet in aanmerking komt voor vergoeding op basis van de Algemene Ziektekostenverzekering.
Het Gerecht heeft vastgesteld dat de termijn om tegen de beschikking op bezwaar van 14 september 2021 beroep in te stellen, is aangevangen op 15 september 2021 en is geëindigd op 26 oktober 2021. Het op 20 december 2021 ingediende beroepschrift is buiten deze termijn ingediend. In de door [appellant] aangevoerde redenen voor de te late indiening van het beroepschrift heeft het Gerecht geen aanleiding gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. [appellant] wilde eerst met UAZV in gesprek om hen van de ernst van de situatie te kunnen overtuigen zodat UAZV zich zou bedenken. Daarna moest hij een advocaat regelen. Het Gerecht heeft overwogen vastgesteld dat [appellant], desnoods op nader aan te voeren gronden, beroep kunnen instellen vóór het einde van de beroepstermijn.
[appellant] voert in hoger beroep aan dat het Gerecht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de ernst van zijn ziekte en met zijn lage opleidingsniveau. Hij durfde ook niet tegen UAZV in te gaan en hij ging ervan uit dat hij eerst met UAZV in overleg kon gaan. [appellant] heeft verder aangevoerd dat zijn belang zwaarder weegt dan de beroepstermijn.
3.1.
Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat was om tijdig, dus binnen zes weken, beroep in te stellen. Het is [appellant], ondanks zijn ziekte en met zijn opleidingsniveau, immers wel gelukt om binnen zes weken bezwaar te maken bij UAZV. Dat hij eerst met UAZV wilde overleggen, neemt niet weg dat onder de beschikking op bezwaar van 14 september 2021 duidelijk staat dat binnen zes weken beroep moet worden ingesteld. Het Hof heeft op zichzelf begrip voor het standpunt van [appellant] dat zijn gezondheid en welzijn belangrijker zouden moeten zijn dan een beroepstermijn, maar de bestuursrechter mag er niet aan voorbij gaan dat de wettelijke bepalingen over de tijdigheid van een bezwaar of beroepschrift dwingend van aard zijn. Dat betekent dat de instantie waarbij een rechtsmiddel is ingesteld, in dit geval het Gerecht, wettelijk verplicht is om de tijdigheid van dat rechtsmiddel te beoordelen en in geval van nietverschoonbare termijnoverschrijding, zoals bij [appellant] het geval is, het rechtsmiddel nietontvankelijk te verklaren. Het Hof verwijst bijvoorbeeld naar zijn uitspraak van 31 oktober 2022 (ECLI:NL:OGHACMB:2022:116). Het Gerecht heeft dan ook terecht beoordeeld of het beroepschrift van [appellant] tijdig is ingediend en het is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat het beroep nietontvankelijk is.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. UAZV hoeft geen proceskosten te vergoeden.
5. Voor [appellant] betekent deze uitspraak dat hij zich zal moeten neerleggen bij de afwijzing van zijn verzoek om een nieuwe behandeling voor CRPS in de Verenigde Staten van Amerika of in Italië. Zoals UAZV heeft aangegeven, kan hij opnieuw verzoeken om een medische uitzending naar die landen zodra de nieuwe behandeling uit de experimentele fase is.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bel voorzitter | w.g. Van der Heide griffier |
Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2023.