Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/3.2
3.2 De totaalwinst
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS413237:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Ik spreek in dit onderzoek over ‘totaalwinst’; de term ‘totale winst’ lijkt echter meer te zijn ingeburgerd.
Na de Wet Belastingherziening 1950 bepaalde artikel 6 Besluit IB: ‘Winst is het bedrag van de gezamenlijke voordelen, die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit bedrijf of uit zelfstandig uitgeoefend beroep’.
In hoofdstuk 6, paragraaf 6.2, wordt stilgestaan bij enkele uitgangspunten voor vermogensetikettering.
Soms zijn voor- of nadelen echter moeizaam te herleiden tot vermogensbestanddelen, zodat langs andere weg – bijvoorbeeld met criteria als ‘causaliteit’ en ‘finaliteit’ – dient te worden beoordeeld of het voor- of nadeel in verband kan worden gebracht met de onderneming.
Artikel 7 Wet IB 1964 ziet derhalve op de winst die wordt behaald gedurende het tijdvak dat de onderneming voor één en dezelfde belastingplichtige bron van inkomen is (vgl. HR 2 april 1947, B. 8335).
Smeets (blz. 22) is van mening dat de betekenis van de totaalwinstbepaling (destijds artikel 6 Besluit IB) uitsluitend ligt in het aangeven van hetgeen onder ‘winst’ valt; hij verwerpt daarmee het standpunt – zoals ingenomen door een aantal door hem genoemde schrijvers – dat deze bepaling uitgaat van het belasten van de gehele winst, te behalen gedurende het bestaan van de onderneming. Gelet op o.m. HR 17 augustus 1994, BNB 1995/127, waarin wordt geoordeeld dat artikel 7 Wet IB 1964 berust op het uitgangspunt dat de totale winst van de onderneming aan belasting is onderworpen, moet naar mijn mening worden geconcludeerd dat het standpunt van Smeets niet door de Hoge Raad wordt gedeeld.
Door de inkomstenbelasting wordt immers – zoals wordt uiteengezet in paragraaf 3.3 van dit hoofdstuk – belast de in een kalenderjaar genoten winst uit onderneming.
HR 2 april 1947, B. 8335.
HR 21 november 1990, BNB 1991/90.
Voordat met het oog op de jaarlijkse belastingheffing de in een jaar genoten winst uit onderneming kan worden berekend, dient te worden vastgesteld uit welke voor- en nadelen de te belasten winst is samengesteld. De leidraad hiervoor wordt thans gegeven door artikel 7 Wet IB 1964. Dit artikel bepaalt dat winst het bedrag van de gezamenlijke voordelen is die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit onderneming. In de loop der jaren heeft de wettelijke omschrijving van deze totaalwinst1 slechts weinig verandering ondergaan. Artikel 7 Wet IB 1914 hield in:
De opbrengst van onderneming en arbeid omvat de (...) voordeelen, die als winst, honorarium, traktement, salaris, arbeidsloon, vrije woning, aandeel in winst of overwinst, vacatie- of presentiegeld of onder welken naam en in welken vorm ook, verkregen worden uit bedrijf of beroep (ambt, waardigheid, bediening en betrekking daaronder begrepen) en uit handelingen, werkzaamheden en diensten van elken aard. (...).
Opvolger van deze bepaling was het in het Besluit IB opgenomen artikel 8, eerste lid, inhoudende
winst is het gezamenlijke bedrag van de voordeelen, die onder welken naam en in welken vorm ook, worden verkregen uit het bedrijf of uit het zelfstandig uitgeoefende beroep.
De Wet Belastingherziening 1950 bracht met betrekking tot de totaalwinstbepaling geen inhoudelijke verandering in het Besluit IB teweeg2.
Bij de beantwoording van de vraag of een bepaald voordeel kan worden aangemerkt als een voordeel verkregen uit onderneming, kan gebruik worden gemaakt van vermogensetikettering3. De resultaten behaald met een tot het ondernemingsvermogen gerekend vermogensbestanddeel maken deel uit van de winst4. Overigens behoren niet alle uit onderneming verkregen voordelen tot de te belasten winst. Inbreuken op de totaalwinst – waardoor bepaalde voordelen niet tot de te belasten winst worden gerekend of bepaalde nadelen (kosten) niet of slechts beperkt in aftrek kunnen worden gebracht – worden gemaakt door de artikelen 8, 8a, 8b en 8c Wet IB 1964.
In het kader van de bestudering van de foutenleer dient artikel 7 Wet IB 1964 niet alleen te worden gekarakteriseerd als leidraad bij de beantwoording van de vraag wat tot de winst dient te worden gerekend. Benadrukt dient te worden dat de Hoge Raad deze bepaling aldus interpreteert dat daarin is neergelegd, dat de totale winst die de ondernemer geniet gedurende het tijdvak, waarin hij als belastingplichtige de onderneming drijft, aan belastingheffing is onderworpen5. Dit aan artikel 7 Wet IB 1964 ten grondslag liggende uitgangspunt zal ik aanduiden als totaalwinstbeginsel6. In hoofdstuk 11, paragraaf 11.2, wordt uiteengezet wanneer dit uitgangspunt voor het eerst in de inkomstenbelasting kan worden aangetroffen.
Hoewel zulks in het kader van de belastingheffing geen functie vervult7, kan het bedrag van de totaalwinst worden berekend aan de hand van één verlies- en winstrekening over de gehele bestaansduur van de onderneming of aan de hand van vermogensvergelijking. In het laatste geval wordt het verschil berekend tussen het ondernemingsvermogen bij het einde van de onderneming, zoals is opgenomen in de slotbalans van de onderneming, en het ondernemingsvermogen aan het begin van de onderneming, zoals is opgenomen in de openingsbalans van de onderneming. Het aldus berekende verschil dient te worden gecorrigeerd in verband met kapitaalonttrekkingen en kapitaalinbreng door de ondernemer:
Vermogen bij het einde van de onderneming
-/-
Vermogen aan het begin van de onderneming
Toe- of afname van het ondernemingsvermogen
+
Kapitaalonttrekkingen tijdens het bestaan van de onderneming
-/-
Kapitaalinbreng tijdens het bestaan van de onderneming
Totaalwinst
De hiervóór genoemde openingsbalans dient als grondslag voor de bepaling van de winst die zal worden behaald gedurende het tijdvak dat de onderneming voor de belastingplichtige als bron van inkomen bestaat. Dit doel brengt mee, dat de in deze balans opgenomen vermogensbestanddelen dienen te worden gewaardeerd op het bedrag dat door de ondernemer is opgeofferd of had moeten worden opgeofferd voor de verkrijging daarvan krachtens een normale overeenkomst, waarbij de waarde langs zuiver zakelijke weg was bepaald8. Als resultaat van die waardering wordt het ondernemingsvermogen in de openingsbalans opgenomen tegen de gezamenlijke waarde in het economische verkeer van de tot dat vermogen behorende activa en passiva9. Ook in de slotbalans, welke balans het einde markeert van genoemd tijdvak, dienen de vermogensbestanddelen te worden opgenomen tegen de waarde in het economische verkeer.