Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.2.4.2
2.2.4.2 Toekomstige vorderingen
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS475615:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 januari 1921, NJ 1921/313 (Parser q.q./Nederlandse Credietvereeniging).
HR 29 december 1933, NJ 1934/343, m.nt. P. Scholten (Fijn van Draat q.q./Crediet-Maatschappij De Nederlanden).
Zie Scholten in zijn noot bij HR 29 december 1933, NJ 1934/343 (Fijn van Draat q.q./Crediet-Maatschappij De Nederlanden).
Vgl. HR 25 februari 1932, NJ 1932/301, m.nt. P. Scholten (Ontvanger/Schermer; loonbeslag).
Vgl. HR 15 maart 1940, NJ 1940/848, m.nt. E.M. Meijers (De Boer/Haskerveenpolder).
Vgl. de noot van Meijers onder HR 13 februari 1936, NJ 1936/443 (Tuschinski/GEMA).
20. Toekomstige vorderingen bleken de eerste categorie goederen waarvan de mogelijkheid om ze bij voorbaat te leveren door de Hoge Raad werd beoordeeld. De wettelijke vereisten voor cessie leken nauwelijks een obstakel te vormen. Art. 668 BW (oud) vereiste voor de levering van vorderingen op naam slechts een authentieke of onderhandse akte. De betekening van de cessie aan de schuldenaar was geen constitutief vereiste voor de geldigheid van de overdracht, maar was slechts van belang om de overdracht te kunnen tegenwerpen aan de schuldenaar. De vereisten voor cessie konden daardoor in principe ook worden vervuld ten aanzien van een toekomstige vordering.
De Hoge Raad kreeg in 1921 voor het eerst de kans om te oordelen over de geldigheid van de cessie van toekomstige vorderingen. Het betrof de overdracht van toekomstige vorderingen door een ondernemer aan een kredietinstelling.
De Nederlandse Credietvereeniging en de firma S.J. Mertens waren bij akte van 4 mei 1908 overeengekomen dat Mertens de wissels, die zij in de uitoefening van haar bedrijf op haar schuldenaren zou trekken, betaalbaar zou stellen aan (de order van) de Credietvereeniging. De Credietvereeniging of order zou de nieuwe schuldeiser zijn van de vorderingen ten aanzien waarvan wissels werden getrokken. In rechte gaat het om de betaling ten aanzien van een vijftal vorderingen uit door Mertens in 1909 en 1910 gesloten koopovereenkomsten. Voor deze vorderingen heeft Mertens wissels getrokken en deze aan de Credietvereeniging ter hand gesteld, alvorens Mertens op 4 februari 1910 failleert. De faillissementscurator heeft de vijf vorderingen vervolgens geïncasseerd. De Credietvereeniging vordert, als schuldeiser van de vorderingen, afgifte van het geïnde. Deze rechtsvordering wordt in hoger beroep toegewezen. Daarbij overweegt het hof dat bij de akte uit 1908 nog niet bestaande vorderingen waren gecedeerd, hetgeen door de wet was toegelaten. De Hoge Raad laat het oordeel van het hof in stand. Het betoog van de curator dat de akte slechts een (obligatoire) overeenkomst tot cessie bevatte, stuitte af op de feitelijke aard van de uitleg van die akte, die in cassatie niet kon worden getoetst. Dat zou alleen anders zijn, aldus de Hoge Raad, indien wettelijke voorschriften van dwingende aard zich tegen de overdracht van nog niet bestaande vorderingen zouden verzetten. Van strijd met art. 668 BW (oud), inzake cessie, was echter geen sprake.1
Uit deze uitspraak leek te volgen dat de Hoge Raad geen bezwaren koesterde tegen de cessie van toekomstige vorderingen. Deze veronderstelling zou onjuist blijken. In 1933 wees de Hoge Raad met het arrest Fijn van Draat q.q./Crediet-Maatschappij De Nederlanden de mogelijkheid om toekomstige vorderingen te cederen namelijk categorisch van de hand.2
Het betrof een geval van factoring avant la lettre. Renes, een handelaar in muziekinstrumenten, en de bank De Nederlanden sluiten een overeenkomst strekkende tot bevoorschotting tegen cessie van de vorderingen uit door Renes te sluiten huurkoopovereenkomsten. Naderhand sluit Renes een huurkoop met Freeze, waarna de bank een voorschot verstrekt op de vorderingen uit deze overeenkomst. Na de faillietverklaring van Renes, incasseert de bank een vordering van ƒ 500 uit de huurkoopovereenkomst. De curator vordert vervolgens afdracht van het geïnde. Het hof wijst de vordering af, omdat de toekomstige vorderingen rechtsgeldig overgedragen konden worden. De Hoge Raad casseert echter het arrest van het hof. De Hoge Raad overweegt in dit arrest dat de overdracht van een vordering – op de voet van art. 668 BW (oud) – tot stand komt door en bij het aangaan van de cessieakte. Deze overgang is slechts denkbaar en dus rechtens mogelijk, indien de vordering bestaat bij het aangaan van de akte van overdracht. De omstandigheid dat toekomstige vorderingen voorwerp kunnen zijn van verbintenissen (volgens art. 1370 BW (oud)) maakte nog niet mogelijk om toekomstige vorderingen over te dragen. Dat laatste was op grond van de aard van de rechtshandeling uitgesloten, aldus de Hoge Raad.
Het oordeel van de Hoge Raad week niet alleen af van zijn oordeel in het arrest Parser q.q./Nederlandse Credietvereeniging, maar ook van de conclusie van P-G Tak. Deze achtte de cessie van toekomstige vorderingen toelaatbaar, mede in het belang van het kredietverkeer. Daarnaast wees Scholten erop dat in andere rechtsstelsels een dergelijke cessie juist hoe langer hoe meer werd toegelaten. Volgens Scholten had de Hoge Raad de cessie van toekomstige vorderingen moeten toestaan, mits de vorderingen voldoende bepaalbaar waren. De bestrijding van eventuele woeker door cessie zou moeten geschieden op andere wijze dan de cessie van toekomstige vorderingen simpelweg te verbieden.3
De soep werd echter niet zo heet gegeten als zij werd opgediend. Tegenover de principiële afwijzing van de cessie van toekomstige vorderingen stond een ruime opvatting over het bestaan van een vordering. Volgens de Hoge Raad kon in dit verband het bestaan van een vordering reeds worden aangenomen indien de vordering haar onmiddellijke grondslag vond in een rechtsverhouding waarin de cedent dan reeds tot de schuldenaar stond. De Hoge Raad stond daarmee de cessie van (naar huidige maatstaven veelal toekomstige) vorderingen in gelijke mate toe als beslag op deze vorderingen.4 De door de Hoge Raad gehanteerde ‘bestaansfictie’ voor vorderingen uit bestaande rechtsverhoudingen maakte het bijvoorbeeld mogelijk om toekomstige huurtermijnen die voortvloeiden uit een reeds bestaande huurovereenkomst te cederen.5 De beperking van cessie tot vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit bestaande rechtsverhoudingen werd met instemming ontvangen door Meijers. Een cruciaal verschil is echter dat Meijers, anders dan de Hoge Raad, deze beperking niet zozeer een juridisch-logische begrenzing achtte, maar eerder een “billijke grenslijn”.6 Het zou tot 1980 duren voordat de Hoge Raad zou terugkomen op het oordeel dat de cessie van toekomstige vorderingen ‘niet denkbaar’ was.