Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/11.6
11.6 Ruimte voor partijafspraken
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS299267:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wichers 2002, p. 93. Zie voor een eveneens ontkennend antwoord op de gerelateerde vraag of partijen invloed kunnen uitoefenen op de vraag of een zaak roerend of onroerend is Tweehuysen 2017, p. 519.
Mes, Ploeger & Janssen 2016, p. 166.
Een vroege opvatting in deze richting is te vinden bij Heyman 1974, p. 475, die de vraag of iets bestanddeel is in het verlengde van de bescherming van derden te goeder trouw plaatst.
Zie Koolhoven 2018, p. 404.
Zie Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 76.
Zie het standpunt van de regeringscommissaris in Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 78. Zie ook Tweehuysen 2017, p. 232.
Zie het standpunt van de regeringscommissaris in Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 77. Zie ook het arrest HR 16 maart 1979, NJ 1980/600 (Radio Holland).
Gezien het voorbeeld dat in Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 78 genoemd wordt van een cassetterecorder die in een auto wordt ingebouwd, lijkt het erop dat de wetgever vooral het geval op het oog heeft gehad waarin door het voortschrijden van de techniek onderdelen die niet standaard als bestanddeel werden gezien, dat na verloop van tijd wel gaan doen. Dat is precies het tegenovergestelde van hetgeen ik in de hoofdtekst bespreek.
455. Men zou zich kunnen afvragen of het mogelijk is voor partijen om invloed uit te oefenen op de vraag of iets als bestanddeel wordt aangemerkt. Dat is in beginsel niet het geval.1 De vraag wat een bestanddeel uitmaakt van een zaak is van belang voor derden, die niet opeens geconfronteerd moeten kunnen worden met – bijvoorbeeld – het feit dat zij geen verhaal op een roerende zaak kunnen nemen doordat deze bestanddeel van een onroerende zaak is geworden (zie ook randnummer 293).
456. In de literatuur zijn twee verschillende manieren gesuggereerd waarop toch kan worden bereikt dat zaken die normaliter als zelfstandig worden aangemerkt, bestanddeel worden, dan wel dat dingen die als bestanddeel worden beschouwd, zelfstandig worden (zij het dat partijen dit niet op individuele basis kunnen regelen). Elk van deze manieren komt op een eigen wijze tegemoet aan het bezwaar dat derden niet op het verkeerde been mogen worden gezet omtrent de rechtstoestand van een zaak.
457. De eerste manier voor partijen om invloed uit te oefenen op de vraag of iets al dan niet een bestanddeel is zonder derden daarmee te benadelen, zou erin bestaan deze derden te beschermen via een systeem van registers.2 Als een derde namelijk weet of behoort te weten dat een bepaalde zaak niét als bestanddeel dient te worden aangemerkt, dan vervalt daarmee de reden om (jegens hem) de zaak als bestanddeel te beschouwen.3 Vooral in het kader van de circulaire economie, waarbij het nuttig zou zijn indien zaken die nu doorgaans als bestanddeel worden aangemerkt niet worden nagetrokken, wordt over deze oplossing nagedacht.4 Omdat deze oplossing een wijziging voor de rechtspositie van derden inhoudt – zij zullen onder omstandigheden registers moeten gaan raadplegen – lijkt het voor de hand te liggen dat deze oplossing door de wetgever moet worden opgelegd om daadwerkelijk werking te hebben. De wetgever heeft een vergelijkbare mogelijkheid om de natrekking van onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken te voorkomen, namelijk juist uit het wetboek geschrapt.5 Daarnaast bestaan nog enkele praktische vraagstukken, onder meer over de vraag hoe roerende zaken dienen te worden geïdentificeerd om in een dergelijk register opgenomen te kunnen worden.
458. De tweede manier volgt uit het feit dat voor de vraag wat een bestanddeel is, wordt aangeknoopt bij de verkeersopvatting (zie paragraaf 11.2.2). De verkeersopvatting is aan verandering onderhevig. Door het voortschrijden van de techniek of de opvattingen in het maatschappelijk verkeer, kan de verkeersopvatting zodanig wijzigen dat het antwoord op de vraag wat precies een bestanddeel uitmaakt van een zaak, in potentie mee kan veranderen.6 Blijkt bijvoorbeeld in een bepaalde branche, door de overeenkomsten die daar gesloten worden, dat een gedachte postvat over de vraag wat precies een bestanddeel is, dan kan daarmee de verkeersopvatting wijzigen.7 Het lastige aan deze oplossing is dat partijen hun gedrag vaak al zullen afstemmen op de huidige opvatting van welke dingen bestanddelen zijn. Het ligt dan niet voor de hand dat zij snel andersluidende afspraken zullen maken. Een mogelijkheid die in de literatuur niet met zoveel woorden wordt genoemd, is het voortschrijden van de techniek waardoor het goedkoper wordt om bestanddelen te vervangen.8 Het aanmerken van bepaalde onderdelen van een zaak als bestanddeel is het gevolg van het feit dat er transactiekosten bestaan voor het zelfstandig beschikken over deze onderdelen. Hoe lager de transactiekosten daarvoor zijn, des te minder noodzakelijk het is om de onderdelen als bestanddeel aan te merken. Een daarmee samenhangende ontwikkeling is dat onderdelen meer modulair worden. In plaats van dat ze standaard in een zaak aanwezig zijn, worden ze inwisselbaar. Een combinatie van het goedkoper worden van het verwisselen van onderdelen en de eenvoudigere mogelijkheid daartoe doordat deze onderdelen modulair worden, kan de verkeersopvattingen over wat als bestanddeel van een zaak geldt veranderen. Daardoor zou het mogelijk worden om zaken met elkaar te verenigen zonder dat er bestanddeelvorming (en natrekking) plaatsvindt). Een voorbeeld hiervan is het feit dat op sommige kantoren de kantoorcomputers geen harde schijven meer hebben om de bestanden op te slaan van degenen die ermee werken. De bestanden worden ofwel opgeslagen op centrale servers, ofwel op externe harde schijven (USB-sticks) die de medewerkers bij zich dragen. In beide gevallen is het opslagmedium geen bestanddeel meer van de computer waarop de medewerker werkt.