Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/8.5.1:8.5.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/8.5.1
8.5.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455197:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eed heeft een religieus object. Men zweert op God. Vanouds gold een uitzondering voor quakers en baptisten. Zij mochten vanwege hun interpretatie van de Bijbel een belofte afleggen. Men zou kunnen zeggen dat de inhoud van de eed en de belofte was geobjectiveerd. Quakers en baptisten mochten vanwege hun geloofsopvattingen de belofte afleggen en de overige grotendeels christelijke bevolking moest de eed afleggen. Met de Eedswet in 1971 vindt er een koerswijziging plaats. Dan bepaalt de wetgever voor getuigen (en deskundigen) in de gerechtelijke procedure dat de keuze voor de eed of de belofte subjectief moeten worden uitgelegd: de verklaring van het rechtssubject dient leidend te zijn.
Ten aanzien van de vorm van de eed of belofte door getuigen in de gerechtelijke procedure zien we dat de wetgever met de Wet vorm van eed en belofte van 1911 in artikel 1 ruimte laat voor verschillende wijze van het afleggen van de eed of de belofte. Daarbij ging hij oorspronkelijk uit van een objectiverende uitleg van de vorm van de eed: de wijze van aflegging van de eed werd bepaald door de ‘ritus’ van het kerkgenootschap waar het rechtssubject lid was. Dit uitgangspunt gold tot 1989. Toen bepaalde de Hoge Raad dat het standpunt dat de getuige zelf inneemt ten aanzien van de wijze waarop hij de eed moet afleggen doorslaggevend is. Vanaf dat moment wordt in de rechtspraak ten aanzien van de vorm van de eed dus een subjectiverende kwalificatiewijze gehanteerd: de rechter gaat uit van de verklaringen van de getuigen. Ook het EHRM wijst een objectieve uitleg van de vorm van het afleggen van de eed af. Het stelde dat de eis aan parlementsleden om de eed af te leggen op het (christelijke) evangelie in strijd is met artikel 9 EVRM.
Opmerkelijk is dat de wetgever leden van provinciale staten en tal van andere ambtsdragers en ambtenaren op centraal niveau geen ruimte geeft voor afwijkende vormen om de eed af te leggen. Zo bepaalde de Afdeling in 2002 ten aanzien van de eedsaflegging door een Statenlid dat hij de eed alleen kon afleggen op de christelijke wijze, namelijk door ‘Zo waarlijk helpe mij God Almachtig’ uit te spreken. Volgens de Afdeling zou artikel 14 van de Provinciewet niet in strijd zijn met de Wet vorm van eed en belofte omdat de wetgever ten aanzien van de wijze van beëdiging van leden van provinciale staten en tal van andere ambtsdragers, niet in deze mogelijkheid zou hebben voorzien. Dit noopt ons tot de conclusie dat de wetgever en rechter uitgaan van eendimensionale visie vanuit het christendom. Men geeft het gelovige rechtssubject slechts de mogelijkheid om de eed in één, vanouds christelijke, vorm af te leggen. We zouden dan ook kunnen stellen dat men een objectiverende uitleg van de eed hanteert: het afleggen van de eed is enkel het op christelijke wijze afleggen van de eed.