Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.6:4.7.6 Natrekking en vermenging (art. 5:14 en 5:15 BW) als wettelijke grondslag?
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.6
4.7.6 Natrekking en vermenging (art. 5:14 en 5:15 BW) als wettelijke grondslag?
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644856:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als sprake is van afscheiding wordt in de literatuur niet alleen gekeken naar de regels omtrent zaaksvorming, maar ook naar die van natrekking en vermenging.1 Volgens art. 5:14 lid 1 en art. 5:3 BW is de eigenaar van de hoofdzaak tevens eigenaar van de bestanddelen. Is een hoofdzaak niet aan te wijzen, dan verkrijgen de oorspronkelijke eigenaren een aandeel in het eigendomsrecht op de nieuwe zaak. Bij afscheiding blijft, net als bij natrekking, de oorspronkelijke (hoofd)zaak bestaan, alleen wordt iets van die zaak verwijderd in plaats van dat daar iets aan wordt toegevoegd.
Een verschil tussen natrekking en afscheiding is, dat in het eerste geval de zaken vóór de verbinding aan verschillende eigenaren kunnen toebehoren, terwijl dit bij afscheiding niet mogelijk is. De eigenaar van de hoofdzaak krijgt per definitie het nieuwe eigendomsrecht bij afscheiding. Het eenheidsbeginsel brengt immers met zich mee dat op één zaak maar één eigendomsrecht kan rusten.2 Wel is het mogelijk dat verschillende personen mede-eigenaar zijn, maar dit verandert niets aan het feit dat dit aandelen zijn in één eigendomsrecht. De wettelijke grondslag van art. 5:14 BW voor een wijze van eigendomsverkrijging bij afscheiding is daarom niet geheel bevredigend. Vandaar dat een andere wettelijke grondslag aan bod komt, die art. 5:14 BW aanvult.