[naam] is in cassatie geen medebetrokkene.
HR, 27-01-2026, nr. 23/04656
ECLI:NL:HR:2026:119
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-01-2026
- Zaaknummer
23/04656
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:119, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑01‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:3973
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1317
ECLI:NL:PHR:2025:1317, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:119
- Vindplaatsen
Uitspraak 27‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit medeplichtigheid aan bewerken en verwerken van cocaïne. In eerste aanleg is ontnemingsvordering afgewezen. Toerekening w.v.v. in geval van meerdere daders. 1. Kon hof een deel van voordeel van cocaïnelaboratorium aan betrokkene toerekenen, nu zij in strafzaak enkel is veroordeeld voor medeplichtigheid door haar woning ter beschikking te stellen en uit dossier niet blijkt dat zij zelf enig voordeel heeft genoten? 2. Verweer dat het toerekenen van voordeel o.b.v. percentages slechts “gokwerk” betreft. Kon hof oordelen dat 30% van totaal voordeel wordt toegerekend aan betrokkene en zijn medebetrokkenen en vervolgens 1/9 deel daarvan aan betrokkene toerekenen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04655 P, 23/04662 P en 23/04788 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04656 P
Datum 27 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 november 2023, nummer 20-001929-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat K.R. Verkaart bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het de hoogte van het ontnemingsbedrag betreft, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 122.922.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 117.922 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026.
Conclusie 02‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Profijtontneming. Medeplichtigheid aan cocaïneversnijdingslaboratorium. Falende klachten over speculatieve gehalte van de gegevens waarmee het voordeel is berekend en over de toerekening aan de betrokkene ("gokwerk"). De conclusie strekt tot vermindering van het ontnemingsbedrag (vanwege overschrijding r.t.) en tot verwerping voor het overige. Samenhang met 23/04655, 23/04662 en 23/04788.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04656 P
Zitting 2 december 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene.
Inleiding
1. Aan de betrokkene is bij arrest van 23 november 2023 (parketnummer 20-001929-21 OWV) door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 122.922,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 23/04655 ( [medebetrokkene 1] ), 23/04662 ( [medebetrokkene 2] ) en 23/04788 ( [medebetrokkene 3] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. K.R. Verkaart, advocaat in Breda , heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak kort geschetst
4. Zoals opgemerkt zijn er in cassatie vier samenhangende zaken aanhangig, te weten tegen de betrokkene, [medebetrokkene 2] , [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 3] . Zij zijn strafrechtelijk veroordeeld voor hun aandeel in een cocaïneversnijdingslaboratorium dat in februari 2020 werd aangetroffen in een woning te [plaats] . Bij vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 juli 2021 zijn [medebetrokkene 2] , [medebetrokkene 4] en [medebetrokkene 3] veroordeeld wegens – kort gezegd – medeplegen van het bewerken en verwerken van cocaïne in de periode van [geboortedatum] 2019 tot en met 8 februari 2020, en is de betrokkene veroordeeld voor de medeplichtigheid daaraan.
5. De rechtbank heeft vastgesteld dat het laboratorium was ingericht in de woning van [medebetrokkene 2] en de betrokkene, waarin ook hun zoon [medebetrokkene 4] een rol vervulde. Uit camerabeelden en ander bewijsmateriaal is gebleken dat [medebetrokkene 2] en [medebetrokkene 4] meermalen cocaïne de woning in en uit hebben gebracht, werkers hebben opgehaald en weggebracht, en aanwezig waren tijdens overdrachten. Daarnaast heeft [medebetrokkene 4] zich beziggehouden met de verpakking van cocaïne. [medebetrokkene 3] bezocht de woning vrijwel dagelijks om cocaïne te brengen of op te halen, terwijl [naam]1.bijdroeg aan de verwerking, onder meer door het maken van blokken cocaïne. De betrokkene woonde samen met [medebetrokkene 2] in de woning en was daar gedurende de onderzoeksperiode veelvuldig aanwezig, ook op momenten dat overdrachten plaatsvonden of werkzaamheden in de versnijdingsruimte werden verricht.
Het eerste middel
6. Het hof heeft volgens de steller van het middel ten onrechte, althans onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd, vastgesteld dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel van € 122.922,- heeft genoten.
De terechtzitting en het bestreden arrest
7. Op de terechtzitting van het hof van 12 oktober 2023 is de betrokkene samen met haar raadsman verschenen. De betrokkene heeft aldaar meegedeeld géén vragen te willen beantwoorden (zie p. 3 van het proces-verbaal van die terechtzitting). Zij heeft aldaar uitsluitend meegedeeld (p. 5): “Het gaat op dit moment redelijk met me. Wanneer mij een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd dan zal ik die waarschijnlijk niet kunnen betalen.” De raadsman heeft er bij pleidooi (zie p. 6 van het proces-verbaal) op gewezen dat de betrokkene heeft verklaard geen voordeel te hebben genoten. De raadsman verzette zich tegen het gebruik van het ‘cokeboek’ als aanknopingspunt voor toerekening en betoogde dat toepassing van een concrete voordeelberekening met een procentuele verdeling van het aldus vastgestelde voordeel slechts “gokwerk” betreft.
8. Het hof heeft, anders de rechtbank, de ontnemingsvordering toegewezen en heeft – in verband met de betrokkene – overwogen:
“Vooropgesteld moet worden dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds zal kunnen vaststellen. Dan zal hij op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend. Dat betekent niet dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, verplicht is tot een verdeling te komen en evenmin dat pondspondsgewijze toerekening, ingeval de rechter wel tot een verdeling komt, dan op zichzelf het uitgangspunt dient te vormen. De omstandigheden van het geval zijn in deze beslissend. Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter tot een nadere motivering van zijn oordeel is gehouden, komt bovendien gewicht toe aan de procesopstelling van de betrokkene.
In het licht van deze vooropstelling overweegt het hof het navolgende.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat het “cokeboek” zoals dat door het openbaar ministerie in hoger beroep is ingebracht in het kader van de toerekening in deze zaak niet bruikbaar is. Het “cokeboek” is toegesneden op cocaïnewasserijen waarbij kort gezegd cocaïne middels bewerkingen wordt teruggewonnen uit een andere stof en niet op versnijdingslaboratoria. Verder blijkt uit het “cokeboek” dat het wassen van cocaïne veel ingewikkelder is dan het versnijden van cocaïne wat als een eenvoudige procedure wordt gezien. Daardoor is denkbaar dat de rolverdelingen en de daarbij behorende vergoedingen van een andere orde zijn dan bij laboratoria waarbij cocaïne wordt versneden zoals in de onderhavige zaak. Daar komt nog bij dat het “cokeboek” gedateerd (2011) is.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten zijn om tot een wijze van toerekening te komen. Zo heeft de rechtbank in het onderliggende strafvonnis nauwkeurig de rol van betrokkenen bij het versnijdingslaboratorium beschreven. De rechtbank heeft het navolgende vastgesteld ten aanzien van de afzonderlijke rollen.
(…)
Rol. [betrokkene] (p. 7 onderliggend strafvonnis)
[betrokkene] heeft samen met haar man [medebetrokkene 2] in de woning aan de Hamdijk 23 gewoond. Dit wordt bevestigd door [medebetrokkene 4] die eveneens heeft verklaard dat zijn ouders op de Hamdijk 23 wonen. Verder is uit camerabeelden gebleken dat [betrokkene] in de periode van 17 december 2019 tot en met 8 februari 2020 tenminste 66 keer bij de woning aanwezig is geweest. Verder was zij op meerdere moment aanwezig als er een overdracht plaatsvond en er mensen - onder wie [naam] in de versnijdingsruimte aan het werk waren.
De belangrijkste rol was blijkens de ontnemingsrapportage weggelegd voor “ [bijnaam] ” waaromtrent verder niets bekend is geworden.
Oordeel hof
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat [medebetrokkene 2] , [medebetrokkene 4] , [medebetrokkene 3] en [naam] een gelijkwaardige rol hebben vervuld bij het versnijdingslaboratorium. Allen zijn ook door de strafrechter aangemerkt als medepleger bij het bewerken en verwerken van cocaïne. [betrokkene] heeft een andere, kleinere, rol vervuld. De strafrechter heeft haar ook niet als medepleger maar als medeplichtige aangemerkt.
Het hof komt op basis van ieders rol tot een verdeling waarbij aan de onbekend gebleven “ [bijnaam] ” van het voordeel 70% wordt toegerekend. Van het totale voordeel is dat dan een bedrag van (€ 3.687.665,- x 70% =) € 2.581.365,50. Het restant (€ 3.687.665 -/- € 2.581.365,50 =) € 1.106.299,- (afgerond) is aan de overige 5 betrokkenen toegekomen waarbij het hof aan [betrokkene] 1/9 deel van dit bedrag zal toerekenen en aan de overige betrokken telkens 2/9 deel van voormeld bedrag.
Dit betekent dat aan [betrokkene] wordt toegerekend een bedrag van (1/9 x € 1.106.299,- =) € 122.922,- (afgerond) en aan de overige betrokkenen telkens een bedrag van (2/9 x € 1.106.299 =) € 245.844,- (afgerond).
Het hof betrekt bij deze toerekening eveneens de procesopstelling van betrokkene dat zij op geen enkel moment heeft verklaard omtrent de rol die zij bij het versnijdingslaboratorium heeft vervuld en het financiële voordeel dat haar daarbij is toegekomen. Haar verklaring niets te hebben verdiend komt het hof hoogst onaannemelijk voor.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.”
Een nadere omschrijving van het eerste middel
9. In het bijzonder wordt aangevoerd dat de betrokkene in de strafzaak uitsluitend veroordeeld is voor medeplichtigheid door haar woning ter beschikking te stellen en is vrijgesproken van medeplegen. Uit het dossier blijkt niet dat zij zelf enig voordeel heeft genoten; de rechtbank stelde in eerste aanleg zelfs vast dat daarvoor geen concrete aanwijzingen bestaan. Door haar desondanks een deel van het voordeel van het cocaïnelaboratorium toe te rekenen, heeft het hof zijn oordeel ontoereikend, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
Beoordelingskader: de toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel bij deelneming
10. De ontnemingsmaatregel strekt ertoe om aan de betrokkene het wederrechtelijke voordeel te ontnemen dat in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk is behaald.2.Toerekening van voordeel aan de veroordeelde zonder dat is vastgesteld dat het desbetreffende bedrag in zijn vermogen is gevloeid, staat op gespannen voet met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel.
11. Indien de grootte van het wederrechtelijk voordeel op zichzelf vaststaat, maar meer personen samen van dit voordeel hebben geprofiteerd,3.staat de ontnemingsrechter voor de vraag hoe dit voordeel onder hen is verdeeld. Bij het vaststellen van de omvang van het deel van het totale voordeel dat aan de veroordeelde moet worden toegerekend, neemt de ontnemingsrechter alle hem bekende omstandigheden van het geval in aanmerking, zoals de rol die de onderscheidene daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen.4.
12. Bieden de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten voor een andere verdeelsleutel, dan kan dat aanleiding zijn om uit te gaan van een pondspondsgewijze verdeling.5.De pondspondsgewijze verdeling is gebaseerd op het uitgangspunt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in de criminele praktijk vaak evenredig wordt verdeeld.6.Het voorgaande betekent niet dat de rechter, indien er meer daders zijn, verplicht is om tot een verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel te komen. Ook indien de bewezenverklaring uitwijst dat de veroordeelde het feit niet alleen heeft gepleegd, kan de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan hem toerekenen. Evenmin hoeft de rechter die wel tot een verdeling komt steeds uit te gaan van een pondspondsgewijze toerekening.
13. In dit verband kan een nadere motivering zijn vereist, bijvoorbeeld wanneer de rechter het voordeel geheel toerekent aan de veroordeelde, terwijl in verband met hetgeen door of namens hem ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, voldoende aanknopingspunten bestaan voor de aanname dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld.7.De omstandigheden van het geval zijn beslissend. Of de rechter gehouden is zijn oordeel omtrent de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel nader te motiveren, hangt onder andere af van de procesopstelling van de veroordeelde en van hetgeen door of namens hem ter terechtzitting is aangevoerd.8.
14. Wat betreft de mate van toerekening van het voordeel aan de veroordeelde geldt niet de eis dat de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan wettige bewijsmiddelen zijn ontleend. Voldoende is dat de omstandigheden van het geval, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.9.
De bespreking van het middel
15. Omtrent de betrokkene heeft het hof vastgesteld dat zij samen met haar man [medebetrokkene 2] woonde in de woning waarin zich het cocaïneversnijdingslaboratorium bevond. Zij was daarin gedurende de bewezen verklaarde periode (van 18 november 2019 tot en met 8 februari 2020) veelvuldig aanwezig, met inbegrip van momenten waarop overdrachten van cocaïne plaatsvonden of werkzaamheden in de versnijdingsruimte werden verricht. De betrokkene is door de strafrechter onder meer veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplichtigheid aan het bewerken en verwerken van cocaïne door [medebetrokkene 2] , [medebetrokkene 4] , [naam] en [medebetrokkene 3] . Uit welke gedragingen die medeplichtigheid heeft bestaan, kan ik uit het bestreden arrest en de aanvulling daarop niet opmaken. Het hof overweegt uitdrukkelijk dat de betrokkene “op geen enkel moment heeft verklaard omtrent de rol die zij bij het versnijdingslaboratorium heeft vervuld en het financiële voordeel dat haar daarbij is toegekomen. Haar verklaring niets te hebben verdiend komt het hof hoogst onaannemelijk voor.”
16. Vanwege het weinige dat door of namens de betrokkene is aangevoerd, kan het weinige dat het hof omtrent de bijdrage van de betrokkene heeft kunnen vaststellen m.i. de voordeeltoerekening dragen.
17. Het middel faalt.
Het tweede middel
18. Het middel bevat een klacht over de toerekening aan de betrokkene van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 122.922. Het middel richt zich in de kern tegen de door het hof gehanteerde verdeelsleutel en tegen de verwerping van een daarover ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, te weten dat het toerekenen van voordeel op basis van percentages slechts “gokwerk” betreft.
19. In de zaak van de [medebetrokkene 2] (23/04662) is eenzelfde middel met bijbehorende toelichting voorgesteld. Om die redenen volsta ik hier met een verwijzing naar mijn conclusie in die zaak, waarin ik reeds heb uiteengezet waarom het middel niet tot cassatie kan leiden. Bovendien verwijs ik naar mijn bespreking van het eerste middel, dat in essentie dezelfde klacht bevat.
20. Het middel faalt.
Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie
21. Namens de betrokkene is op 30 november 2023 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 7 maart 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim zeven maanden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 122.922,00.
22. Daarnaast merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 30 november 2023, als gevolg waarvan de redelijke (behandel)termijn in cassatie ook is overschreden.
Slotsom
23. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.
24. Anders dan hetgeen ik onder 21 en 22 heb opgemerkt, heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het de hoogte van het ontnemingsbedrag betreft, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑12‑2025
Vaste rechtspraak. Zie o.a. HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242 m.nt. Reijntjes, en HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8489, NJ 2006/63.
De begunstigden van een delict hoeven trouwens niet altijd ‘daders’ of ‘medeplegers’ te zijn. Ook leden van een crimineel samenwerkingsverband die niet hebben deelgenomen aan het concrete misdrijf kunnen bijvoorbeeld delen in het voordeel dat het samenwerkingsverband heeft behaald. Vgl. HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878, en HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1977, rov. 2.3.1.
HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8489, NJ 2006/63; HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:873, rov. 3.4.2.
Zie o.a. HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8489, NJ 2006/63; HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667, NJ 2009/19, waarin de HR ter verduidelijking toevoegde: “Opmerking verdient nog dat deze overweging niet inhoudt dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, verplicht is tot een verdeling te komen en evenmin dat pondspondsgewijze toerekening, in geval de rechter wel tot een verdeling komt, dan op zichzelf het uitgangspunt dient te vormen. De omstandigheden van het geval zijn in deze beslissend. Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter tot een nadere motivering van zijn oordeel is gehouden, komt bovendien gewicht toe aan de procesopstelling van de betrokkene.”; HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5729, NJ 2009/264; HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:873; HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:881, rov. 2.4.2; HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1118, NJ 2016/493 m.nt. Keulen; HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1692.
D. Emmelkamp, T. Felix & N.G.H. Verschaeren, De ontnemingsmaatregel, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 43.
Vgl. HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1921, NJ 2020/65 m.nt. Kooijmans, met verwijzing naar HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008: BG1667, NJ 2009/19. Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:961, NJ 2013/517, en HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2918.
HR 21 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:77; HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1977; HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1118, NJ 2016/493 m.nt. Keulen; HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:961, NJ 2013/517; HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5729, NJ 2009/264. Vgl. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1667, NJ 2009/19, en HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8491, NJ 2006/63.
Vgl. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2142, NJ 2010/202; HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426, NJ 2010/407, en HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3491, NJ 2015/62 m.nt. Reijntjes.