Uitspraak van het Hof, onderdeel 2.1, sub. 1.
HR, 01-05-2020, nr. 19/03059
ECLI:NL:HR:2020:820
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-05-2020
- Zaaknummer
19/03059
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑05‑2020
ECLI:NL:HR:2020:820, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑05‑2020; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2019:1980
- Vindplaatsen
NLF 2020/1327 met annotatie van Touria El Ouardi
FED 2020/99 met annotatie van S. Bentohami
BNB 2020/116 met annotatie van J.P. BOER
NTFR 2020/1363 met annotatie van TH.J.M. VAN SCHENDEL
FutD 2020-1352
Beroepschrift 01‑05‑2020
Betreft: Motivering cassatieberoepschrift tegen BK-18/00377
Edelhoogachtbaar College,
Namens verzoeker in cassatie, [X] B.V. (hierna: ‘[X]’), dienen wij hierbij de gronden en de motivering in van het bij brief van 26 juni 2019 namens [X] ingestelde cassatieberoepschrift tegen de uitspraak van 16 mei 2019 van de vierde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het ‘Hof’) met kenmerk BK-18/00377 (hierna: de ‘Uitspraak’).
In deze procedure komt een aantal vragen op, dat naar de mening van [X] uitgaat boven haar individuele belang. Zo speelt in deze procedure, onder meer, de vraag of een overgang binnen concernverband een beëindiging van de dienstbetrekking kan constitueren in de zin van artikel 32bb van de Wet op de loonbelasting 1964 (‘Wet LB’) en welke betekenis aan de beëindiging van de dienstbetrekking in meer algemene zin dient te worden toegekend. Daarnaast is aan de orde hoe het begrip ‘dienstbetrekking’ dient te worden uitgelegd voor doeleinden van artikel 32bb van de Wet LB; dient terzake een louter formele uitleg te worden gevolgd (zoals de Belastingdienst voorstaat) of (tevens) een materiële (wat de visie van [X] is). In het verlengde van de uitleg van het dienstbetrekkingsbegrip komt ook de identificatie van de ‘inhoudingsplichtige’ voor doeleinden van artikel 32bb Wet LB op.
1. De feiten
1.1
Indiensttreding van [B] en feitelijke werkzaamheden
1.1.1
[X] is de houdstermaatschappij van een Nederlandse groep vennootschappen.1. De Energie Divisie van [X] bestond uit verschillende vennootschappen, organisatorisch gestructureerd onder [A] B.V. (hierna: ‘[A]’), waarin [X] sinds 1981 100% van de aandelen hield.2. [A] was daarmee te zien als een werkmaatschappij.3.
1.1.2
Op 1 maart 1982 is [B] (hierna: ‘[B]’) in dienst getreden als staffunctionaris van de Energie Divisie bij [A].4. Hiertoe had hij op 15 januari 1982 een arbeidsovereenkomst ondertekend met [X].5. Feitelijk trad [B] in dienst bij [A].6.
1.1.3
Het was aanvankelijk concernbeleid dat alle werknemers die in dienst traden bij een groepsvennootschap, een schriftelijke arbeidsovereenkomst met [X] ondertekenden en in de loonadministratie van [X] werden opgenomen.7. De salariskosten werden vervolgens door [X] volledig doorbelast aan de groepsvennootschap ten behoeve waarvan de werkzaamheden feitelijk werden verricht en bij wie de werknemer feitelijk in dienst was (in het geval van [B] was dit [A]).8.
1.1.4
[A] had oorspronkelijk dan ook geen eigen loonadministratie. Vanwege het hierboven genoemde concernbeleid fungeerde [X] in feite als een personeelsvennootschap zoals die veelvuldig binnen concerns wordt gebruikt.9. De doorbelasting van minstens 70% van [B]'s salaris aan [A]10. werd bovendien altijd goed onderbouwd door [X], mede met het oog op de verschuldigdheid van het Staatswinstaandeel door [A].11.
1.2. Bestuursfuncties
1.2.1
[B] heeft binnen het concern ook verschillende bestuursfuncties bekleed. Zo begon zijn eerste bestuursfunctie bij een dochtervennootschap van [A] op 15 april 1988. Vanaf 1 juli 1994 is [B] — als CEO van [A] — toegetreden tot het bestuur van [A] als enig statutair bestuurder.12.
1.2.2
Naast zijn bestuursfunctie(s) bij [A], is [B] vanaf 1 maart 1999 toegetreden tot het bestuur van [X].13. [B] hield echter ook de dagelijkse leiding van [A] en hij bleef daar dan ook bestuurder.14. De toetreding van [B] tot het bestuur van [X] bracht dan ook weinig verandering in zijn feitelijke werkzaamheden.
1.3. Verkoop van de aandelen in [A]
1.3.1
Bij brief van 11 december 2008 zijn de bestuurders van [X] op de hoogte gebracht van het besluit van [C], de Franse aandeelhouder van [X], om de door [X] gehouden aandelen in [A] te verkopen.15. Eén van de voorwaarden voor de verkoop van de aandelen was dat [B] niet als onderdeel van het bestuur van [X] werd beschouwd; dit ter voorkoming van belangenconflicten.16. [B] heeft dan ook vanaf deze datum geen directiewerkzaamheden meer verricht voor [X].17.
1.3.2
Gelet op het voorgaande, is het salaris van [B] per 1 januari 2009 weer volledig doorbelast aan [A] (gelijk aan de periode voorafgaand aan zijn toetreding tot de directie van [X]). Uiteindelijk is [B] per 1 juni 2009 — na afronding van de verkoop van de aandelen — ook overgegaan naar de loonadministratie van [A].18. Overigens werd het salaris dat [B] verdiende (vanaf 1 januari 2009) voor 100% doorbelast aan [A], aangezien hij na die tijd geen werkzaamheden meer verrichte voor [X].
1.3.3
Met het oog op de continuïteit van [A], was het verder van belang dat [B] zijn werkzaamheden bij [A] na de verkoop van de aandelen zou blijven voortzetten. Dit is ook de reden waarom [B] en [A] op 12 mei 2009 opnieuw [B]'s werkzaamheden hebben vastgelegd in de vorm van een arbeidsovereenkomst.19. Voor beide partijen was het duidelijk dat dit geen verandering bracht in de werkzaamheden van [B]20.; het betrof slechts een voortzetting van zijn reeds bestaande dienstbetrekking bij [A].
1.3.4
Uiteindelijk heeft [B] na de verkoop van de aandelen zijn dienstbetrekking met [A] beëindigd per 1 juli 2009.21. In het kader van deze beëindiging heeft [B] ook een ontslagvergoeding van circa EUR 2.500.000 ontvangen van [A]. Bij de hoogte van deze vergoeding is het gehele arbeidsverleden van [B] vanaf 1982 meegenomen.
2. Procesverloop en de uitspraak van het hof
2.1.1
Op 28 november 2014 heeft de inspecteur van de Belastingdienst / kantoor P (hierna: de ‘Inspecteur’) een naheffingsaanslag aan [X] opgelegd in verband met de vermeende beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen [X] en [B]. Deze naheffingsaanslag heeft betrekking op de pseudo-eindheffing over een excessieve vertrekvergoeding, als bedoeld in artikel 32bb Wet LB.
2.1.2
[X] heeft op 7 januari 2015 bezwaar aangetekend tegen deze naheffingsaanslag. In zijn beslissing op bezwaar van 20 augustus 2015 heeft de Inspecteur de bezwaren van [X] ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag loonheffingen gehandhaafd.
2.1.3
Op 29 september 2015 heeft [X] vervolgens beroep ingesteld tegen deze beslissing van de Inspecteur bij de Rechtbank Noord-Holland (hierna: de ‘Rechtbank’). De Rechtbank heeft op 18 mei 2018 geoordeeld dat de naheffingsaanslag loonheffingen terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd aan [X].
2.1.4
[X] heeft tegen deze uitspraak van de Rechtbank beroep aangetekend bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
2.1.5
Dit cassatieberoep richt zich tegen de volgende oordelen in de Uitspraak:
- a.
[B] stond vanaf 1 maart 1982 (slechts) in dienstbetrekking tot [X] en niet tot [A] (r.o. 5.2);
- b.
De dienstbetrekking tussen [B] en [X] is niet eerder dan op 12 mei 2009 beëindigd (r.o. 5.3);
- c.
De pseudo-eindheffing uit artikel 32bb Wet LB is niet strijdig met verdragsrechtelijke bepalingen (r.o. 5.5).
Daarnaast is het Hof niet ingegaan op een aantal door [X] in hoger beroep ingenomen essentiële stellingen tegen het oordeel van de Rechtbank, althans heeft het Hof haar oordeel over deze stelling niet of onvoldoende gemotiveerd.
3. Cassatiemiddelen
3.1. Middel 1
Schending van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (de ‘Awb’) en de algemene beginselen van behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in r.o. 5.1 tot en met 5.5 de overwegingen van de Rechtbank overneemt zonder te responderen op de door [X] in hoger beroep ingenomen gemotiveerde essentiële stellingen die tegen die overwegingen zijn gericht en zonder inzichtelijk te maken op welke gronden deze essentiële stellingen worden afgewezen.22. Dit cassatiemiddel omvat de volgende onderdelen:
- 1.
Essentiële stellingen die zijn ingenomen door [X] en waarover het Hof geen oordeel heeft gegeven; en
- 2.
Essentiële stellingen die zijn ingenomen door [X] en waarover het Hof wel een oordeel heeft gegeven, maar waarbij het oordeel niet of onvoldoende gemotiveerd is door het Hof.
3.2. Toelichting bij Middel 1
3.2.1
De kern van het middel komt erop neer dat [X] bij het Hof concrete stellingen tegen de overwegingen en het oordeel van de Rechtbank heeft aangevoerd. Het Hof heeft met betrekking tot een aantal punten ten onrechte de overwegingen van de Rechtbank overgenomen, zonder (nader) in te gaan op deze essentiële stellingen van [X] die tot een andere beslissing dan die in eerste aanleg kunnen leiden. Sterker nog, het Hof neemt de overwegingen van de Rechtbank over en oordeelt zonder op de tegen die overwegingen gerichte stellingen in te gaan dat de Rechtbank op goede gronden heeft beslist dat het beroep ongegrond is. Deze stellingen worden besproken in onderdeel 1.
3.2.2
Bovendien heeft het Hof nagelaten (voldoende) te motiveren waarom deze stellingen niet tot een ander oordeel dan het oordeel van de Rechtbank leiden. Deze stellingen worden besproken in onderdeel 2. Beide gebreken hebben tot gevolg dat de Uitspraak van het Hof vanwege motiveringsgebreken niet in stand kan blijven.
Onderdeel 1: stellingen waarover het Hof niet heeft geoordeeld
3.2.3
[X] heeft in hoger beroep meerdere stellingen ingenomen die zijn gericht tegen de diverse overwegingen van de Rechtbank in de rechtsoverwegingen 27 tot en met 50. Het betreft de volgende stellingen:
Primair
- 1.
Of een dienstbetrekking bestaat tussen partijen dient beoordeeld te worden aan de hand van de criteria voor een arbeidsovereenkomst uit artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek (‘BW’):
- a.
[B] heeft een verplichting om persoonlijk arbeid te verrichten voor [A].23. Dit is ook niet in geschil tussen partijen (deze stelling wordt inhoudelijk verder besproken in onderdeel g)
- b.
[B] staat in gezagsverhouding tot [A] en niet tot [X];24. (deze stelling wordt inhoudelijk verder besproken in onderdelen 3.4.10 tot en met 3.4.13)
- c.
Aan de loonbetalingsverplichting is ook voldaan: het maakt niet uit dat [X] feitelijk betaalt25. (deze stelling wordt inhoudelijk verder besproken in onderdelen 3.4.15 tot en met 3.4.18)
- 2.
Bij de toetsing van de voorwaarden van artikel 7:610 BW geldt volgens [X] een materiële benadering: er moet naar de feitelijke uitvoering van de overeenkomst worden gekeken.26. In het geval van [B] brengt dit mee dat hij feitelijk in dienstbetrekking was bij [A] en niet bij [X]; (deze stelling wordt inhoudelijk verder besproken in onderdelen 3.4.5 en 3.4.20)
- 3.
Het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst door één partij ([X]) kan niet doorslaggevend zijn voor het antwoord op de vraag of sprake is van een dienstbetrekking.27. Uit het enkele feit dat [B] werd betaald door [X] kan dan ook niet de conclusie worden getrokken dat (louter) een arbeidsrelatie bestond tussen [X] en [B];28. 29 (deze stelling wordt inhoudelijk verder besproken in onderdeel 3.4.6)
- 4.
Artikel 7:610 BW bevat ook geen schriftelijkheidseis voor aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst. Het feit dat er geen op schrift gestelde overeenkomst is tussen [B] en [A], belet dus niet dat er een arbeidsverhouding bestond;29.30. (deze stelling wordt inhoudelijk verder besproken in onderdeel 3.4.9)
- 5.
[A] moet worden aangemerkt als werkgever van [B] en Is derhalve ook inhoudingsplichtige in de zin van de Wet LB voor het salaris van [B]. Het feit dat [X] en niet [A] loonbelasting over het salaris van [B] heeft ingehouden en afgedragen doet daaraan blijkens jurisprudentie van Uw Raad niet af;31. (deze stelling wordt inhoudelijk verder besproken in onderdelen 3.4.4 en 3.4.5)
Subsidiair
- 6.
Indien een dienstbetrekking bestond tussen [B] en [X], dan bestond er ook een dienstbetrekking tussen [B] en [A] vanaf 1 maart 1982. Nu beide arbeidsverhoudingen voldoen aan de voorwaarden van artikel 7:610 BW, is er sprake van twee dienstbetrekkingen;32. (deze stelling wordt inhoudelijk verder besproken in onderdelen 3.4.22 en 3.4.25)
- 7.
Aangezien [B] in dienstbetrekking stond tot zowel [X] als [A], moet het fiscale loon van [B] in 2007 worden gesplitst naar rato van de doorbelasting van het salaris door [X] aan [A]. Er wordt dan niet toegekomen aan toepassing van artikel 32bb Wet LB.33. (deze stelling wordt inhoudelijk verder besproken in onderdelen 3.4.26, 3.4.27 en 3.6.12).
Onderdeel 2: stellingen waarbij het oordeel van het Hof niet of onvoldoende is gemotiveerd
3.2.4
Daarnaast heeft het Hof in de Uitspraak zijn oordeel over andere essentiële stellingen die [X] heeft aangevoerd tegen het oordeel van de Rechtbank en die kunnen leiden tot een andere beslissing dan in eerste aanleg, niet althans onvoldoende gemotiveerd. Het betreft de volgende stellingen:
- 1.
De Rechtbank is ten onrechte voorbij gegaan aan de verklaring van [B],34. waaruit de feitelijke invulling van de overeenkomst, de intentie van partijen bij de overeenkomst en de feitelijke gang van zaken omtrent de beëindiging van de dienstbetrekking duidelijk blijken;35. (deze stelling wordt inhoudelijk verder besproken in onderdelen 3.6.1, 3.6.2 en 3.6.9)
- 2.
Per 11 december 2008 heeft [B] zijn werkzaamheden bij [X] neergelegd, waardoor de dienstbetrekking tussen [B] en [X] (als die er al was) per die datum is beëindigd. Er is dan geen grond voor toepassing van artikel 32bb Wet LB, aangezien de dienstbetrekking is geëindigd vóór inwerkingtreding van het wetsartikel;36. (deze stelling wordt inhoudelijk verder besproken in onderdelen 3.6.6 tot en met 3.6.10)
Conclusie
[X] stelt dat de hiervoor besproken motiveringsgebreken tot vernietiging van de Uitspraak van het Hof moeten leiden en verzoekt Uw Raad de zaak naar een ander Hof te verwijzen voor een nieuwe inhoudelijke behandeling.
3.3. Middel 2
Schending althans onjuiste toepassing van het recht, waaronder artikel 2 Wet LB en artikel 7:610 BW, en/of schending van artikel 8:77 Awb althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in r.o. 5.1 en 5.2 zonder enige motivering slechts verwijst naar het oordeel van de Rechtbank voor de vraag wanneer een persoon in dienstbetrekking staat tot een inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6 Wet LB en daarmee miskent hoe dit toetsingskader moet worden toegepast.
3.4. Toelichting bij Middel 2
3.4.1
In r.o. 5.2 heeft het Hof overwogen:
‘Met de rechtbank (zie rechtsoverweging 29) is het Hof van oordeel dat [B] in dienstbetrekking tot belanghebbende stond (en niet in dienstbetrekking tot [A] BV). Hetgeen daartoe door de rechtbank is overwogen in rechtsoverweging 29 maakt het Hof tot het zijne.’
3.4.2
Het Hof haalt in deze overweging r.o. 29 van de uitspraak van de Rechtbank aan, waarin het volgende wordt overwogen:
‘Uit de tot de gedingstukken behorende schriftelijke arbeidsovereenkomst (zie onder 3) die is ondertekend door [B] en eiseres en de daarop door eiseres gegeven toelichting volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [B] in dienstbetrekking stond tot eiseres en niet tot [A] BV. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is namelijk opgenomen dat [B] in dienst zal treden bij eiseres en in dat verband de functie van bedrijfskundige verbonden aan de Energie Divisie, vallende onder [A] B V, zal bekleden. Dat de heer [B] bij [A] BV te werk werd gesteld door eiseres betreft dus slechts de wijze waarop de heer [B] zijn werkzaamheden voor eiseres is gaan vervullen. Niet gezegd kan daarom worden dat is beoogd een arbeidsovereenkomst te sluiten tussen [A] BV en [B].’
3.4.3
Tegen bovenstaande overweging van de Rechtbank heeft [X] in hoger beroep het volgende gesteld en toegelicht.
3.4.4
Voor de vraag of sprake is van een dienstbetrekking en inhoudingsplichtige in de zin van de Wet LB, is op grond van vaste jurisprudentie maatgevend of sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. De drie vereisten hiervoor zijn: (i) een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, (ii) een gezagsverhouding en (iii) een verplichting tot het betalen van loon. Bij het toetsen aan deze criteria moet volgens Uw Raad acht worden geslagen op alle relevante feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.37.
3.4.5
Bij de toepassing van het toetsingskader voor een dienstbetrekking geldt een materiële benadering.38. Het gaat erom tot wie op basis van de feiten en omstandigheden de essentialia van een dienstbetrekking worden vervuld. De formele omstandigheden, zoals met wie schriftelijk een arbeidsovereenkomst is aangegaan, zijn wat dat betreft niet bepalend en ook niet doorslaggevend.39. Dit blijkt ook uit het arrest van Uw Raad van 6 december 2002 (ook wel bekend als het Coffeeshop arrest).40. Ondanks het feit dat in die zaak civielrechtelijk geen sprake was van een dienstbetrekking, was er volgens Uw Raad ‘fiscaal’ wel sprake van een dienstbetrekking en een inhoudingsplichtige.
3.4.6
In rechtsoverweging 29 van de uitspraak van de Rechtbank — waarnaar het Hof in r.o. 5.2 verwijst — wordt het bestaan van een dienstbetrekking zeer formeel getoetst. De rechtbank hecht bij haar oordeel dat sprake zou zijn van een dienstbetrekking tussen [X] en [B] namelijk de nodige waarde aan het feit dat de arbeidsovereenkomst van 15 januari 1982 is ondertekend door [B] en [X] (en niet door [A]). Hoewel dit het geval is, was [B] feitelijk in dienstbetrekking bij [A]. Door dit oordeel van het Hof over te nemen zonder in te gaan op de stellingen die [X] in dit kader heeft aangevoerd, miskent het Hof de wijze waarop een dienstbetrekking moet worden getoetst. Er moet gekeken worden naar alle omstandigheden, waaronder de intentie van partijen en de wijze waarop partijen feitelijke uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst. Het ondertekenen door één partij kan dan ook niet doorslaggevend zijn voor de vraag of sprake is van een dienstbetrekking.41.
3.4.7
Bovendien geeft dit oordeel van de Rechtbank en van het Hof blijk van een innerlijke tegenstrijdigheid. Bij de relatie [B]-[X] wordt door de Rechtbank veel belang gehecht aan de verantwoordelijkheden van [B] richting [X] en werkzaamheden die [B] voor [X] heeft verricht in zijn hoedanigheid als bestuurder. Op basis daarvan wordt ook geconcludeerd dat [B] een dienstbetrekking had met [X]. Daarmee lijken de Rechtbank en het Hof voor de vraag of sprake is van een dienstbetrekking veel waarde te hechten aan de bestuurdersfunctie van [B] bij [X].
3.4.8
Voor [A] wordt ditzelfde toetsingskader daarentegen niet gehanteerd, terwijl dat daar net zo goed van toepassing zou moeten zijn. [B] was namelijk ook bestuurder bij [A] en had in dat kader ook verantwoordelijkheden en werkzaamheden die hij moest verrichten. Indien bij de relatie [A]-[B] evenveel belang zou worden gehecht aan de bestuurdersfunctie voor de vraag of sprake is van een dienstbetrekking als bij de relatie [X]-[B], hadden de Rechtbank en het Hof moeten concluderen dat ook in deze relatie een dienstbetrekking bestond. Het Hof had dit oordeel van de Rechtbank dan ook niet zonder motivering mogen overnemen.
3.4.9
Artikel 7:610 BW bevat verder ook geen schriftelijkheidseis voorde aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst. [X] heeft dit in hoger beroep ook aangevoerd en daarbij ook verwezen naar de beleidsregels voor de beoordeling of sprake is van een dienstbetrekking.42. Ook daaruit volgt dat het ondertekenen door één partij en de vorm waarin de arbeidsverhouding is vastgelegd niet doorslaggevend zijn voor de vraag of een dienstbetrekking bestond tussen partijen:
‘de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst, de vorm waarin de arbeidsverhouding is vastgelead alsmede de benaming die aan de arbeidsverhouding is gegeven zijn niet zelfstandig doorslaggevend’43.
(onderstreping […] )
3.4.10
Indien de hierboven genoemde voorwaarden en het toetsingskader voor een arbeidsovereenkomst worden toegepast op de situatie van [B], is het duidelijk dat [B] in dienstbetrekking stond tot [A]. Tussen partijen is niet in geschil dat op [B] de verplichting rustte om persoonlijk arbeid te verrichten.44. Aan die voorwaarde is dan ook voldaan. Voor wat betreft de gezagsverhouding, geldt dat het zwaartepunt van [B]'s werkzaamheden altijd bij [A] lag, hij (tot 1 juli 1994) als werknemer van [A] verantwoording aflegde aan [H] (voormalig CEO van [A]) en ook zijn expertise en focus volledig waren gericht op [A].45.
3.4.11
Per 1 juli 1994 volgde [B] [H] op als CEO van [A] en werd hij in dat kader ook (enig) statutair bestuurder van [A]. Uit vaste jurisprudentie volgt dat in dat geval voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding van doorslaggevende betekenis is het al dan niet bestaan van de mogelijkheid de bestuurder tegen zijn wil te ontslaan.46. Indien een statutair directeur van een besloten vennootschap in de algemene vergadering van aandeelhouders in verband met de eigendomsverhoudingen geen of geen doorslaggevende invloed heeft op een besluit betreffende zijn ontslag, moet in beginsel dan ook worden aangenomen dat de bestuurder werkzaam is in een gezagsverhouding tot de vennootschap.47.
3.4.12
In hoger beroep heeft [X] bovenstaand kader geschetst en ook toegepast op de situatie van [B].48. Aangezien [B] geen aandelen hield in [A] en ook niet op een andere manier zijn eigen ontslag kon bewerkstelligen, had [B] dan ook geen (doorslaggevende) invloed op een eventueel besluit omtrent zijn ontslag. Dit brengt mee dat [B] ook in gezagsverhouding stond tot [A] na 1 juli 1994 (en tot 1 juli 2009).
3.4.13
Dat [B] in de praktijk zijn werkzaamheden in het kader van zijn bestuursfunctie met een grote mate van zelfstandigheid kon verrichten, past bij zijn functies als CEO en enig statutair bestuurder van [A]. Uit jurisprudentie volgt dat dit dan ook geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van [A] om opdrachten en aanwijzingen te geven aan [B], voor zover nodig.49.
3.4.14
Het Hof is volledig aan bovenstaande essentiële stellingen van [X] voorbijgegaan, door niet te responderen op deze stellingen en slechts — zonder verdere motivering — het oordeel van de Rechtbank op dit punt over te nemen.
3.4.15
Tot slot moet voor de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen worden gekeken naar de loonbetalingsverplichting. In r.o. 29 van de uitspraak van de Rechtbank — waarnaar het Hof in r.o. 5.2 verwijst — wordt in dit verband het volgende overwogen:
‘De verplichting van eiseres tot het betalen van loon volgt uit onderdeel a van de arbeidsovereenkomst. Eiseres betaalde ook feitelijk het loon aan [B] en droeg de daarover verschuldigde loonbelasting af. Dat het loon door eiseres werd doorbelast aan [A] BV maakt dit niet anders. Daardoor vervalt immers niet de verplichting van eiseres om loon te betalen. Evenmin rechtvaardigt dit de conclusie dat deze verplichting op [A] BV is komen te rusten.’
3.4.16
[X] heeft in hoger beroep tegen dit oordeel van de Rechtbank onder meer aangevoerd dat volgens de parlementaire geschiedenis het voor het bestaan van een dienstbetrekking niet uitmaakt van wie de werknemer feitelijk het loon krijgt.50. Hetzelfde volgt uit de jurisprudentie.51. Deze zaak betrof een vergelijkbare ‘structuur’ als in het geval van [B]: de werknemer verrichtte feitelijk werkzaamheden voor de moedervennootschap en legde ook verantwoording af aan deze entiteit, terwijl de dochtervennootschap het salaris betaalde onder inhouding en afdracht van de verschuldigde loonheffingen.
3.4.17
Met die structuur was ‘op papier’ een situatie gecreëerd die afwijkt van de feitelijke situatie. Partijen hadden voor deze structuur gekozen puur vanwege pensioentechnische redenen. De kantonrechter en Hof Amsterdam oordeelden dat de loonbetaling niet doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag met welke vennootschap een arbeidsovereenkomst bestond. Het enkele feit dat de dochtervennootschap in dit geval het salaris betaalde, was dan ook onvoldoende voor een dienstbetrekking.
3.4.18
[X] heeft in hoger beroep aangevoerd dat ook in het geval van [B] en [X] geldt dat de feitelijke uitvoering anders lag dan de situatie ‘op papier’: hoewel het salaris werd uitbetaald door [X], werd het salaris van [B] feitelijk gedragen door [A]. [X] belastte namelijk het volledige salaris van [B] door aan [A].52. Het Hof heeft ook op deze essentiële stellingen niet gerespondeerd.
3.4.19
Op basis van het hiervoor besproken toetsingskader heeft [X] aangevoerd dat [A] moet worden aangemerkt als werkgever van [B] en dat [A] derhalve op grond van artikel 6 Wet LB ook als inhoudingsplichtige kwalificeert.53. Het feit dat [X] en niet [A] loonbelasting over het salaris van [B] heeft ingehouden en afgedragen doet daaraan niet af. Uit jurisprudentie van Uw Raad blijkt dat van inhoudingsplicht sprake is indien een persoon ([B]) in dienstbetrekking staat tot iemand ([A]), waaraan niet afdoet dat diegene ([A]) om welke reden dan ook niet als inhoudingsplichtige wordt behandeld of niet als inhoudingsplichtige optreedt.54. Dat [A] dus feitelijk niet is opgetreden als inhoudingsplichtige, doet niet af aan haar status van inhoudingsplichtige.
3.4.20
Het standpunt van de Belastingdienst dat (alleen) [X] de inhoudingsplichtige was omdat een dienstbetrekking bestond met [X], staat overigens ook in schril contrast met wat in internationale verhoudingen wordt erkend. Immers, onder belastingverdragen geeft Uw Raad aan het striktere begrip ‘werkgever’ — althans in vergelijking met het begrip inhoudingsplichtige — in artikel 15, lid 2, onderdeel b, van de op het OESO-Modelverdrag gebaseerde belastingverdragen een materiële invulling55. in welk verband een werkgever, dat wil zeggen een persoon tot wie een dienstbetrekking bestaat, met name gekenmerkt wordt door het uitoefenen van een gezagsverhouding/ instructiebevoegdheid (die ook voorhanden is in de relatie tussen [A] en [B]) en het geïndividualiseerd ten laste nemen van de salariskosten (wat ook het geval is in de verhouding tussen [A] en [B]).
3.4.21
Het Hof is in het geheel niet ingegaan op bovenstaande essentiële stellingen van [X]. Dit terwijl deze stellingen tot een andere beslissing dan die in eerste aanleg kunnen leiden.
3.4.22
Subsidiair heeft [X] zich op het standpunt gesteld dat als al sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen [X] en [B] vanaf 1 maart 1982, er daarnaast ook een dienstbetrekking heeft bestaan tussen [A] en [B] vanaf 1 maart 1982.56. De beoordeling of sprake is van een dienstbetrekking dient immers per arbeidsverhouding te worden gemaakt.57. Bovendien heeft Uw
Raad bevestigd dat sprake kan zijn van twee dienstbetrekkingen.58. Tot slot volgt ook uit de literatuur dat in bepaalde situaties sprake kan zijn van meerdere inhoudingsplichtigen.59.
3.4.23
In r.o. 5.2 overweegt het Hof hier het volgende over:
‘Ook hetgeen de rechtbank onder 32 overweegt, maakt het Hof tot het zijne; naar het oordeel van het Hof heeft er naast de dienstbetrekking tussen belanghebbende en [B] vanaf 1 maart 1982 tot 12 mei 2019 [toevoeging […]: wij nemen aan dat het Hof hier 2009 bedoelt in plaats van 2019] (zie 5.3) geen dienstbetrekking bestaan tussen [A] BV en [B]. ’
3.4.24
Het Hof haalt in deze overweging r.o. 32 van de uitspraak van de Rechtbank aan, waarin het volgende wordt overwogen:
‘De stelling van eiseres dat als sprake is van een dienstbetrekking tussen eiseres en [B] vanaf 1 maart 1982 tot 12 mei 2009 er dan óók een dienstbetrekking heeft bestaan tussen [A] BV en [B], waardoor het fiscale (toets)loon aan beiden moet worden toegerekend en daarmee niet boven het drempelbedrag van artikel 32bb van de Wet LB wordt uitgekomen, kan ook niet slagen. Gelet op hetgeen hiervoor in 31 is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat niet eerder dan op 12 mei 2009 een dienstbetrekking tussen [B] en [A] BV is ontstaan.’
3.4.25
Het Hof heeft niet gemotiveerd waarom het dit oordeel van de Rechtbank heeft overgenomen. Bovendien heeft het Hof nagelaten om in te gaan op de stellingen die [X] in dat kader heeft aangedragen, terwijl deze stellingen tot een andere beslissing dan die van de Rechtbank hadden kunnen leiden. Het Hof had — mede gelet op wat [X] heeft aangedragen in hoger beroep60. — zelfstandig moeten toetsen of naast een dienstbetrekking tussen [X] en [B] ook een dienstbetrekking bestond tussen [A] en [B]. Dit volgt overigens ook expliciet uit de volgende passage uit het hierboven aangehaalde besluit van de Staatssecretaris61.:
‘indien er meer partijen bij een arbeidsverhouding zijn betrokken (tussenkomst, bemiddeling, inlenen, doorlenen, enz.) dient de verhouding van de opdrachtnemer tot elk van die partijen te worden beoordeeld: er kan in principe met elk van die partijen sprake zijn van een dienstbetrekking.’
(onderstreping […])
Doordat het Hof heeft nagelaten de verhouding van [B] tot beide partijen te toetsen en slechts het oordeel van de Rechtbank heeft overgenomen, heeft het Hof het juridische kader voor het toetsen van een dienstbetrekking (zoals hierboven omschreven) miskend.
3.4.26
Door de aanwezigheid van zowel een dienstbetrekking tussen [X] en [B] als een dienstbetrekking tussen [A] en [B], moet in ieder geval een splitsing van het fiscale loon van [B] in het relevante toetsjaar (2007) plaatsvinden naar rato van de doorbelasting van de salariskosten van [B] door [X] aan [A].62. [B] heeft immers vanwege de doorbelasting minstens 70% van zijn salaris genoten van [A] als inhoudingsplichtige. Dit salarisdeel vindt ook zijn oorzaak in de werkzaamheden die [B] heeft verricht voor [A] en in de dienstbetrekking die [B] heeft uitgeoefend bij [A].63. Daarmee is [A] de inhoudingsplichtige voor dit deel, en is [X] slechts voor de resterende 30% van zijn salaris de inhoudingsplichtige. Dit betekent dat het fiscale (toets)loon van [B] in het toetsjaar voor 30% moet worden toegerekend aan [X] en voor 70% aan [A].
3.4.27
Bij deze verhouding moet het toetsloon worden gesplitst tussen [A] en [X] en moet het drempelbedrag afzonderlijk gelden voor beiden. Het drempelbedrag van EUR 508.500 (2009) wordt in dat geval niet overschreden voor [X], waardoor niet wordt toegekomen aan de toepassing van artikel 32bb Wet LB. De naheffing is dan ook ten onrechte. Ook aan deze stellingen van [X] is het Hof zonder enige motivering voorbij gegaan.
Conclusie
3.4.28
Voor de wijze waarop aan het toetsingskader voor een dienstbetrekking in het geval van [B] uitvoering moet worden gegeven, heeft [X] in hoger beroep verschillende essentiële stellingen aangevoerd die tot een andere beslissing dan die in eerste aanleg kunnen leiden. Het Hof heeft geen aandacht besteed aan deze stellingen althans deze stellingen niet of onvoldoende gemotiveerd. Door niet in te gaan op deze stellingen en de overwegingen van de Rechtbank op dit punt zelfs in r.o. 5.2 volledig over te nemen zonder enige motivering althans zonder voldoende motivering, miskent het Hof de juridische maatstaf voor het toetsen van een dienstbetrekking.
3.5. Middel 3
Schending althans onjuiste toepassing van het recht, waaronder artikel 2 Wet LB, artikel 32bb Wet LB en artikel 7:610 BW en/of schending van artikel 8:77 Awb althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof zonder motivering, althans zonder voldoende motivering, het oordeel van de Rechtbank overneemt. Hiermee miskent het Hof het toetsingskader voor de beëindiging als bedoeld in artikel 32bb Wet LB, doordat het — net als de Rechtbank — dit begrip te formeel toetst.
3.6. Toelichting bij Middel 3
3.6.1
In r.o. 5.3 oordeelt het Hof het volgende:
‘Volgens het Hof is niet eerder dan op 12 mei 2009 de dienstbetrekking tussen [B] en belanghebbende beëindigd. Hetgeen de rechtbank hiertoe heeft overwogen in rechtsoverweging 31 maakt het Hof tot het zijne. De in de verklaring van [B] (zie 2.4) gegeven toelichting (dat, kortgezegd en zoals het Hof het begrijpt, de beëindiging van de dienstbetrekking eerder was, maar dat de formele vastlegging pas later, direct na de aandelenverkoop, plaatsvond) volgt het Hof niet. Op grond van de door de rechtbank in aanmerking genomen samenhangende omstandigheden (welke bevestiging vinden in de gedingstukken) is de conclusie gerechtvaardigd dat de dienstbetrekking tussen [B] en belanghebbende niet eerder dan op 12 mei 2009 is beëindigd.’
3.6.2
Het Hof haalt in deze overweging r.o. 31 van de uitspraak van de Rechtbank aan, waarin het volgende wordt overwogen:
‘De rechtbank is van oordeel dat de dienstbetrekking tussen eiseres en [B] is geëindigd op 12 mei 2009. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Op 12 mei 2009 heeft [B] een schriftelijke arbeidsovereenkomst met [A] BV getekend waarin onder meer de bestaande dienstbetrekking met eiseres wordt beschreven. In 2.1 onder Clause 2 van de overeenkomst (zie onder 13) is opgenomen dat de overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en begint wanneer de verkoop en overdracht van de aandelen die eiseres houdt in [A] BV is voltooid. ’
‘De stelling van eiseres dat [B] zijn directiefunctie bij eiseres in feite al met de brief van 11 december 2008 heeft beëindigd faalt. In de brief (zie onder 11) is opgenomen dat [B], om belangenverstrengeling te voorkomen, vanaf dat moment niet wordt beschouwd als onderdeel van het bestuur van eiseres met betrekking tot het verkoopproces. Uit dit vanuit zijn bestuursfunctie bij eiseres niet betrokken zijn van [B] bij het verkoopproces volgt naar het oordeel van de Rechtbank niet dat reeds daarmee de dienstbetrekking tussen eiseres en [B] is beëindigd. Uit de letter of resignation van 12 mei 2009 valt juist af te leiden dat dit ook uitdrukkelijk niet was beoogd. ’
3.6.3
[X] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [B] (slechts) een dienstbetrekking had met [A], zodat een eventuele pseudo-eindheffing voor rekening van [A] zou moeten komen.64.
3.6.4
Voor zover al sprake zou zijn geweest van een dienstbetrekking tussen [B] en [X], heeft [X] zich subsidiair op het standpunt gesteld dat zij niet geëindigd is vanwege een overgang binnen concern (van [X] naar [A]) per 11 december 2008. In de parlementaire behandeling van artikel 32bb Wet LB is in dat kader het volgende opgemerkt:
‘De leden van de VVD-fractie vragen hoe de maatregel voor excessieve vertrekvergoedingen uitwerkt bij overgang van een werknemer binnen het concern. Het antwoord op deze vraag hangt af van de wijze waarop deze overgang is vormgegeven. De werkgeversheffing komt eerst aan de orde ingeval er sprake is van een beëindiging van de dienstbetrekking. Bij verplaatsing binnen het concern zonder beëindiging van de bestaande dienstbetrekking is de maatregel derhalve niet van toepassing,’65.
3.6.5
Omdat [A] en [B] de overeenkomst zijn aangegaan vóór de verkoop van de aandelen in [A] en [A] daardoor nog onderdeel van het concern was, is sprake geweest van een overgang binnen concern zonder beëindiging van de dienstbetrekking. De Letter of Resignation van [B] van 12 mei 2009 heeft dan ook niet meegebracht dat de dienstbetrekking tussen [X] en [B] is beëindigd, nu reeds daarvoor de overeenkomst tussen [A] en [B] was gesloten.
3.6.6
Tot slot heeft [X] zich op het standpunt gesteld dat voor zover er sprake was van een dienstbetrekking met [X], zij al vóór de inwerkingtreding van artikel 32bb Wet LB is geëindigd. In hoger beroep heeft [X] in dat kader tegen bovenstaand oordeel uit r.o. 31 van de Rechtbank ingebracht dat de Rechtbank ten onrechte slechts is uitgegaan van het daadwerkelijke moment van verkoop van de aandelen en de datum van ondertekening van de voortgezette arbeidsovereenkomst met [A], terwijl dit niet de relevante momenten voor de beëindiging van de dienstbetrekking tussen [X] en [B] zijn.66. [B] had zijn werkzaamheden voor [X] al ver voor die tijd neergelegd, namelijk per 11 december 2008, zodat vanaf dat moment reeds niet langer werd voldaan aan alle voorwaarden voor een dienstbetrekking.
3.6.7
Dat [B] pas per 1 juni 2009 officieel is overgegaan naar de loonadministratie van [A] doet aan het voorgaande niet af. [X] betaalde namelijk het salaris slechts vanwege administratieve redenen en concernbeleid. Dit salaris was echter een beloning voor de werkzaamheden die [B] verrichtte voor [A]. Dat laatste blijkt ook uit het feit dat [X] 100% van het salaris van [B] doorbelastte na 1 januari 2009.
3.6.8
De door het Hof aangehaalde overweging van de Rechtbank geeft blijk van een formele benadering: er wordt niet aangesloten bij de feitelijke situatie (namelijk dat [B] vanaf 11 december 2008 geen werkzaamheden meer heeft verricht), maar bij wat er in de brief is opgenomen. De Letter of Resignation van [B] van 12 mei 2009 was niet meer dan een formele bevestiging van het feit dat hij niet langer directeur van [X] was, wat al per 11 december 2008 was ingegaan. [X] heeft dit ook aangevoerd in hoger beroep,67. maar het Hof is niet ingegaan op deze stelling.
3.6.9
Bovendien licht het Hof niet toe waarom het de verklaring van [B] niet kan volgen.68. Uit deze verklaring blijkt duidelijk dat [B] vanaf december 2008 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor [X] (en alleen nog maar werkzaamheden verrichtte voor [A]) en dat dit later, op 12 mei 2009, officieel is vastgelegd.69. Daarmee vond volgens [B] slechts een contractuele update plaats van die situatie zoals die op dat moment was. Het enkele oordeel van het Hof dat de verklaring op dit punt niet te volgen is, is zonder verdere toelichting dan ook onbegrijpelijk. Zeker ook gezien het feit dat niet weersproken is dat [B] vanaf 11 december 2008 alleen nog maar werkzaamheden verrichtte voor [A] (en niet voor [X]) en dat vanaf dat moment ook 100% van het salaris werd doorbelast aan [A].
3.6.10
Op grond van het bovenstaande, moet worden geconcludeerd dat de dienstbetrekking tussen [X] en [B] is geëindigd op 11 december 2008. Er is dan geen grond voor toepassing van artikel 32bb Wet LB, aangezien de dienstbetrekking is geëindigd vóór inwerkingtreding van het wetsartikel. Het Hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij het oordeel van de Rechtbank dat de dienstbetrekking op 12 mei 2009 is geëindigd heeft overgenomen.
3.6.11
[X] heeft verder het standpunt ingenomen70. dat indien daadwerkelijk een materiële benadering van de beëindiging van de dienstbetrekking wordt voorgestaan, dan zou moeten worden vastgesteld dat dit heeft plaatsgevonden per 1 juli 2009 en bij [A].71. In verband met deze beëindiging is door [A] ook de in december 2008 overeengekomen ontslagvergoeding ter grootte van € 2.500.000, aan [B] toegekend en uitbetaald (waarin zijn gehele arbeidsverleden is meegewogen).72. Vanuit dat perspectief is de door het Hof geviseerde beëindiging van 12 mei 2009 niet relevant. Immers, [B]'s voornaamste professionele activiteiten zagen altijd op [A] waarbij de brief van 12 mei 2009 veeleer als een herbevestiging en voortzetting van die activiteiten moet worden gezien (en niet als een beëindiging van een dienstbetrekking bij [X]). De echte en materiële dienstbetrekking — zoals die vanaf de toetreding van [B] tot het concern in 1982 heeft bestaan — is dan beëindigd bij [A], zodat eventuele naheffing ook had moeten plaatsvinden bij [A]. Dit laatste komt ook overeen met de verklaring en belevingswereld van [B] en het is ook de perceptie van [X] en [A] (wat weer volgt uit de door haar betaalde en toegekende ontslagvergoeding).73.
3.6.12
Voor zover de dienstbetrekking van [B] wel geëindigd zou zijn per 12 mei 2009, geldt dat een splitsing van het fiscale loon van [B] in 2007 dient plaats te vinden naar rato van de doorbelasting van de salariskosten van [B] door [X] aan [A] in dat jaar.74. Op grond van deze splitsing kan slechts 30% van het toetsloon worden toegerekend aan [X], aangezien [B]'s salaris voor minstens 70% werd gedragen door [A] (door middel van doorbelasting). Het drempelbedrag van EUR 508.500 (2009) wordt in dat geval niet overschreden, waardoor niet wordt toegekomen aan de toepassing van artikel 32bb Wet LB. Ook aan deze stellingen van [X] is het Hof zonder enige motivering voorbij gegaan.
3.7. Middel 4
Schending althans onjuiste toepassing van het recht, waaronder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (‘EVRM’), het daarbij behorende Eerste Protocol en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (‘IVBPR’) en/of schending van artikel 8:77 Awb althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben.
3.8. Toelichting bij Middel 4
3.8.1
[X] realiseert zich dat Uw Raad zich bij verschillende gelegenheden heeft uitgelaten over de relatie tussen met name artikel 32bb Wet LB en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.75. Desalniettemin heeft Uw Raad — althans voor zover [X] heeft kunnen nagaan — zich over een aantal aspecten van de verhouding tussen het EVRM en IVBPR enerzijds en artikel 32bb Wet LB anderzijds nog niet expliciet uitgesproken.
3.8.2
In dit verband is [X] dan ook van mening dat het Hof in zijn uitspraak in r.o. 37 t/m 41 uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 32bb Wet LB geen punitief karakter heeft en geen criminal charge inhoudt. Wat betreft het punitieve karakter en de schending van artikel 6 en 7 EVRM verwijst het Hof enkel naar de uitlatingen van de Staatssecretaris van Financiën tijdens de parlementaire behandeling bij artikel 32bb LB waarin hij aangeeft waarom geen sprake zou zijn van een punitief karakter. Hierbij wordt ten onrechte voorbijgegaan aan het andersluidende oordeel van de Raad van State die terecht tot de gevolgtrekking komt dat wel sprake is van een punitief karakter.76. Dat laatste blijkt ook uit een nadere analyse van de parlementaire behandeling zoals [X] die eerder uiteen heeft gezet en waar Hof en Rechtbank ten onrechte aan voorbij gaan.77. Het punitieve karakter klemt in de situatie van [B] te meer daar artikel 32bb Wet LB in zijn situatie materieel terugwerkende kracht heeft; immers, een geringe overschrijding van het drempelbedrag door het toetsloon in 2007 heeft tot gevolg dat artikel 32bb in 2009 van toepassing wordt, wat ook het eerste jaar is dat de regeling effectief van kracht was.
3.8.3
Een onjuiste rechtsopvatting hanteert het Hof evenzeer in r.o. 42 tot en met 45 van de Uitspraak door het oordeel dat geen sprake is van een schending van de non-discriminatieverboden zoals neergelegd in artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Met name het drempelbedrag (in 2009: EUR 508.500) is niet in overeenstemming met de non-discriminatiebepalingen van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Deze non-discriminatiebepalingen vereisen een objectieve rechtvaardiging voor het feit dat de pseudo-eindheffing slechts van toepassing is als het toetsloon een drempelbedrag overschrijdt. Naar de mening van [X] ontbreekt deze objectieve rechtvaardiging: het drempelbedrag is niet ontbloot van willekeur.78. Het Hof verwijst in zijn uitspraak weliswaar naar jurisprudentie van Uw Raad en de parlementaire toelichting maar daar doet niet aan af dat artikel 32bb Wet LB willekeurig is en een objectieve rechtvaardiging ontbreekt. Dit klemt te meer vanwege de materiële terugwerkende kracht die artikel 32bb Wet LB in de situatie van [B] heeft.
4. Conclusie
4.1.1
Uit het vorenstaande volgt dat de Uitspraak van het Hof onjuist, en/of niet althans ontoereikend gemotiveerd is. Derhalve geeft [X] Uw Raad in overweging de Uitspraak te vernietigen, althans zodanige voorzieningen te treffen als Uw Raad juist zal achten, met veroordeling van de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 01‑05‑2020
Uitspraak van het Hof, onderdeel 2.1, sub. 2.
Besproken in randnummer 1 van de gronden van hoger beroep van 21 augustus 2018 (de ‘Gronden van Hoger Beroep’).
november 2015.
Uitspraak van het Hof, onderdeel 2.1, sub. 3.
Zie onder meer onderdelen 5 en 6 van het Aanvullend Beroepschrift van [X] van 4 november 2015 en onderdeel 4 van de Gronden van Hoger Beroep.
Dit is door [X] aangedragen in het Aanvullend Bezwaarschrift van 5 februari 2015 (randnummer 9), het Aanvullend Beroepschrift van 4 november 2015 (randnummer 5 e.v.), de Gronden van Hoger Beroep van 21 augustus 2018 (randnummers 12 tot en met 14 en 63) en is tijdens de procedure verder ook niet weersproken.
Uitspraak van het Hof, onderdeel 2.1, sub. 4.
Zie ook randnummer 16 van de pleitnota voor het Hof.
Aanvankelijk was de doorbelasting 100%, d.w.z. tot het moment dat [B] bestuurder van [X] werd (zie randnummer 1.2.2 van dit aanvullende cassatieberoepschrift). Daarna was zij minimaal 70% en vanaf 1 januari 2009 was zij weer 100% (zie randnummer 1.3.2 van dit aanvullende cassatieberoepschrift).
Besproken in randnummer 14 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummer 6 van het Aanvullend Beroepschrift van 4 november 2015.
Uitspraak van het Hof, onderdeel 2.1, sub. 5 en 6; zie ook onderdeel 2.3; zie ook randnummer 15 van de Gronden van Hoger Beroep.
Uitspraak van het Hof, onderdeel 2.1, sub. 7.
Uitspraak van het Hof, onderdeel 2.1, sub.7 en brief van 26 februari 1999 van [X] aan [B] zoals opgenomen in Bijlage 7 van het Aanvullend Beroepschrift van [X] van 4 november 2015.
Uitspraak van het Hof, onderdeel 2.1, sub. 11.
Zie pagina 4 van Bijlage 10 bij het Aanvullend Beroepschrift van 4 november 2015.
Uitspraak van het Hof, onderdeel 2.1, sub. 11.
Uitspraak van het Hof, onderdeel 2.1, sub. 12.
Bijlage 11 bij het Aanvullend Beroepschrift van 4 november 2015 (zie ook randnummers 16 tot en met 21) en verder besproken in randnummers 61 tot en met 64 van de Gronden van Hoger Beroep van 21 augustus 2018.
Zie rechtsoverweging 16 van de uitspraak van de Rechtbank van 18 mei 2016.
Uitspraak van het Hof, onderdeel 2.1, sub. 16.
Zoals onder meer bevestigd in HR 24 mei 2009, nr. 18/02897, V-N 2019/26.22.
Randnummer 35 van de Gronden van Hoger Beroep.
Randnummers 36 tot en met 41 van de Gronden van Hoger Beroep.
Randnummers 42 tot en met 49 van de Gronden van Hoger Beroep.
Deze materiële benadering vloeit voort uit onder meer: HR 25 maart 2011, nr. 10/02146, BNB 2011/205(Gouden Kooi)’, Gerechtshof Amsterdam 26 juni 2014, nr. 200.131.633-01, JAR 2013/110; HR 6 december 2002, nr. 36’905, BNB 2003/67 (Coffeeshop) en uit arresten van Uw Raad inzake de invulling van het begrip ‘werkgever’ in artikel 15, lid 2, onderdeel b, van op het OESO-Modelverdrag gebaseerde belastingverdragen (onder meer HR 1 december 2006, nr. 38 850, BNB 2007/75 en HR 1 december 2006, nr. 38 950, BNB 2007/76 betreffende het voormalige belastingverdrag met Denemarken uit 1957; HR 1 december 2006, nr. 39 535, BNB 2007/77 inzake het vroegere belastingverdrag met België uit 1970; HR 1 december 2006, nr. 39 710, BNB 2007/78, HR 1 december 2006, nr. 39 711, V-N 2006/65.9 en HR 1 december 2006, nr. 40 088, BNB 2007/79 inzake het vroegere belastingverdrag met Duitsland uit 1959). Deze stellingen zijn aan bod gekomen in randnummers 6 en 15 tot en met 17 van de pleitnota voor het Hof en randnummer 30 van de Gronden van Hoger Beroep.
Zie onder meer HR 17 februari 2012, nr. 11/00371, S/VB 2012/129 (B-Notarissen) waarin Uw Raad oordeelde dat één enkel kenmerk niet beslissend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een dienstbetrekking.
Besproken in randnummer 42–49 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummer 10–13 van de pleitnota.
Besproken in randnummer 55 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummer 18 van de pleitnota.
Besproken in randnummer 5 van de pleitnota en randnummers 28 en 29 van de Gronden van Hoger Beroep.
Besproken in randnummers 14 en 17 van de pleitnota en randnummer 50 van de Gronden van Hoger Beroep.
Besproken in randnummers 52 tot en met 54 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummer 18 van de pleitnota.
Besproken in randnummer 56 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummers 23 en 24 van de pleitnota.
Zie Bijlage 16 van het Aanvullend Beroepschrift van [X] van 4 november 2015.
Besproken in randnummer 32 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummer 8–9 van de pleitnota.
Besproken in randnummers 61 tot en met 64 en 67 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummer 26 van de pleitnota voor het Hof.
Volgens onder meer HR 25 maart 2011, nr. 10/02146, SA/S 2011/205 (Gouden Kooi).
Besproken in randnummers 28 tot en met 32 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummers 6, 9 tot en met 12 en 16 van de pleitnota voor het Hof.
Zie onder meer HR 17 februari 2012, nr. 11/00371, SA/B 2012/129 (B-Notarissen), waarin Uw Raad oordeelde dat één enkel kenmerk niet beslissend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een dienstbetrekking.
HR 6 december 2002, nr. 36 905, BNB 2003/67.
Zie onder meer Gerechtshof Amsterdam 26 juni 2014, nr. 200.131.633-01, JAR 2014/238 (deze uitspraak wordt verder besproken in onderdelen 3.4.16 tot en met 3.4.19). In randnummers 45 tot en met 49 van de Gronden van Hoger Beroep en in randnummers 10 tot en met 13 is [X] ook uitgebreid ingegaan op de uitwerking van deze jurisprudentie in het geval van [B].
Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2006, BNB 2006/287.
Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2006, BNB 2006/287.
Besproken in randnummer 35 van de Gronden van Hoger Beroep.
Besproken in randnummers 36 en 37 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummer 7 van de pleitnota voor het Hof.
Volgens onder meer CRvB 22 januari 2004, nr. 12–4353WW; CRvB 12 mei 2005, nr. 03/5537 ALGEM en HR 22 maart 2013, BNB 2013/143.
Volgens onder meer CRvB 4 december 2008, nr. 08/1479 CSV.
Randnummers 38 tot en met 41 van de Gronden van Hoger Beroep.
Volgens CRvB 4 december 2008, nr. 08/1479 CSV; zie ook randnummer 40 van de Gronden van Hoger Beroep.
Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 14 april 2016, Aanhangsel bij Handelingen II 2015/16, nr. 2290, p. 3 (vraag 8), V-N 2016/23.20. Deze brief is verder besproken in randnummers 43 en 44 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummer 10 e.v. van de pleitnota voor het Hof.
Gerechtshof Amsterdam 26 juni 2014, nr. 200.131.633-01, JAR 2014/238.
van de Gronden van Hoger Beroep.
Besproken in randnummer 50 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummers 20 tot en met 22 van de pleitnota voor het Hof.
HR 20 juni 2008, nr. 44 076, BNB 2008/231. Deze zaak betrof een in Nederland w[A]nde werknemer die in dienstbetrekking stond tot een Belgische werkgever, die hem een auto ter beschikking stelde die ook voor privédoeleinden werd gebruikt. Uw Raad overwoog dat hoewel de Belgische werkgever als buitenlandse werkgever is vrijgesteld van de inhoudingsplicht (ingevolge artikel 6, lid 2, Wet LB), hij niet de status als inhoudingsplichtige in de zin van artikel 6, lid 1, Wet LB (welke kwalificatie tevens bepalend is voor artikel 32bb Wet LB) verliest. [X] heeft dit punt uitvoerig besproken in randnummers 21 en 22 van de pleitnota voor het Hof.
Volgens onder meer HR 1 december 2006, nr. 38 850, BNB 2007/75 en HR 1 december 2006, nr. 38 950, BNB 2007/76 betreffende het voormalige belastingverdrag met Denemarken uit 1957; HR 1 december 2006, nr. 39 535, BNB 2007/77 inzake het vroegere belastingverdrag met België uit 1970; HR 1 december 2006, nr. 39 710, BNB 2007/78, HR 1 december 2006, nr. 39 711, V-N 2006/65.9 en HR 1 december 2006, nr. 40 088, BNB 2007/79 inzake het vroegere belastingverdrag met Duitsland uit 1959.
Besproken in randnummers 52 tot en met 60 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummers 18 tot en met 25 van de pleitnota voor het Hof.
Zie onder meer Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2006, BNB 2006/287 en randnummer
Volgens onder meer HR 11 februari 1998, nr. 33 266, BNB 1998/118.
De Vakstudie Loonbelasting en Premieheffingen, artikel 6 van de Wet LB, aantekening 2.4 (online, laatst bijgewerkt op 21 juli 2019).
In randnummers 52 tot en met 60 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummers 18 tot en met 25 van de pleitnota voor het Hof.
Zie onder meer Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2006, BNB 2006/287.
Besproken in randnummers 56 en 60 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummers 18 tot en met 25 van de pleitnota voor het Hof.
Randnummer 23 van de pleitnota voor het Hof en randnummer 56 van de Gronden van Hoger Beroep.
Randnummers 33 tot en met 41 van het Aanvullend Beroepschrift van 4 november 2015; randnummers 27 tot en met 51 van de Gronden van Hoger Beroep van 21 augustus 2018 en randnummers 4 tot en met 17 van de pleitnota voor het Hof.
Randnummers 61 tot en met 64 van de Gronden van Hoger Beroep en randnummers 26 en 27 van de pleitnota voor het Hof.
Randnummer 20 en 61 tot en met 63 van de Gronden van Hoger Beroep.
R.o. 5.3 van de Uitspraak.
Bijlage 16 bij het Aanvullend Beroepschrift van [X] van 4 november 2015.
[X] heeft dit standpunt ingenomen voor de Rechtbank en heeft dit standpunt herhaald voor het Hof.
Besproken in randnummers 33 tot en met 41 van het Aanvullend Beroepschrift van [X] van 4 november
Randnummer 21 van de Gronden van Hoger Beroep van 21 augustus 2018.
Zie Bijlage 16 van het Aanvullend Beroepschrift.
Zoals ook besproken in randnummers 3.4.26 en 3.4.27.
HR 24 mei 2019, nr. 18/03107, V-/V 2019/27.17.4 en HR 13 juli 2018, nr. 18/00244, V-N 2019/9.26.12 (beiden zaken zijn afgedaan op grond van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie). Zie ook het arrest van Uw Raad dat is opgenomen in r.o. 48 van de Uitspraak van het Hof, te weten HR 20 juni 2014, nr. 13/01431, BNB 2014/229.
Zie punt 61 van het Aanvullende Beroepschrift van [X] van 4 november 2015.
Zie punt 64 e.v. van het Aanvullend Beroepschrift van [X] van 4 november 2015.
HR 27 september 1989, nr. 24 297, BNB 1990/6.
Uitspraak 01‑05‑2020
Inhoudsindicatie
artikel 2, lid 1, Wet LB 1964, artikel 32bb Wet LB 1964, maatstaven dienstbetrekking in overeenstemming met het civiele recht (art. 7:610 BW), pseudo-eindheffing bij vertrekvergoeding.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/03059
Datum 1 mei 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 mei 2019, nr. 18/00377, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 15/4355) betreffende een aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 opgelegde naheffingsaanslag in de loonheffingen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende hield tot 12 mei 2009 alle aandelen in [A] BV (hierna: de dochtermaatschappij). De dochtermaatschappij houdt aandelen in diverse vennootschappen waarmee zij de energiedivisie van het concern vormde. Belanghebbende heeft in januari 1982 een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten met [B] (hierna: de werknemer). Daarin was onder meer bepaald dat de werknemer verbonden zou zijn aan de energiedivisie. In 1994 is de werknemer toegetreden tot de directie van de dochtermaatschappij en op 1 maart 1999 tot het bestuur van belanghebbende. In de vanaf 1 maart 1999 geldende arbeidsvoorwaarden was vermeld dat de werknemer belast was met de dagelijkse leiding van de energiesector en uit hoofde van zijn lidmaatschap van de directie functies zou vervullen bij dochterondernemingen en deelnemingen van belanghebbende. Het salaris van de werknemer werd uitbetaald door belanghebbende en door belanghebbende doorbelast aan de dochtermaatschappij.
2.1.2
Eind 2008 heeft belanghebbende besloten de aandelen in de dochtermaatschappij te verkopen. In een brief van 11 december 2008 aan de werknemer is vastgelegd dat hij bij een geslaagde verkoop een “incentive fee” zou krijgen en dat hij, ter vermijding van een conflict of interest, “will not be considered as part of the managing board” van belanghebbende “in respect of the sales process”, maar wel werkzaam bleef als managing director van de dochtermaatschappij.
Op 12 mei 2009 heeft de werknemer ontslag genomen bij belanghebbende en heeft hij een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten met de dochtermaatschappij. Eveneens op 12 mei 2009 heeft belanghebbende de aandelen in de dochtermaatschappij verkocht. Vanaf 1 juni 2009 werd het salaris van de werknemer uitbetaald door de dochtermaatschappij. Op 20 mei 2009 heeft belanghebbende aan de werknemer de met de verkoop verband houdende incentive fee van € 5 miljoen betaald.
2.1.3
De Inspecteur heeft aan belanghebbende met toepassing van artikel 32bb Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) aan belanghebbende een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd van € 1.424.901.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de werknemer in het jaar 2009 geheel of gedeeltelijk in dienstbetrekking was bij de dochtermaatschappij.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat een dienstbetrekking bestond tussen belanghebbende en de werknemer en niet tussen de dochtermaatschappij en de werknemer. Daartoe heeft het Hof overwogen dat niet in geschil was dat de werknemer de arbeid persoonlijk moest verrichten, dat op belanghebbende de verplichting rustte het loon aan de werknemer uit te betalen, dat belanghebbende dat ook feitelijk had gedaan, en dat sprake was van een gezagsverhouding tussen belanghebbende en de werknemer en niet tussen de dochtermaatschappij en de werknemer. Volgens het Hof is die dienstbetrekking niet eerder dan op 12 mei 2009 beëindigd.
2.3
Tegen het in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof richten zich de middelen met onder meer het betoog dat de vraag of sprake was van een dienstbetrekking tussen de dochtermaatschappij en de werknemer materieel- en niet formeelrechtelijk moet worden beoordeeld. Er moet naar de feitelijke uitvoering van de overeenkomst worden gekeken. In het geval van de werknemer brengt dat mee dat hij in dienstbetrekking stond tot de dochtermaatschappij omdat hij verplicht was persoonlijk arbeid te verrichten voor de dochtermaatschappij, in gezagsverhouding tot de dochtermaatschappij stond en de loonbetaling werd doorbelast aan de dochtermaatschappij, aldus de middelen.
2.4.1
Met de aan zijn oordeel ten grondslag liggende overwegingen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de werknemer zich in dienst van belanghebbende heeft verbonden tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten en dat naar civiel recht sprake was van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de werknemer en niet tussen de dochtermaatschappij en de werknemer. Het Hof heeft daarbij de juiste maatstaven gehanteerd omdat het begrip dienstbetrekking in artikel 2, lid 1, Wet LB moet worden uitgelegd in overeenstemming met het civiele recht (artikel 7:610 BW).1.Het oordeel van het Hof berust voor het overige op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten. Het is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De middelen falen in zoverre.
2.4.2
De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen is het in zoverre namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2020.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑05‑2020
Vgl. HR 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4473; HR 5 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8186.