Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/4.3.2.4
4.3.2.4 Derdenbescherming
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS471945:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/326 en TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 402. Vgl. ook VC II, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1252 over de afbakening ten opzichte van bekrachtiging van een op onmiddellijke overdracht gerichte levering door een beschikkingsonbevoegde vervreemder.
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 3, 402.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, 403.
Vgl. Kortmann & Faber 2-III 1995, p. 82-85.
Vgl. HR 23 oktober 1981, NJ 1982/173, m.nt. B. Wachter (Heiloo/De Ruuk q.q.); HR 15 maart 1991, NJ 1992/605, m.nt. W.M. Kleijn (Veenendaal q.q./Hogeslag); en Kortmann & Faber 2-III 1995, p. 85-86.
Dit brengt de regeling niet alleen in lijn met art. 3:238 BW, maar ook met art. 453a lid 2 Rv inzake bescherming tegen een gelegd beslag.
Art. 1:439 lid 2 BW.
158. Indien de automatische overdracht afstuit op een gebrek aan beschikkingsbevoegdheid ten tijde van de verkrijging van het bij voorbaat geleverde goed door de vervreemder, kan het gebrek mogelijk worden geheeld door een bepaling van derdenbescherming.
Het gegeven dat een levering bij voorbaat geschiedt, sluit niet uit dat de verkrijger een beroep op een derdenbeschermende bepaling toekomt. Wél dient de levering bij voorbaat van een toekomstig goed te worden onderscheiden van een levering door een beschikkingsonbevoegde vervreemder. De levering bij voorbaat is gericht op een overdracht op het latere tijdstip dat de vervreemder het goed verwerft, terwijl de levering door een beschikkingsonbevoegde juist is gericht op een onmiddellijke overdracht, die wegens een gebrek aan bevoegdheid niet tot stand komt.1 Ten aanzien van de levering door een beschikkingsonbevoegde kan het gebrek aan bevoegdheid worden geheeld door een bepaling van derdenbescherming (art. 3:86 of 3:88 BW) waardoor niettemin en terstond een geldige overdracht van het geleverde goed tot stand komt. Het karakter van de levering bij voorbaat van toekomstige goederen brengt daarentegen mee dat in de periode tussen de voltooiing van de levering en de verwerving van het geleverde goed door de vervreemder de vraag naar het helen van een gebrek niet aan de orde komt. Daar komt nog bij dat een onmiddellijke overdracht als gevolg van derdenbescherming naar haar aard slechts mogelijk is ten aanzien van een goed dat reeds bestaat.2 Voor derdenbescherming van de verkrijger tegen beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder kan bij een levering bij voorbaat echter wel behoefte bestaan vanaf het tijdstip dat het bij voorbaat geleverde goed is verworven door de vervreemder.
Er bestaan naar mijn mening geen principiële bezwaren om een gebrek aan beschikkingsbevoegdheid dat op dat moment bestaat, te helen met een bepaling als art. 3:86 of 3:88 BW. De parlementaire geschiedenis lijkt echter van een andere opvatting blijk te geven. De minister heeft in het kader van de regeling van art. 3:97 lid 2 BW namelijk opgemerkt dat een beroep op goede trouw ten aanzien van de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder slecht zou passen, nu het hier goederen betreft, die de vervreemder op het ogenblik van de overdracht (nog) niet toebehoorden.3 Dit argument lijkt mij niet valide, nu de derdenbeschermende bepalingen bij overdracht ook (of beter nog: juist) het gebrek kunnen helen dat de vervreemder over andermans goederen beschikt.
Toepassing van art. 3:88 BW zal echter steeds afstuiten op de eis dat de beschikkingsbevoegdheid voortvloeit uit de ongeldigheid van een eerdere overdracht. Daarvan zal bij een levering bij voorbaat geen sprake zijn. De levering wordt eerst effectief wanneer de vervreemder het bij voorbaat geleverde goed zelf verkrijgt. Van beschikkingsonbevoegdheid wegens een eerdere ongeldige overdracht is dan geen sprake. De onbevoegdheid van de vervreemder is, ondanks de verwerving van het goed, gelegen in een andere omstandigheid zoals zijn faillietverklaring, de verlening van een surseance of de onderbewindstelling van zijn vermogen. Tegen dergelijke oorzaken van beschikkingsonbevoegdheid biedt art. 3:88 BW geen remedie. Bij een levering bij voorbaat van vorderingsrechten op naam of aandelen in kapitaalvennootschappen is daarom geen derdenbescherming mogelijk.
Dat ligt anders ten aanzien van roerende zaken, niet-registergoederen, en rechten aan toonder of order. Bescherming kan in die gevallen mogelijk worden ontleend aan art. 3:86 BW.4 Voor de vestiging bij voorbaat van een vuistpand komt art. 3:238 BW in aanmerking. Anders dan art. 3:88 BW kunnen deze artikelen wel bescherming bieden tegen beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder die haar oorzaak vindt in een andere omstandigheid dan dat het goed niet aan de vervreemder toebehoort. Dat tegen de beschikkingsonbevoegdheid als gevolg van een faillissement bescherming via art. 3:86 of art. 3:238 BW openstaat voor de verkrijger te goeder trouw, blijkt uitdrukkelijk uit art. 35 lid 3 Fw.5 Voor surseance van betaling dient men – bij gebreke van een specifiek voorschrift – aansluiting te zoeken bij de regeling voor faillissement.6 Voor derdenbescherming is vereist dat de zaak (of het recht aan toonder of order) in de macht van de verkrijger is gebracht en hij op dat tijdstip te goeder trouw is omtrent de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder. Dat tijdstip kan later zijn gelegen dan het tijdstip waarop de vervreemder het bij voorbaat geleverde goed verwerft. Voor bescherming bij de verkrijging van een pandrecht volgt dit uitdrukkelijk uit art. 3:238 lid 1 BW. Hoewel dit voor overdracht niet rechtstreeks lijkt te volgen uit het samenspel van art. 3:86 en 3:90 lid 2 BW, meen ik dat ook hier slechts plaats zou moeten zijn voor bescherming indien de zaak op zijn minst in de handen is gebracht van de verkrijger (of een derde die voor hem houdt).7 Voor bescherming tegen onbevoegdheid als gevolg van een meerderjarigenbewind, geldt een bijzondere regeling.8 Ook in dat geval meen ik dat een verkrijger bij voorbaat kan worden beschermd, mits hij te goeder trouw is ten aanzien van de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder.