Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.5.1
6.5.1 Inleiding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498279:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin reeds EHRM 25 februari 1993 (Funke t. Frankrijk),BNB 1993/350 (m.nt. Wattel); FED 1993/628 (m.aant. Feteris); NJ 1993, 485 (m.nt. Knigge), § 44: ‘anyone charged with a criminal offence has the right to remain silent and not to contribute to incriminate oneself.’
Vgl. EHRM 8 april 2003 (King t. Verenigd Koninkrijk), § 2. Daarin overweegt het Hof dat ‘the right not to incriminate oneself is primarily (...) concerned with respecting the will of an accused person to remain silent in the context of criminal proceedings and the use made of compulsorily obtained information in criminal prosecutions.’
In § 3.3 kwam ter sprake dat een voorwaarde voor de toepasselijkheid van art. 6 EVRM is dat de betrokkene is ‘charged with a criminal offence’. Deze voorwaarde of beperking is onverkort van toepassing op het recht tegen gedwongen zelfbelasting.1 Wanneer de verdachte is ‘charged with a criminal offence’, dan raakt niet elke bestraffing wegens niet-medewerking aan een onderzoek (of andere vorm van dwang) aan de nemo tenetur-problematiek. De medewerking moet worden gevorderd in de context van de op de criminal charge betrekking hebbende strafprocedure (‘within the context of criminal proceedings’)2. Dit ter onderscheiding van de gedwongen medewerking vóór het aanvangsmoment van de criminal charge.