Hof Amsterdam 23 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:457, Hof Amsterdam 23 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:458 en Hof Amsterdam 1 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:277.
HR, 14-10-2025, nr. 24/03117
ECLI:NL:HR:2025:1556
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2025
- Zaaknummer
24/03117
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1556, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:5908
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:997
ECLI:NL:PHR:2025:997, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1556
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑05‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0323
JIN 2025/161
NJ 2026/35 met annotatie van N. Jörg
Uitspraak 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Witwassen van geldbedragen, art. 420bis.1.b Sr. Post-Keskin. Afwijzing van ttz. in hoger beroep bij pleidooi gedaan voorwaardelijk verzoek tot horen van belastende getuigen (verbalisanten), op de grond dat niet aannemelijk is dat getuigen binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord, art. 288.1.a. Sv. Welke betekenis komt toe aan omstandigheid dat pas bij inhoudelijke behandeling van zaak ttz. door verdediging wordt verzocht om getuigen te horen, terwijl verdediging al in eerder stadium mogelijkheid heeft gehad zo’n verzoek te doen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:466 m.b.t. toepassing van art. 288.1.a. Sv, inhoudende dat daarbij vraag voorop staat of het mogelijk is getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. Hof heeft verzoek tot het horen van verbalisanten (die verdachte hebben herkend aan de hand van “stills”) als getuigen afgewezen. Daaraan heeft hof ten grondslag gelegd dat verzochte getuigen redelijkerwijs niet meer binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord en dat voortvarende en tijdige afdoening van strafzaak moet prevaleren. Bij dit oordeel heeft hof “niet toegelichte gebrek aan activiteit van zijde van verdediging inzake het horen van getuigen” betrokken, waarbij hof o.m. in aanmerking heeft genomen dat er, na behandeling van zaak in eerste aanleg, in h.b. door verdediging geen nieuwe argumenten naar voren zijn gebracht tegen gebruik van verklaringen van verbalisanten, en dat verdediging geen verklaring heeft gegeven voor zeer laat stadium waarin verzoek is gedaan. ‘s Hofs oordeel dat verzochte getuigen redelijkerwijs niet meer binnen aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord en dat voortvarende en tijdige afdoening van strafzaak moet prevaleren, is (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet toereikend gemotiveerd. Uit ‘s hofs vaststellingen volgt immers dat geen inspanningen zijn verricht door autoriteiten om ondervragingsgelegenheid te realiseren. Ook omstandigheid dat verdediging geen gebruik heeft gemaakt van eerder bestaande gelegenheid om wensen m.b.t. ondervraging van getuigen kenbaar te maken, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, kan niet afwijzing van verzoek op de in art. 288.1.a Sv bedoelde grond dragen. In dat verband is van belang dat zich, gelet op ’s hofs vaststellingen, in deze zaak niet (in HR:2025:1519 besproken) geval voordoet waarin a) verdediging bij eerdere gelegenheid desgevraagd uitdrukkelijk heeft aangegeven het niet nodig te vinden dat nader onderzoek wordt verricht, of b) aan verdediging in eerder stadium van fase in h.b. uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen had waarbij er op dat moment duidelijk op is gewezen dat het niet-opgeven van dergelijke wensen zou worden opgevat als het niet hebben van die wensen, en op die vraag door verdediging niet is gereageerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03117
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 augustus 2024, nummer 21-001804-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de motivering van de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] als getuigen.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 25 januari 2020 tot en met 26 januari 2020 in Nederland, meerdere geldbedragen, te weten
- een geldbedrag van 6.954,00 euro, en
- een geldbedrag van in totaal 2.900,00 euro, en
- een geldbedrag van 8.923,00 euro, en
- een geldbedrag van 1000,50 euro,
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“Ten aanzien van A-Mac te [plaats] (€ 6.954,00) en de Rabobank te [plaats] (€ 2.900,00):
1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlagen van 28 januari 2020, genummerd PL0900-2020029311-1, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , werkzaam bij de politie Midden-Nederland, pagina 8 tot en met 15:
Op donderdag 23 januari 2020 omstreeks 17.00 uur ontving ik, aangever [aangever 1] , via mijn mailadres een mail welke op dat moment afkomstig leek van de Rabobank. In deze mail stond te lezen dat mijn bankpas verouderd was en aan vervanging toe. En dat ik werd verzocht mijn oude bankpas door te knippen en op te sturen naar een recycle inleverpunt in [plaats] , [b-straat 1] . Ik heb mijn bankpas doorgeknipt en opgestuurd via post.nl naar het adres in [plaats] . In de mail stond ook iets over het behouden van mijn pincode en werd mij gevraagd op een link te klikken. Dit heb ik gedaan. Ik heb toen op het verzoek welke ik kreeg in de link twee keer mijn pincode gegeven. Op zondag 26 januari 2020 ontdekte mijn vrouw dat er een groot aantal transacties waren gedaan op onze rekeningen. Overschrijvingen van onze spaarrekening naar betaalrekening en geldopnamen.
Verwerkt: 25-01-2020
Tegenrekening: A-Mac [...]
Omschrijving: Betaalautomaat 15:22 pasnr. [001]
Af: € 6.954,00
Verwerkt: 25-01-2020
Tegenrekening: Rabobank geldautomaat [plaats] ...
Omschrijving: Geldautomaat 15:30 pasnr. [001]
Af: € 900,00
Verwerkt: 25-01-2020
Tegenrekening: Rabobank geldautomaat [plaats] ...
Omschrijving: Geldautomaat 15:31 pasnr. [001]
Af: € 2.000,00
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen van 25 februari 2021, genummerd PL0900-2020029311-6, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] , werkzaam bij de politie Midden-Nederland, pagina 22 tot en met 24:
Ik, verbalisant had de camerabeelden gevraagd van 25 januari 2020 tussen 15.15 uur en 15.35 uur. Tussen genoemde tijd is een aankoop gedaan van 6.954,00 euro. De aankoop is gedaan met de bankpasnummer [rekeningnummer 1] op naam van [aangever 1] eo.
Ik zag dat op 25 januari 2020 omstreeks 15.15 uur meerdere personen de A-Mac store binnen komen en geholpen worden door personeel van de store. Ik zag dat een jongeman alleen binnenkomt gelopen, gekleed in een driekwart groene jas met bond kraag, de jas open dragend, de jas open en daaronder dragend een donker T-shirt met wit/rode tekst, een donkere broek en donkere schoenen, huidskleur licht getint, kort zwart haar met aan beide zijde een bakkenbaardje, en de handen in de zakken.
Na korte tijd spreekt hij een medewerker van de store. De medewerker loopt weg en komt na een paar minuten terug met meerdere doosjes in zijn handen. De jongeman loopt naar de toonbank waar de medewerker de doosjes neerlegt. De camera die ter hoogte van de toonbank opneemt laat zien dat er tien telefoondoosjes op de toonbank liggen. De tien telefoondoosjes worden afgerekend en in een tas gedaan.
Van het binnen komen van de jongen zijn twee printjes gemaakt. Deze printjes zijn intern geplaatst voor herkenning. Door meerdere collega’s wordt de jongeman herkend.
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar met bijlagen van 19 februari 2020, genummerd PL0900-2020029311-5, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , werkzaam bij de politie Midden-Nederland, pagina 25 tot en met 29:
Op woensdag 19 februari 2020 kreeg ik, verbalisant [verbalisant 2] , via Agora een aandachtvestiging. Daarin werd op basis van de volgende informatie en beeldmateriaal de herkenning van een persoon gevraagd.
Verstrekte informatie
10 Iphone's kopen bij Apple store in [plaats]
Herkenning gevraagd.
Verstrekt beeldmateriaal
De aandachtvestiging bevatte videobeelden. Hiervan zijn 2 stills gemaakt.
Herkenning
De persoon op still 1 en de persoon op still 2 herken ik als:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [...]
Geboren: [geboortedatum] 2000
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Geslacht: Man
Nationaliteiten: Nederlandse en Marokkaanse
Adres: [c-straat 1]
Postcode plaats: [...] [plaats]
BRP-nummer: [002]
De stills worden als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. Een politiefoto die in 07-2018 van deze persoon is gemaakt met het nummer 3 wordt als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.
Grondslag herkenning
Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als ik ben zijn wijkagent en zie hem nagenoeg om de 2 weken wel een keer in mijn wijk lopen. Daarnaast gaf de persoon erg veel overlast in mijn wijk en heb ik hem bij de gemeente aangedragen voor begeleiding. Ik zie hem gemiddeld om de 2 weken wel een keer in mijn wijk lopen. Daarnaast heeft de persoon extra aandacht vanuit de gemeente omdat hij in het verleden erg veel overlast veroorzaakte.
De laatste keer dat ik hem zag was op vrijdag 7 februari 2020 om 22:00 uur. Het contact duurde toen ongeveer 1 minuut.
Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Haardracht, neus, postuur. Aan zijn herkenning droegen de volgende specifieke kenmerken bij: Totale uiterlijk, maar vooral het gezicht. Ik herkende hem onmiddellijk toen ik de stills zag. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt. Ik droeg geen voorkennis van de zaak waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.
4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar met bijlagen van 18 februari 2020, genummerd PL0900-2020029311-3, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , werkzaam bij de politie Midden-Nederland, pagina 30 tot en met 34:
Op dinsdag 18 februari 2020 kreeg ik via Agora een aandachtvestiging van collega [verbalisant 5] van het VVC. Daarin werd op basis van de volgende informatie en beeldmateriaal de herkenning van een persoon gevraagd.
Verstrekte informatie.
10 Iphone’s kopen dmv fraude bij Appelstore in [plaats] .
Herkenning gevraagd.
Verstrekt beeldmateriaal
De aandachtvestiging bevatte 2 foto’s.
Herkenning
De persoon op foto 1 en de persoon op foto 2 herken ik als:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [...]
Geboren: [geboortedatum] 2000
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Geslacht: Man
Nationaliteiten: Nederlandse en Marokkaanse
Adres: [c-straat 1]
Postcode plaats: [...] [plaats]
BRP-nummer: [002]
De foto’s worden als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. Een politiefoto die 6 juli 2018 van deze persoon is gemaakt met het nummer Foto 3 wordt als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.
Grondslag herkenning
Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als jeugdagent van onder andere de gemeente [...] . Sinds een aantal jaren ben ik jeugdagent van [plaats] . In de gemeente [...] hebben wij al jaren last van een overlastgevende jeugdgroep. De groep is wisselend van samenstelling en hangt altijd in de wijk [wijk A] . De afgelopen jaren maakte [verdachte] deel uit van deze jeugdgroep. Ik heb [verdachte] diverse keren gesproken in en rondom [wijk A] en het jongerencentrum.
Daarnaast zie ik hem tijdens mijn dienst/surveillance wel geregeld hangen/lopen in de wijk. De laatste keer dat ik hem zag was einde 2019. Ik zag hem toen staan, bij de snackbar, in [wijk A] .
Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Ik herken de persoon aan zijn gehele houding cq postuur. Zijn haardracht en zijn wenkbrauwen. [verdachte] heeft voor mij hele herkenbare wenkbrauwen, want deze lopen als het ware een beetje in elkaar over.
Ik herkende hem onmiddellijk toen ik de foto's zag. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt.
Ik droeg geen voorkennis van de zaak waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.
5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen van 10 maart 2020, genummerd PL0900-2020029311-9, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] , werkzaam bij de politie Midden-Nederland, pagina 36 tot en met 39:
Op dinsdag 10 maart 2020 heb ik verbalisant camerabeelden bekeken van pintransacties bij de Rabobank op de [a-straat] te [plaats] op 25 januari 2020 tussen 15.30 uur en 15.32 uur.
Op de camerabeelden is te zien dat een manspersoon in donkere kleding binnen de Rabobank in komt gelopen. De man gaat naar een pinautomaat en gaat ervoor staan. Op de camera die bij de pinautomaat hangt is te zien dat de manspersoon een capuchon van zijn donkere jack op zijn hoofd heeft en onder zijn capuchon een zwart petje heeft. Op het zwarte petje staan witte tekens, zie bijgevoegde foto. Op de camerabeelden is te zien dat hij voor zijn mond en neus zijn trui heeft, de trui heeft twee touwtjes bij de nek zijde. Tevens is te zien dat onder het donkere jack een donkere trui zit met op de voorzijde op borst hoogte een gekleurde opdruk. De opdruk is in de kleuren wit/blauw en rood. Dit opdruk is ook te zien op de camerabeelden van de A-Mac store in [plaats] op 25 januari 2020, waar een aankoop van 10 Iphones is gedaan, door dezelfde persoon.
Terwijl de manspersoon staat te pinnen zakt zijn trui terug in de nek en komt zijn gehele gezicht zichtbaar. Het uiterlijk van de manspersoon is een hele lichte getinte huid, met een zwart vlassig snorretje, donkere ogen.
De manspersoon pint twee bedragen, een van 900 euro en een van 2000 euro. Van de manspersoon zijn twee afdrukken bijgevoegd.
6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van herkenning persoon met bijlagen door opsporingsambtenaar van 18 februari 2020, genummerd PL0900-2020029311-4, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , werkzaam bij de politie Midden - Nederland, pagina 40 tot en met 44:
Op dinsdag 18 februari 2020 kreeg ik persoonlijk een aandachtvestiging van [verbalisant 6] werkzaam bij het team Veel Voorkomende Criminaliteit. Daarin werd op basis van de volgende informatie en beeldmateriaal de herkenning van een persoon gevraagd.
Verstrekte informatie
Op dinsdag 18 februari 2020 omstreeks 10.30 uur kwam ik verbalisant [verbalisant 6] tegen in het politiebureau te [plaats] . Ik hoorde haar zeggen dat ik even naar beelden moest kijken, omdat ik vaker personen op beelden herken.
Verstrekt beeldmateriaal
De aandachtvestiging bevatte 2 foto’s.
Herkenning
De persoon op foto 1 en de persoon op foto 2 herken ik als:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [...]
Geboren: [geboortedatum] 2000
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Geslacht: Man
Nationaliteiten: Nederlandse en Marokkaanse
Adres: [c-straat 1]
Postcode plaats: [...] [plaats]
BRP-nummer: [002]
Een politiefoto die in juli 2018 van deze persoon is gemaakt met het nummer 3 wordt als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.
Grondslag herkenning
Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als één van de wijkagenten van [plaats] . Ik kom de verdachte tegen op straat, niet alleen naar aanleiding van incidenten maar ook zonder meldingen dan wel incidenten. Ik heb een huisbezoek gedaan in de zomer van 2019, daarnaast kom ik hem met enige regelmaat tegen op straat. De laatste keer dat ik hem zag was op dinsdag 31 december 2019 omstreeks 22:00 uur. Het contact duurde toen ongeveer aantal minuten.
Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Ik herkende verdachte aan zijn haardracht, zijn gezichtsuitdrukking en dan met name de stand van zijn ogen, neus en mond. Aan zijn herkenning droegen de volgende specifieke kenmerken bij: zie hierboven.
Ik herkende hem na nadere bestudering van de foto's. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt.
Ik droeg geen voorkennis van de zaak waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.
7. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van herkenning persoon met bijlagen door opsporingsambtenaar van 11 maart 2020, genummerd PL0900-2020029311-10, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , werkzaam bij de politie Midden - Nederland, pagina 45 tot en met 49:
Op woensdag 11 maart 2020 kreeg ik, verbalisant [verbalisant 1] , via Agora een aandachtvestiging. Daarin werd op basis van de volgende informatie en beeldmateriaal de herkenning van een persoon gevraagd.
Verstrekte informatie
Wie herkent deze jongen. Hij pint twee bedragen bij de Rabobank.
Verstrekt beeldmateriaal
De aandachtvestiging bevatte videobeelden. Hiervan zijn 2 stills gemaakt.
Herkenning
De persoon op still 1 en de persoon op still 2 herken ik als:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [...]
Geboren: [geboortedatum] 2000
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Geslacht: Man
Nationaliteiten: Nederlandse en Marokkaanse
Adres: [c-straat 1]
Postcode plaats: [...] [plaats]
BRP-nummer: [002]
Een politiefoto die in juli 2018 van deze persoon is gemaakt met het nummer 3 wordt als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.
Grondslag herkenning
Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als jeugdagent. Ik ben al een aantal jaren jeugdagent in de gemeente [...] . Zodoende heb ik veel contact met de jeugd in [plaats] . Zo ook in de gemeente [...] , waar de verdachte woonachtig is. In de gemeente [...] hebben wij een aantal jaren last gehad van een overlastgevende jeugdgroep. Er is in overleg met de gemeente aan sommige jongeren hulp geboden, waaronder aan de verdachte. Ik heb de verdachte het afgelopen jaar meerdere keren zien lopen in de gemeente [...] en ook aangesproken.
Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Ik herken de persoon aan zijn gezicht en dan met name zijn wenkbrauwen, lippen en neus. Door zijn algehele gezichtsuitdrukking herken ik de verdachte meteen. Aan zijn herkenning droegen de volgende specifieke kenmerken bij: Zijn wenkbrauwen zijn voor mij kenmerken, want die lopen als het ware in elkaar over. Ik herkende hem onmiddellijk toen ik de stills zag. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt.
Ik droeg geen voorkennis van de zaak waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.
8. Het hof heeft tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 juli 2024 de stills getoond. Het hof heeft onder meer het volgende waargenomen:
Bij de manspersoon die te zien is op de stills op pagina 23 en pagina 24 van het dossier zijn bakkebaarden te zien. Deze bakkebaarden zijn ook te zien bij de ter terechtzitting verschenen verdachte.
Bij de manspersoon die te zien is op de stills op pagina 23 en pagina 24 van het dossier is de vorm van de neus te zien. Bij de ter terechtzitting verschenen verdachte is te zien dat zijn neus vrij naar beneden loopt. Dit komt overeen met de neus van de manspersoon op de stills.
Bij de manspersoon die te zien is op pagina 38 en pagina 39 van het dossier valt het op dat hij een vlassig snorretje heeft. Dit komt overeen met de gezichtsbeharing van de ter terechtzitting verschenen verdachte.
9. De ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2024 door verdachte afgelegde verklaring.
U houdt mij voor dat op pagina 136 en pagina 137 van het dossier zich meerdere stills bevinden. U vraagt mij of ik iemand herken op deze stills. Ik herken de manspersoon niet. Ik zie wel dat de manspersoon dezelfde jas draagt als de manspersoon op de beelden die we zojuist hebben gezien.
Ten aanzien van A-Mac te [plaats] (€ 8.923,00) en van T&T te [plaats] (€ 1.000,50):
1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlagen van 27 januari 2020, genummerd PL2300-2020014630-1, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 7] , werkzaam bij de politie Limburg, pagina 60 tot en met 64:
Ik, aangeefster [aangever 2] , ben in bezit van een Rabobank Rekening. Mijn rekeningnummer betreft [rekeningnummer 2] . Dit betreft een gezamenlijk rekening. Op donderdag 23 januari 2020, omstreeks 16:50 uur ontving ik op mijn 06-nummer een sms bericht van Rabobank Alert. Dit bericht was afkomstig van het volgende telefoonnummer [telefoonnummer 1] . In dit bericht stond vermeld dat mijn bankpas was verlopen en dat ik een dag de tijd had om dit te regelen. Ik moest vervolgens op de link in het berichtje klikken. Dan zou ik een nieuwe pas kunnen aanvragen. Dit heb ik toen gedaan. Hierna kwam ik vervolgens op een site terecht waar vermeld stond hoe ik mijn bankpas op een juiste manier moest inleveren. Ik moest vervolgens mijn bankpas doorknippen. Dit stond vermeld met een foto waar ik mijn bankpas moest doorknippen. Dit heb ik vervolgens gedaan. Ook moest ik vermelden wanneer ik mijn bankpas zou opsturen. Ook stond er een adres vermeld waar ik mijn bankpas heen moest sturen. Vrijdag 24 januari 2020 heb ik mijn bankpas opgestuurd met de post. Op zondag 26 januari 2020 wilde mijn partner een betaling doen. En op dat moment kwamen we erachter dat dit niet meer ging. We zagen op dat moment dat verschillende bedragen van onze rekening waren afgeboekt. Deze bedragen zijn allemaal in het weekend van 25 en 26 januari 2020 van onze rekening weg geboekt.
Op 26-01-2020, omstreeks 13:09 uur is er een bedrag betaald van 8.923 euro bij A-MAC [...] .
Op 26-01-2020, omstreeks 13:50 uur is er een bedrag betaald van 1000.50 euro bij T&T Telecom [...] .
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen van 11 februari 2020, genummerd PL2300-2020014630-12, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 8] , werkzaam bij de politie Limburg, pagina 74 tot en met 84:
Camerabeelden A-Mac [...] :
Op dinsdag 11 februari 2020 om 13.00 uur heb ik, verbalisant [verbalisant 8] , camerabeelden bekeken welke zijn aangeleverd door de A-Mac [...] .
In bovengenoemde winkel werd op 26 januari 2020 omstreeks 13.09 uur een bedrag betaald ter hoogte van 8923 euro vanaf de bankrekening [rekeningnummer 2] van aangeefster [aangever 2] . Op de videobeelden is linksboven aangegeven dat de beelden afkomstig zijn van de Amac [...] voorzien van datum 26-01-2020.
Ik zag het volgende op de videobeelden:
12.55.36
uur: Ik zag dat de verdachte de winkel binnengelopen komt. Van dit moment is een printscreen gemaakt (bijlage 1).
Ik zag dat verdachte bij binnenkomst meteen werd aangesproken door een medewerker.
12.59.06
uur: ik zag dat de verdachte in het bijzijn van de medewerker belde. Ik zag dat de verdachte vervolgens om 12.59.45 uur weer ophing. Ten tijde van het bellen is een print screen gemaakt, (bijlage 2).
Ik zag dat de verdachte vervolgens enige tijd in de winkel rondliep en met zijn telefoon bezig bleef. Ik zag dat de medewerker naar achteren liep. Om 12.04 uur komen twee medewerkers met meerdere telefoons in de handen in beeld. Ik zag dat de medewerkers richting de kassa liepen. Ik zag dat verdachte mee naar de kassa liep om daar verder geholpen te worden.
13.07.47
uur: ik zag dat de verdachte bij de kassa stond en werd geholpen door twee medewerkers. Op de toonbank liggen meerdere telefoons. Van dit moment is een print screen gemaakt, (bijlage 3).
Ik zag dat de mannelijke medewerker op een laptop gegevens invulde. Ik zag dat verdachte vervolgens om 13.09.32 uur met de pin betaalde. Ik zag dat er meerdere telefoons in een tas werden gedaan en deze aan verdachte worden meegegeven.
13.10.36
uur: ik zag dat verdachte de winkel met een tas verliet, (bijlage 4).
Camerabeelden T&T Telecom [...] :
Op dinsdag 11 februari 2020 om 13.40 uur heb ik, verbalisant [verbalisant 8] , camerabeelden bekeken welke zijn aangeleverd door T&T Telecom gelegen aan de [d-straat 1] te [plaats] .
In de aangifte wordt door aangeefster verklaard dat er op 26 januari 2020 om 13.50 uur een bedrag van 1000,50 euro werd betaald vanaf rekeningnummer [rekeningnummer 2] bij T&T telecom.
Op de videobeelden is middels bebording buiten en in de winkel te zien dat de beelden afkomstig zijn van T&T Telecom te [plaats] . Op de videobeelden is rechtsboven de datum aangegeven 26-01-2020.
Op de videobeelden zag ik het volgende:
13.48.54
uur: Ik zag dat de verdachte de winkel binnenkwam. Ik zag dat dit dezelfde persoon betrof als op de beelden van de A-Mac te [plaats] , (bijlage 5).
13.49.00
uur: Ik zag dat de verdachte de medewerker aanspreekt aan de balie. Ik zag dat de medewerker bukte. Ik zag dat de medewerker de kassa openmaakte, (bijlage 6 en 7),
13.49.55
uur: ik zag dat de medewerker geld uit de kassa aan het tellen was (bijlage 8 en 9).
13.50.52
uur: Ik zag dat de verdachte een bankpas in het pinapparaat deed. Ik zag dat verdachte vervolgens de pincode intoetste, (bijlage 10).
13.51.00
uur: Ik zag dat de verdachte samen met de medewerker bankbiljetten natelde, (bijlage 11,12 en 13).
13.53.38
uur: Ik zag dat verdachte het geld in elkaar vouwt en in zijn jas stopt. Ik zag dat de verdachte vervolgens de winkel verliet, (bijlage 14).
De tijd tussen het verlaten van de winkel in [plaats] 13.10.36 uur en het betreden van de winkel in [plaats] 13.48.54 uur bedraagt circa 38 minuten. Ik, verbalisant [verbalisant 8] , heb middels Google Maps berekend wat de aangegeven reistijd betreft tussen beide locaties. De aangegeven reistijd tussen beide adressen betreft 25 minuten met de auto en 31 minuten met het openbaar vervoer inclusief lopen van en naar de stations. Het station in [plaats] is recht tegenover T&T Telecom gelegen.
Ik kan de verdachte als volgt omschrijven:
- Man
- Beide gevallen komt de persoon te voet richting de winkel
- 20 tot 30 jaar oud
- tussen 1.85 tot 2.00 m
- normaal postuur
- licht getinte huidskleur
- Zwart haar bovenop iets langer en zijkanten opgeschoren
- Zwart, beginnend zichtbare snor
- Bruinkleurig heupmodel jas. Merk: Canada Goose
- Zwarte spijkerbroek
- Wit vest
- Zwarte sportschoenen
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van herkenning persoon met bijlagen door opsporingsambtenaar van 7 juli 2021, genummerd PL0900-2020029311-21, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , werkzaam bij de politie Midden - Nederland, pagina 131 tot en met 133:
Op woensdag 7 juli 2021 kreeg ik persoonlijk een aandachtvestiging van Collega [verbalisant 5] van het VVC Noord. Daarin werd op basis van de volgende informatie en beeldmateriaal de herkenning van een persoon gevraagd.
Verstrekte informatie
I.o.m. Officier van Justitie een herkenning opmaken in een andere zaak van Limburg.
Verstrekt beeldmateriaal
De aandachtvestiging bevatte 2 foto’s (foto 7 en foto 8).
Herkenning
De persoon op foto 7 en de persoon op foto 8 herken ik als:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [...]
Geboren: [geboortedatum] 2000
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Geslacht: Man
Nationaliteiten: Nederlandse en Marokkaanse
Adres: [c-straat 1]
Postcode plaats: [...] [plaats]
BRP-nummer: [002]
De foto's worden als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.
Grondslag herkenning
Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als jeugdagent van de gemeente [...] . Ik ben al een aantal jaren jeugdagent van de gemeente [...] . In de wijk [wijk A] is een overlastplek van jeugd, die daar ook woonachtig is. [verdachte] is één van de jongens die voor overlast zorgde. Wegens mijn functie zag ik [verdachte] geregeld tijdens mijn diensten. De laatste keer dat ik hem zag was op zaterdag 28 december 2019. Zag hem geregeld op straat tijdens mijn diensten.
Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Ik herken de persoon aan zijn gehele houding cq postuur. Zijn haardracht en zijn wenkbrauwen. [verdachte] heeft voor mij hele herkenbare wenkbrauwen, want deze lopen als het ware een beetje in elkaar over. Tevens heeft hij een neus, die voor mij opvalt (knobbel/scheef).
Aan zijn herkenning droegen de volgende specifieke kenmerken bij: Zijn wenkbrauwen, die als het ware een beetje in elkaar overlopen. Zijn neus is voor mij ook opvallend. Ik zie altijd meteen dat het [verdachte] betreft. Mogelijk omdat hij scheef staat of een knobbel heeft. Ik herkende hem onmiddellijk toen ik de foto's zag. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt.
Ik droeg geen voorkennis van de zaak waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.
4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van herkenning persoon met bijlagen door opsporingsambtenaar van 7 juli 2021, genummerd PL0900-2020029311-22, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , werkzaam bij de politie Midden - Nederland, pagina 134 tot en met 139:
Op woensdag 7 juli 2021 kreeg ik, verbalisant [verbalisant 2] , kreeg ik persoonlijk een aandachtvestiging van collega [verbalisant 5] van de afdeling veelvoorkomende criminaliteit. Daarin werd op basis van de volgende informatie en beeldmateriaal de herkenning van een persoon gevraagd.
Verstrekt beeldmateriaal
De aandachtvestiging bevatte videobeelden. Hiervan zijn 2 stills gemaakt.
Herkenning
De persoon met jas en bontkraag en rood embleem op de mouw op still 1 en de persoon met jas en bontkraag en rood embleem op de mouw op still 2 herken ik als:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [...]
Geboren: [geboortedatum] 2000
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Geslacht: Man
Nationaliteiten: Nederlandse en Marokkaanse
Adres: [c-straat 1]
Postcode plaats: [...] [plaats]
BRP-nummer: [002]
Een politiefoto die in 06-2021 van deze persoon is gemaakt met het nummer 3 wordt als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.
Grondslag herkenning
Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als wijkagent [plaats] . Ik was tot een jaar geleden wijkagent in [plaats] , waar de verdachte woonachtig is. De verdachte is mij ambtshalve bekend, omdat ik 7 jaar wijkagent ben geweest van de wijk waar de verdachte woont. De verdachte behoorde tot een groep jongeren die tijdens mijn wijkagentschap voor overlast in de wijk zorgde. Deze groep overlastgevers werd 2 wekelijks besproken met diverse ketenpartners. De laatste keer dat ik hem zag was op dinsdag 9 maart 2021 om 10:52 uur. Het contact duurde toen ongeveer 5 minuten.
Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Postuur en gezicht. Aan zijn herkenning droegen de volgende specifieke kenmerken bij: Gezicht, stand van zijn neus en donkere wenkbrauwen. Ik herkende hem onmiddellijk toen ik de stills zag. Over zijn identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt. Ik droeg geen voorkennis van de zaak waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt over de herkenningen van verdachte.
In het dossier bevinden zich afdrukken (stills) van camerabeelden. Het hof heeft deze stills tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in hoger beroep getoond en besproken.
Het hof stelt voorop dat herkenningen aan de hand van stills kritisch en behoedzaam moeten worden beoordeeld. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning aan de hand van stills, is onder meer de kwaliteit van deze beelden van belang en in hoeverre hierop duidelijke, specifieke en onderscheidende kenmerken zichtbaar zijn.
Anders dan de verdediging constateert het hof met de politierechter dat de stills duidelijk en van goede kwaliteit zijn en dat de betrokken persoon voldoende zichtbaar in beeld is om op basis daarvan iemand te kunnen herkennen. Daarbij is van belang dat de waar te nemen persoonskenmerken onderscheidend zijn.
Het hof stelt vast dat verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] verdachte hebben leren kennen vanuit hun werk als wijkagent of jeugdagent. Deze verbalisanten herkennen de dader op de stills van de diverse pintransacties als verdachte. Deze herkenningen hebben afzonderlijk plaatsgevonden door de verschillende verbalisanten. Zij verklaren specifiek over de uiterlijke kenmerken waaraan zij verdachte herkennen op de stills, onder meer de kromme stand van de neus, de haardracht en de wenkbrauwen van verdachte.
Het hof moet de raadsman toegeven dat niet alle door de verbalisanten beschreven uiterlijke kenmerken per still zijn waar te nemen. Deze omissies brengen echter niet reeds met zich dat het hof vanuit het oogpunt van betrouwbaarheid twijfelt aan de herkenningen van de verbalisanten. Het hof heeft tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in hoger beroep verdachte uitgebreid kunnen observeren en heeft waargenomen dat zijn gezichtsbeharing, de kromme stand van zijn neus(punt) en de vorm van zijn (kleine) mond in grote mate gelijkenissen vertoont met de persoon die op 25 januari 2020 geldbedragen opneemt bij de Rabobank te [plaats] .
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de dader op de stills van de camerabeelden bij de A-Mac en de Rabobank te [plaats] naar zijn waarneming dezelfde trui en jas dragen, waarmee verdachte kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat het om dezelfde persoon gaat. Het hof stelt vast dat dit inderdaad het geval is.
Uit het dossier volgt voorts dat de persoon op de stills van de camerabeelden bij de T&T Telecom te [plaats] dezelfde persoon betreft als de persoon die op de stills van de camerabeelden bij de A-Mac te [plaats] is waar te nemen.
Het hof heeft ter terechtzitting waargenomen dat de dader die te zien is op de stills van de camerabeelden bij de A-Mac te [plaats] dezelfde haardracht en lengte heeft als de dader die te zien is op de stills van de camerabeelden bij de A-Mac te [plaats] en de T&T te [plaats] . Het hof stelt vast dat de haardracht van verdachte en de op de stills afgebeelde persoon in grote mate overeenkomt.
Het hof stelt op basis van het dossier voorts vast dat de pintransacties in een kort tijdsbestek, te weten op 25 januari 2020 twee pintransacties binnen een kwartier in [plaats] en op 26 januari twee pintransacties binnen 41 minuten in [plaats] en [plaats] , hebben plaatsgevonden.
Gelet op de herkenningen door het hof en de betrouwbare herkenningen van genoemde verbalisanten enerzijds en het korte tijdsbestek tussen de diverse pintransacties anderzijds, in onderling verband en in samenhang bezien, is het hof van oordeel dat verdachte degene is geweest die op alle stills te zien is en zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem is tenlastegelegd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken van contra-indicaties die kunnen leiden tot een ander oordeel. Resumerend acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
2.2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer in:
“Voorwaardelijk verzoek
21. Indien u cliënt niet aanstonds vrijspreekt verzoek ik uw hof om de zaak aan te houden en te verwijzen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .
22. De verdediging wil hen in dat geval aan de hand van de stills in het dossier bevragen over de totstandkoming van de gestelde herkenningen, gelet op de eerdergenoemde onjuistheden en inconsistenties in die herkenningen. De verdediging wil hen verder vragen of zij onderling hebben overlegd, zodat de totstandkoming van de herkenningen toetsbaar is.
23. Nu al deze getuigen belastend hebben verklaard over cliënt is het horen van deze getuigen reeds op grond van de Keskin-jurisprudentie aangewezen. De verdediging meent overigens ook dat het horen van deze getuigen noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek.
24. Indien het verzoek wordt afgewezen geldt dat er geen gegronde reden is om de verzoeken af te wijzen, de door deze verbalisanten opgestelde verbalen zonder meer decisive zijn voor de bewezenverklaring en er geen enkele waarborg kan worden geboden die als voldoende compensatie kan gelden voor het niet horen van deze getuigen. Om die reden zou een veroordeling van cliënt bij die stand van zaken in strijd zijn met art. 6 EVRM.”
2.2.5
Dat proces-verbaal houdt verder onder meer in:
“De raadsman voert het woord ter verdediging overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Op vragen van de voorzitter antwoordt de raadsman:
U geeft aan dat deze strafzaak vanaf het begin in essentie draait om de betrouwbaarheid van de herkenningen. In eerste aanleg heeft de verdediging de rechtbank niet verzocht om de verbalisanten te laten horen als getuigen. Na het instellen van het hoger beroep heeft de verdediging ook niet bij appelschriftuur onderzoekswensen opgegeven. Aan het eind van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep komt de verdediging met een voorwaardelijk verzoek, inhoudende het horen van de verbalisanten. U vraagt aan mij waarom ik dit in zo’n laat stadium verzoek.
Ik begrijp de vraag heel goed en ik begrijp dat het moment waarop het verzoek wordt gedaan vervelend kan zijn. De verdediging vindt het horen van de verbalisanten op zichzelf niet nodig als onderzoek. De verdediging blijft het verweer voeren dat de herkenningen niet betrouwbaar zijn. Dit geldt ook voor het geval de verbalisanten worden gehoord en zij hun herkenningen bevestigen of nader toelichten. Dit zijn de stills op basis waarvan de herkenningen hebben plaatsgevonden. De stills zijn niet duidelijk en de verdediging meent dat er op basis van deze stills geen herkenningen kunnen plaatsvinden. De verdediging verzoekt het horen van de verbalisanten voor de zekerheid nu voorwaardelijk. Ook gelet op de proces-economie heeft de verdediging dit niet op een eerder moment verzocht.
U vraagt aan mij wat ik bedoel met de proces-economie. U houdt mij voor dat de getuigen inmiddels al gehoord hadden kunnen zijn door de raadsheer-commissaris als de verdediging dit bij appelschriftuur had verzocht.
De verdediging begrijpt het voor zover het voorwaardelijk verzoek tot frustratie bij het hof leidt. De verdediging vindt het op zichzelf geen noodzakelijk onderzoek, behalve als het hof een ander oordeel is toegedaan dan het standpunt van de verdediging en de herkenningen wel voldoende betrouwbaar acht. Dat is de reden dat de verdediging het als voorwaardelijk verzoek naar voren brengt. Wat de verdediging betreft is de zaak duidelijk.”
2.2.6
Het hof heeft het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] als getuigen afgewezen. Het hof heeft deze afwijzing als volgt gemotiveerd:
“Oordeel van het hof
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld. Het hof ziet zich in de onderhavige zaak voor de vraag gesteld of een ondervragingsgelegenheid kan en moet worden gerealiseerd met betrekking tot de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin volgt echter niet dat het ondervragingsrecht met zich brengt dat een verzoek van de verdediging tot het horen van een getuige die een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, steeds voor toewijzing in aanmerking komt. Als het verzoek niet wordt toegewezen zal de rechter bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn
(i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt,
(ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en
(iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd.
De omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om een verzoek te doen een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, biedt op zichzelf geen grond voor de afwijzing van zo’n verzoek. Dat neemt niet weg dat een dergelijke inactiviteit van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de, hierboven besproken, beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen.
Onderzoek van de zaak
Verdachte is veroordeeld bij vonnis van de politierechter Midden-Nederland d.d. 11 april 2023. Verdachte is in eerste aanleg niet verschenen. Zijn op dat moment gemachtigd raadsman, [naam 1] , is wel ter terechtzitting verschenen. Namens verdachte is door deze raadsman gemotiveerd verweer gevoerd op de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten. Desondanks zijn deze herkenningen door de politierechter gebezigd voor het bewijs van hetgeen verdachte is tenlastegelegd.
Tegen dit vonnis is op 12 april 2023 hoger beroep ingesteld door verdachte. Bij schriftuur, noch in de aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep op 25 juli 2024 zijn door de verdediging onderzoekswensen ingediend.
Oordeel van het hof
Het hof weegt bij het beoordelen van het voorwaardelijk verzoek van de raadsman mee dat het verzoek pas is gedaan aan het eind van zijn pleidooi tijdens de inhoudelijke behandeling van onderhavige strafzaak in hoger beroep.
Op dit punt sluit het hof aan bij de overwegingen van een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2023:457) voor zover daarin het volgende is overwogen:
"De Nederlandse strafrechtspleging kampt al geruime tijd met een fors capaciteitstekort. Voor de rechtspraak betekent dit onder meer dat de beschikbare zittingscapaciteit zo efficiënt mogelijk moet worden benut. Cruciaal daarvoor is dat zaken pas voor een inhoudelijke behandeling op een zitting worden gepland, als al het daaraan voorafgaande onderzoek gereed is. Anders moeten zaken ter zitting alsnog worden aangehouden. Dan gaat niet alleen kostbare zittingstijd verloren, maar ook veel van de tijd die is gestoken in de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling door de betrokken raadsheren, de griffier, de advocaat-generaal, de advocaten van de verdachte en de benadeelde partij. Nog daargelaten dat de verdachte en benadeelden of slachtoffers daardoor langer in onzekerheid verkeren en de afdoening van zaken binnen een redelijke termijn bemoeilijkt wordt. (...) De verdediging houdt in zo‘n geval vóór de inhoudelijke behandeling van de zaak de kaart van deze verzoeken tegen de borst, en legt deze bij de inhoudelijke behandeling als een joker op tafel, met als effect: als u niet doet wat ik vraag (bijvoorbeeld: een voor de verdachte gunstige bewijsbeslissing, strafmaat- of modaliteit), dan verliest u de ingeplande zittingstijd, moeten nog diverse getuigen worden gehoord en zal de zaak later opnieuw inhoudelijk moeten worden behandeld. Het behoeft geen betoog dat deze werkwijze, die op zijn minst op gespannen voet staat met beginselen van een behoorlijke procesorde, funest is voor de kwaliteit en de effectiviteit van de strafrechtspleging. Het hof is van oordeel dat binnen de kaders van de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de ruimte voor deze werkwijze van de verdediging moet worden beperkt."
Het hof heeft de raadsman ter terechtzitting bevraagd over de reden waarom dit voorwaardelijke verzoek pas in dit zeer late stadium is gedaan. Daarop is geen ander antwoord gekomen dan dat de verdediging de vraag van het hof begrijpt, maar dat het niet anders is. Het hof weegt bovenstaande context mee bij de beoordeling van de vraag of het verzoek moet worden toegewezen en bij de beoordeling van de eerlijkheid van het proces in zijn geheel.
Het hof is zich ervan bewust dat de verklaringen en herkenningen van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] door de politierechter voor het bewijs zijn gebezigd. De verdediging is nog niet in de gelegenheid geweest deze getuigen te ondervragen. Zou de verdediging in enig eerder stadium bij de rechtbank of bij het hof om het horen van deze getuigen hebben verzocht, dan zou dat verzoek na toetsing waarschijnlijk voor toewijzing gereed hebben gelegen in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad.
Dat ligt naar het oordeel van het hof in dit stadium van het strafgeding anders. Hierbij speelt al het voorgaande mee, maar met name:
- Het feit dat het in deze strafzaak, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in essentie draait om de betrouwbaarheid van de herkenningen. Door [naam 1] is in eerste aanleg reeds uitgebreid verweer gevoerd op de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten;
- Het feit dat deze herkenningen door de politierechter ondanks de verweren op goede gronden wel voor het bewijs zijn gebruikt en het gegeven dat het hoger beroep zich volledig richtte op deze herkenningen;
- Het feit dat na het instellen van het hoger beroep bij schriftuur, noch schriftelijk voorafgaande aan de zitting in hoger beroep is verzocht om het horen van deze getuigen;
- Het feit dat er in hoger beroep geen nieuwe argumenten naar voren zijn gebracht tegen het gebruik van de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ;
- Het feit dat de verdediging geen verklaring heeft gegeven voor het zeer late stadium waarin het verzoek is gedaan;
- Het feit dat verdachte ter zitting in hoger beroep is verschenen en daarmee het hof zelf waarnemingen heeft kunnen doen.
Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de verzochte getuigen redelijkerwijs niet meer binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord en dat, alles afwegende, mede gelet op het niet toegelichte gebrek aan activiteit van de zijde van de verdediging inzake het horen van getuigen, thans een voortvarende en tijdige afdoening van de strafzaak moet prevaleren. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Naar het oordeel van het hof is de beperking van het ondervragingsrecht voldoende gecompenseerd, doordat de betrouwbaarheid van deze getuigen in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel en door de eigen waarnemingen van het hof. De getuigenverklaringen staan daarmee niet langer op zichzelf. De herkenningen wijzen telkens in dezelfde richting en worden voorts ondersteund door de waarnemingen van het hof gedaan ter terechtzitting van 25 juli 2024. Het hof is behoedzaam met de verklaringen van de getuigen omgegaan. Hun verklaringen worden alleen voor het bewijs gebruikt voor zover zij in voldoende mate steun vinden in de ter zitting gedane waarnemingen door het hof.
Anders dan de raadsman stelt, is het hof van oordeel, nu de herkenningen niet meer kunnen worden aangemerkt als ‘sole en decisive’, dat het niet inwilligen van het voorwaardelijke verzoek onder de gegeven omstandigheden niet met zich brengt dat er niet langer sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.”
2.3
Op grond van het ook in hoger beroep toepasselijke artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de rechter van de oproeping van een niet verschenen getuige afzien als hij van oordeel is dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn op de terechtzitting zal verschijnen. Bij de toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv staat de vraag voorop of het mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. In zijn arrest van 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466 heeft de Hoge Raad daarover onder meer overwogen:
“2.4.4 Toepassing van artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv kan onder meer aan de orde zijn als het gaat om een getuige die niet traceerbaar is of als te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord. De mogelijkheid om op grond van die bepaling af te zien van het oproepen van de getuige laat echter onverlet dat de rechter, voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dit volgt onder meer uit de jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) over het door artikel 6 lid 3, aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht. Deze rechtspraak houdt, voor zover hier van belang, het navolgende in.
2.4.5
Waar het gaat om zogenoemde “prosecution witnesses” houdt de rechtspraak van het EHRM in, kort gezegd, dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van de getuige moet worden voorondersteld. Dat betekent echter niet dat elk (herhaald) verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, door de rechter zonder meer moet worden toegewezen. Er kan een “good reason for the witness’s non-attendance” bestaan. Zo’n goede reden kan zijn gelegen in “the witness’s absence owing to unreachability”. Het bestaan van deze laatstgenoemde reden is niet afhankelijk van het belang van de verklaring, maar wordt bepaald door – kort gezegd – de inspanningen van de autoriteiten om een ondervragingsgelegenheid te realiseren. Het EHRM heeft hierover het volgende overwogen in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10):
“120. In cases concerning a witness’s absence owing to unreachability, the Court requires the trial court to have made all reasonable efforts to secure the witness’s attendance (see Gabrielyan v. Armenia, no. 8088/05, § 78, 10 April 2012; Tseber v. the Czech Republic, no. 46203/08, § 48, 22 November 2012; and Kostecki v. Poland, no. 14932/09, §§ 65 and 66, 4 June 2013). The fact that the domestic courts were unable to locate the witness concerned or the fact that a witness was absent from the country in which the proceedings were conducted was found not to be sufficient in itself to satisfy the requirements of Article 6 § 3 (d), which require the Contracting States to take positive steps to enable the accused to examine or have examined witnesses against him (see Gabrielyan, cited above, § 81; Tseber, cited above, § 48; and Lučić v. Croatia, no. 5699/11, § 79, 27 February 2014). Such measures form part of the diligence which the Contracting States have to exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Article 6 are enjoyed in an effective manner (see Gabrielyan, cited above, § 81, with further references). Otherwise, the witness’s absence is imputable to the domestic authorities (see Tseber, cited above, § 48, and Lučić, cited above, § 79).
121. It is not for the Court to compile a list of specific measures which the domestic courts must have taken in order to have made all reasonable efforts to secure the attendance of a witness whom they finally considered to be unreachable (see Tseber, cited above, § 49). However, it is clear that they must have actively searched for the witness with the help of the domestic authorities including the police (see Salikhov, cited above, §§ 116-17; Prăjină v. Romania, no. 5592/05, § 47, 7 January 2014; and Lučić, cited above, § 79) and must, as a rule, have resorted to international legal assistance where a witness resided abroad and such mechanisms were available (see Gabrielyan, cited above, § 83; Fąfrowicz, cited above, § 56; Lučić, cited above, § 80; and Nikolitsas, cited above, § 35).””
2.4.1
Het procesverloop in deze zaak is als volgt. De verdachte is op 11 april 2023 in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld, waarbij de verklaringen van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] – die erop neerkomen dat zij de verdachte herkennen op de door hen bekeken beelden – voor het bewijs zijn gebruikt. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld. Er zijn niet bij appelschriftuur en ook niet in de aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep door de verdediging onderzoekswensen ingediend. Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bij pleidooi het voorwaardelijke verzoek gedaan om [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] als getuigen te horen. Daarbij heeft de raadsman aangegeven het horen van deze personen nodig te vinden “als het hof een ander oordeel is toegedaan dan het standpunt van de verdediging en de herkenningen wel voldoende betrouwbaar acht”.
2.4.2
Het hof heeft het verzoek tot het horen van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] als getuigen afgewezen. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat de verzochte getuigen redelijkerwijs niet meer binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord en dat een voortvarende en tijdige afdoening van de strafzaak moet prevaleren. Bij dit oordeel heeft het hof “het niet toegelichte gebrek aan activiteit van de zijde van de verdediging inzake het horen van getuigen” betrokken, waarbij het hof onder meer in aanmerking heeft genomen dat er, na de behandeling van de zaak in eerste aanleg, in hoger beroep door de verdediging geen nieuwe argumenten naar voren zijn gebracht tegen het gebruik van de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , en dat de verdediging geen verklaring heeft gegeven voor het zeer late stadium waarin het verzoek is gedaan.
2.5
Het oordeel van het hof dat de verzochte getuigen redelijkerwijs niet meer binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord en dat een voortvarende en tijdige afdoening van de strafzaak moet prevaleren, is – gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld – niet toereikend gemotiveerd. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat geen inspanningen zijn verricht door de autoriteiten om een ondervragingsgelegenheid te realiseren. Ook de omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, kan niet een afwijzing van het verzoek op de in artikel 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv bedoelde grond dragen. In dat verband is van belang dat zich, gelet op de vaststellingen van het hof, in deze zaak niet het – in het vandaag in de zaak 24/00524 uitgesproken arrest ECLI:NL:HR:2025:1519 besproken – geval voordoet waarin, kort gezegd, a) de verdediging bij een eerdere gelegenheid desgevraagd uitdrukkelijk heeft aangegeven het niet nodig te vinden dat nader onderzoek wordt verricht, of b) aan de verdediging in een eerder stadium van de appelfase uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen had waarbij er op dat moment duidelijk op is gewezen dat het niet-opgeven van dergelijke wensen zou worden opgevat als het niet hebben van die wensen, en op die vraag door de verdediging niet is gereageerd.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, de vice-president M.J. Borgers en de raadsheer T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.
Conclusie 16‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Witwassen (art. 420bis Sr). Post-Keskin. Klacht over afwijzing hof van bij pleidooi gedaan voorwaardelijk verzoek getuigen à charge (verbalisanten van politie) te horen, gezien stadium van procedure waarin verzoek is gedaan. AG gaat in op overwegingen hof met strekking dat ruimte voor verdediging om eerst bij pleidooi in hoger beroep voorwaardelijk verzoek te doen belastende getuige te horen moet worden beperkt met oog op kwaliteit en effectiviteit van stafrechtspleging. AG concludeert dat middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03117
Zitting 16 september 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 8 augustus 2024, parketnummer 21-001804-23, door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens "witwassen", veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren subsidiair 75 hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M. Berndsen heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel heeft betrekking op de afwijzing van een voorwaardelijk getuigenverzoek en in het tweede middel wordt geklaagd over het gebruik voor het bewijs van niet door de verdediging gehoorde getuigen à charge en gesteld dat dit in strijd is met art. 6 EVRM.
2. De zaak in cassatie
2.1
De verdachte is door het hof veroordeeld voor het doen van een viertal pintransacties met, op slinkse wijze afhandig gemaakte, pinpassen en bijbehorende pincodes. Het bewijs bestaat uit herkenningen van de verdachte door verbalisanten aan de hand van stills van cameraopnamen op de locaties waar de pintransacties werden gedaan aangevuld met de eigen waarnemingen die het hof op de terechtzitting heeft gedaan naar aanleiding van de stills en het het voorkomen van de op de zitting aanwezige verdachte. De verdachte heeft ontkend dat hij de persoon is op de stills. Het verzoek om de betrokken verbalisanten, die kunnen worden aangemerkt als zogenaamde Keskin-getuigen, te horen is door de verdediging pas bij pleidooi op de zitting van het hof in voorwaardelijke zin gedaan, voor het geval het hof de verklaringen voor het bewijs zou willen gebruiken. De getuigen zijn niet eerder door de verdediging gehoord.
2.2
Bijzonder in deze zaak is de grond van de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek door het hof. Deze komt er namelijk in de kern op neer dat het verzoek de getuigen te horen in een zodanig laat stadium, namelijk bij pleidooi in hoger beroep is gedaan, dat een voortvarende en tijdige afdoening van de strafzaak dient te prevaleren. In cassatie staat centraal of deze motivering de afwijzing van het voorwaardelijk gedane getuigenverzoek kan dragen.
2.3
Ik kom tot de conclusie dat dit niet het geval is en dat het eerste middel slaagt en het tweede middel daarom geen bespreking meer behoeft.
3. De voorwaardelijke getuigenverzoeken en de bewezenverklaring
3.1
Voor de beoordeling van het eerste middel is het voorwaardelijke getuigenverzoek, hetgeen daarover is besproken tijdens de zitting van het hof en de afwijzing van het verzoek in het arrest van het hof relevant. Deze zal ik hierna weergeven alsmede het deel van de bewijsoverweging waarin het hof verwijst naar zijn eigen waarnemingen aan de hand van de stills.
3.2
De pleitnota die de raadsman heeft voorgedragen op de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in over het voorwaardelijk verzoek de getuigen te horen:
“Voorwaardelijk verzoek
21. Indien u cliënt niet aanstonds vrijspreekt verzoek ik uw hof om de zaak aan te houden en te verwijzen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .
22. De verdediging wil hen in dat geval aan de hand van de stills in het dossier bevragen over de totstandkoming van de gestelde herkenningen, gelet op de eerdergenoemde onjuistheden en inconsistenties in die herkenningen. De verdediging wil hen verder vragen of zij onderling hebben overlegd, zodat de totstandkoming van de herkenningen toetsbaar is.
23. Nu al deze getuigen belastend hebben verklaard over cliënt is het horen van deze getuigen reeds op grond van de Keskin-jurisprudentie aangewezen. De verdediging meent overigens ook dat het horen van deze getuigen noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek.
24. Indien het verzoek wordt afgewezen geldt dat er geen gegronde reden is om de verzoeken af te wijzen, de door deze verbalisanten opgestelde verbalen zonder meer decisive zijn voor de bewezenverklaring en er geen enkele waarborg kan worden geboden die als voldoende compensatie kan gelden voor het niet horen van deze getuigen. Om die reden zou een veroordeling van cliënt bij die stand van zaken in strijd zijn met art. 6 EVRM.”
3.3
Verder houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep het volgende in:
“Op vragen van de voorzitter antwoordt de raadsman:
U geeft aan dat deze strafzaak vanaf het begin in essentie draait om de betrouwbaarheid van de herkenningen. In eerste aanleg heeft de verdediging de rechtbank niet verzocht om de verbalisanten te laten horen als getuigen. Na het instellen van het hoger beroep heeft de verdediging ook niet bij appelschriftuur onderzoekswensen opgegeven. Aan het eind van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep komt de verdediging met een voorwaardelijk verzoek, inhoudende het horen van de verbalisanten. U vraagt aan mij waarom ik dit in zo’n laat stadium verzoek.
Ik begrijp de vraag heel goed en ik begrijp dat het moment waarop het verzoek wordt gedaan vervelend kan zijn. De verdediging vindt het horen van de verbalisanten op zichzelf niet nodig als onderzoek. De verdediging blijft het verweer voeren dat de herkenningen niet betrouwbaar zijn. Dit geldt ook voor het geval de verbalisanten worden gehoord en zij hun herkenningen bevestigen of nader toelichten. Dit zijn de stills op basis waarvan de herkenningen hebben plaatsgevonden. De stills zijn niet duidelijk en de verdediging meent dat er op basis van deze stills geen herkenningen kunnen plaatsvinden. De verdediging verzoekt het horen van de verbalisanten voor de zekerheid nu voorwaardelijk. Ook gelet op de proces-economie heeft de verdediging dit niet op een eerder moment verzocht.
U vraagt aan mij wat ik bedoel met de proces-economie. U houdt mij voor dat de getuigen inmiddels al gehoord hadden kunnen zijn door de raadsheer-commissaris als de verdediging dit bij appelschriftuur had verzocht.
De verdediging begrijpt het voor zover het voorwaardelijk verzoek tot frustratie bij het hof leidt. De verdediging vindt het op zichzelf geen noodzakelijk onderzoek, behalve als het hof een ander oordeel is toegedaan dan het standpunt van de verdediging en de herkenningen wel voldoende betrouwbaar acht. Dat is de reden dat de verdediging het als voorwaardelijk verzoek naar voren brengt. Wat de verdediging betreft is de zaak duidelijk.”
3.4
Het hof heeft het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuigen bij eindarrest afgewezen. Het arrest houdt het volgende in:
“Voorwaardelijk verzoek
Verzoek van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan om de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] te horen, indien het hof tot een bewezenverklaring zal komen van hetgeen verdachte is tenlastegelegd. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat deze verbalisanten, als decisive te kenmerken, belastend hebben verklaard over verdachte en dat het horen van deze verbalisanten op grond van de Keskin-jurisprudentie is aangewezen. Het niet horen van deze verbalisanten zou in strijd zijn met artikel 6 van het EVRM.
Oordeel van het hof
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld. Het hof ziet zich in de onderhavige zaak voor de vraag gesteld of een ondervragingsgelegenheid kan en moet worden gerealiseerd met betrekking tot de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin volgt echter niet dat het ondervragingsrecht met zich brengt dat een verzoek van de verdediging tot het horen van een getuige die een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, steeds voor toewijzing in aanmerking komt. Als het verzoek niet wordt toegewezen zal de rechter bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn
(i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt,
(ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en
(iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd.
De omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om een verzoek te doen een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, biedt op zichzelf geen grond voor de afwijzing van zo’n verzoek. Dat neemt niet weg dat een dergelijke inactiviteit van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de, hierboven besproken, beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen.
Onderzoek van de zaak
Verdachte is veroordeeld bij vonnis van de politierechter Midden-Nederland d.d. 11 april 2023. Verdachte is in eerste aanleg niet verschenen. Zijn op dat moment gemachtigd raadsman, mr. E.M. Steller, is wel ter terechtzitting verschenen. Namens verdachte is door deze raadsman gemotiveerd verweer gevoerd op de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten. Desondanks zijn deze herkenningen door de politierechter gebezigd voor het bewijs van hetgeen verdachte is tenlastegelegd.
Tegen dit vonnis is op 12 april 2023 hoger beroep ingesteld door verdachte. Bij schriftuur, noch in de aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep op 25 juli 2024 zijn door de verdediging onderzoekswensen ingediend.
Oordeel van het hof
Het hof weegt bij het beoordelen van het voorwaardelijk verzoek van de raadsman mee dat het verzoek pas is gedaan aan het eind van zijn pleidooi tijdens de inhoudelijke behandeling van onderhavige strafzaak in hoger beroep. Op dit punt sluit het hof aan bij de overwegingen van een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS2023:457) voor zover daarin het volgende is overwogen:
"De Nederlandse strafrechtspleging kampt al geruime tijd met een fors capaciteitstekort. Voor de rechtspraak betekent dit onder meer dat de beschikbare zittingscapaciteit zo efficiënt mogelijk moet worden benut. Cruciaal daarvoor is dat zaken pas voor een inhoudelijke behandeling op een zitting worden gepland, als al het daaraan voorafgaande onderzoek gereed is. Anders moeten zaken ter zitting alsnog worden aangehouden. Dan gaat niet alleen kostbare zittingstijd verloren, maar ook veel van de tijd die is gestoken in de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling door de betrokken raadsheren, de griffier, de advocaat-generaal, de advocaten van de verdachte en de benadeelde partij. Nog daargelaten dat de verdachte en benadeelden of slachtoffers daardoor langer in onzekerheid verkeren en de afdoening van zaken binnen een redelijke termijn bemoeilijkt wordt. (...) De verdediging houdt in zo‘n geval voor de inhoudelijke behandeling van de zaak de kaart van deze verzoeken tegen de borst, en legt deze bij de inhoudelijke behandeling als een joker op tafel, met als effect: als u niet doet wat ik vraag (bijvoorbeeld: een voor de verdachte gunstige bewijsbeslissing, strafmaat- of modaliteit), dan verliest u de ingeplande zittingstijd, moeten nog diverse getuigen worden gehoord en zal de zaak later opnieuw inhoudelijk moeten worden behandeld. Het behoeft geen betoog dat deze werkwijze, die op zijn minst op gespannen voet staat met beginselen van een behoorlijke procesorde, funest is voor de kwaliteit en de effectiviteit van de strafrechtspleging. Het hof is van oordeel dat binnen de kaders van de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de ruimte voor deze werkwijze van de verdediging moet worden beperkt."
Het hof heeft de raadsman ter terechtzitting bevraagd over de reden waarom dit voorwaardelijke verzoek pas in dit zeer late stadium is gedaan. Daarop is geen ander antwoord gekomen dan dat de verdediging de vraag van het hof begrijpt, maar dat het niet anders is. Het hof weegt bovenstaande context mee bij de beoordeling van de vraag of het verzoek moet worden toegewezen en bij de beoordeling van de eerlijkheid van het proces in zijn geheel.
Het hof is zich ervan bewust dat de verklaringen en herkenningen van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] door de politierechter voor het bewijs zijn gebezigd. De verdediging is nog niet in de gelegenheid geweest deze getuigen te ondervragen. Zou de verdediging in enig eerder stadium bij de rechtbank of bij het hof om het horen van deze getuigen hebben verzocht, dan zou dat verzoek na toetsing waarschijnlijk voor toewijzing gereed hebben gelegen in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad.
Dat ligt naar het oordeel van het hof in dit stadium van het strafgeding anders. Hierbij speelt al het voorgaande mee, maar met name:
- Het feit dat het in deze strafzaak, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in essentie draait om de betrouwbaarheid van de herkenningen. Door mr. E.M. Steller is in eerste aanleg reeds uitgebreid verweer gevoerd op de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten;
- Het feit dat deze herkenningen door de politierechter ondanks de verweren op goede gronden wel voor het bewijs zijn gebruikt en het gegeven dat het hoger beroep zich volledig richtte op deze herkenningen;
- Het feit dat na het instellen van het hoger beroep bij schriftuur, noch schriftelijk voorafgaande aan de zitting in hoger beroep is verzocht om het horen van deze getuigen;
- Het feit dat er in hoger beroep geen nieuwe argumenten naar voren zijn gebracht tegen het gebruik van de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ;
- Het feit dat de verdediging geen verklaring heeft gegeven voor het zeer late stadium waarin het verzoek is gedaan;
- Het feit dat verdachte ter zitting in hoger beroep is verschenen en daarmee het hof zelf waarnemingen heeft kunnen doen.
Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de verzochte getuigen redelijkerwijs niet meer binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord en dat, alles afwegende, mede gelet op het niet toegelichte gebrek aan activiteit van de zijde van de verdediging inzake het horen van getuigen, thans een voortvarende en tijdige afdoening van de strafzaak moet prevaleren. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Naar het oordeel van het hof is de beperking van het ondervragingsrecht voldoende gecompenseerd, doordat de betrouwbaarheid van deze getuigen in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel en door de eigen waarnemingen van het hof. De getuigenverklaringen staan, daarmee niet langer op zichzelf. De herkenningen wijzen telkens in dezelfde richting en worden voorts ondersteund door de waarnemingen van het hof gedaan ter terechtzitting van 25 juli 2024. Het hof is behoedzaam met de verklaringen van de getuigen omgegaan. Hun verklaringen worden alleen voor het bewijs gebruikt voor zover zij in voldoende mate steun vinden in de ter zitting gedane waarnemingen door het hof.
Anders dan de raadsman stelt, is het hof van oordeel, nu de herkenningen niet meer kunnen worden aangemerkt als ‘sole en decisive’, dat het niet inwilligen van het voorwaardelijke verzoek onder de gegeven omstandigheden niet met zich brengt dat er niet langer sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.”
3.5
In de bewijsoverwegingen heeft het hof de volgende eigen waarnemingen opgenomen:
“(…)
Anders dan de verdediging constateert het hof met de politierechter dat de stills duidelijk en van goede kwaliteit zijn en dat de betrokken persoon voldoende zichtbaar in beeld is om op basis daarvan iemand te kunnen herkennen. Daarbij is van belang dat de waar te nemen persoonskenmerken onderscheidend zijn.
(…)
Het hof moet de raadsman toegeven dat niet alle door de verbalisanten beschreven uiterlijke kenmerken per still zijn waar te nemen. Deze omissies brengen echter niet reeds met zich dat het hof vanuit het oogpunt van betrouwbaarheid twijfelt aan de herkenningen van de verbalisanten. Het hof heeft tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in hoger beroep verdachte uitgebreid kunnen observeren en heeft waargenomen dat zijn gezichtsbeharing, de kromme stand van zijn neus(punt) en de vorm van zijn (kleine) mond in grote mate gelijkenissen vertoont met de persoon die op 25 januari 2020 geldbedragen opneemt bij de Rabobank te [plaats].
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de dader op de stills van de camerabeelden bij de A-Mac en de Rabobank te [plaats] naar zijn waarneming dezelfde trui en jas dragen, waarmee verdachte kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat het om dezelfde persoon gaat. Het hof stelt vast dat dit inderdaad het geval is.
Uit het dossier volgt voorts dat de persoon op de stills van de camerabeelden bij de T&T Telecom te [plaats] dezelfde persoon betreft als de persoon die op de stills van de camerabeelden bij de A-Mac te [plaats] is waar te nemen.
Het hof heeft ter terechtzitting waargenomen dat de dader die te zien is op de stills van de camerabeelden bij de A-Mac te [plaats] dezelfde haardracht en lengte heeft als de dader die te zien is op de stills van de camerabeelden bij de A-Mac te [plaats] en de T&T te [plaats]. Het hof stelt vast dat de haardracht van verdachte en de op de stills afgebeelde persoon in grote mate overeenkomt.
(…)”
4. Het eerste middel
4.1
In het middel wordt gesteld dat het hof het (voorwaardelijk) verzoek van de verdediging om ten aan zien van de getuigen à charge [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] het ondervragingsrecht te mogen uitoefenen ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
4.2
Het middel valt uiteen in drie deelklachten.
4.2.1
In de eerste plaats wordt gesteld dat de afwijzing van het verzoek van de verdediging hoofdzakelijk is gebaseerd op het late tijdstip waarop het verzoek is gedaan, waarmee het hof heeft miskend dat de verdachte het recht heeft om op enig moment in de procedure de getuigen à charge te (doen) ondervragen. Gelet op de gegeven motivering heeft het hof te veel gewicht toegekend aan het late tijdstip van het verzoek en mede daarom het verzoek ten onrechte afgewezen.
4.2.2
In de tweede plaats is volgens de steller van het middel het oordeel van het hof, dat de verdediging geen verklaring heeft gegeven voor het zeer late stadium waarin het verzoek is gedaan, niet zonder meer begrijpelijk. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt immers dat de raadsman op vragen van de voorzitter heeft toegelicht dat hij het bronmateriaal van de herkenningen – de stills – van zodanige slechte kwaliteit vond, dat mede gelet op de proceseconomie eerder niet is verzocht om de getuigen te ondervragen. Slechts als het hof tot een ander oordeel zou komen, achtte de raadsman het noodzakelijk om de getuigen te horen.
4.2.3
Ten derde is de overweging van het hof dat de getuigen redelijkerwijs niet meer binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord niet zonder meer begrijpelijk. Het verzoek werd gedaan op de terechtzitting van 25 juli 2024 en had betrekking op politieambtenaren die gemakkelijk op te roepen zijn. Ook bezien vanuit de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM was er ruimte de getuigen nog te horen en er speelden geen belangen van slachtoffers of benadeelde partijen.
4.3
Vergelijkbare zaken
4.4
De motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek staat niet op zichzelf. Soortgelijke motiveringen zijn te vinden in een aantal andere uitspraken van het hof Amsterdam1.en worden door andere hoven overgenomen. Hierbij wordt in verschillende bewoordingen gewezen op het capaciteitstekort in de strafrechtspleging ten gevolge waarvan last minute getuigenverzoeken de hoven een doorn in het oog zijn.
4.5
Op 10 juni 20252.deed de Hoge Raad uitspraak in een vergelijkbare zaak waarin het hof ’s-Hertogenbosch het (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de aangeefster en een getuige had afgewezen op de grond dat “in de rede had gelegen” het verzoek eerder te doen dan bij pleidooi in hoger beroep, terwijl “niet kan worden gezegd dat verdediging niet (reeds eerder) in de gelegenheid is gesteld om genoemde personen als getuigen te horen” waardoor het verzoek niet voldoet “aan de aan dergelijk verzoek te stellen eisen”. De Hoge Raad vond deze motivering niet toereikend en het oordeel dat het voorwaardelijk verzoek niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot ondervraging van getuigen kenbaar te maken, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, achtte de Hoge Raad op zichzelf in dit geval niet voldoende grond voor de afwijzing van zo’n verzoek.
4.6
Mijn ambtgenoten AG Keulen en AG Van Kempen hebben op respectievelijk 3 juni 20253.en 24 juni 20254.geconcludeerd in zaken waarin eveneens een bij pleidooi gedaan voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen à charge werd afgewezen met een vergelijkbare algemene overweging als die van het hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2023:457), waarnaar het hof in onderhavige zaak verwijst.
4.7
De bijzonderheid die zich in deze zaken voordeed was dat de verdediging – anders dan in onderhavige zaak – in een eerder stadium van de procedure bij het hof desgevraagd had verklaard geen onderzoekswensen te hebben of naar aanleiding van een dergelijke vraag geen onderzoekswensen had opgegeven en bij pleidooi daarop terugkwam door een voorwaardelijk getuigenverzoek te doen.
4.8
Keulen gaat in zijn conclusie in op de vraag of op grond hiervan kan worden aangenomen dat rechtsgeldig afstand van het ondervragingsrecht is gedaan. Van Kempen bespreekt uitvoerig of er sprake kan zijn van rechtsverwerking als een getuigenverzoek in een laat stadium wordt gedaan en onder welke omstandigheden kan worden aangenomen dat er (impliciet) afstand van recht is gedaan. Zowel Keulen als Van Kempen betrekken hierbij de rechtspraak van het EHRM en komen tot de conclusie dat de Straatsburgse jurisprudentie daarop geen duidelijke antwoorden geeft. Keulen, is van oordeel dat in de zaak waarin hij concludeert en waarin expliciet door de verdediging in een eerder stadium is verklaard dat er geen onderzoekswensen zijn, sprake is van afstand van het ondervragingsrecht. Hij stelt in zijn conclusie aan de Hoge Raad voor, een zogenaamde ‘advisory opnion’5.aan het EHRM te vragen “over de vraag of, en zo ja in welke gevallen, de verdachte op afstand van het ondervragingsrecht kan terugkomen, of in dat geval aan de motivering van een getuigenverzoek eisen mogen worden gesteld, en zo ja welke”.6.Van Kempen is terughoudender en meent in zijn conclusie dat er weinig ruimte is om aan te nemen dat bij het ondervragingsrecht van Keskin-getuigen sprake is van rechtsverwerking of afstand van recht. Dat geldt volgens hem ook voor de geoorloofdheid van het stellen van de voorwaarde aan de verdediging dat onderbouwd moet worden waarom het nodig is dat op het afzien van onderzoekswensen in een later stadium wordt teruggekomen.
4.9
Aangezien in de onderhavige zaak het hof geen vaststellingen heeft gedaan op grond waarvan kan worden aangenomen dat de verdediging in enig stadium van de procedure in hoger beroep heeft aangegeven géén onderzoekswensen te hebben en daarop bij pleidooi is teruggekomen, doet zich de vraag of sprake kan zijn van rechtsverwerking of afstand van recht in casu niet voor. Ik meen dan ook dat aansluiting moet worden gezocht bij de algemene lijn zoals deze is geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2025 dat ik hiervoor onder 4.4 heb aangehaald. Ook in onderhavige zaak is naar mijn inzicht het gegeven dat het voorwaardelijk getuigenverzoek pas bij pleidooi is gedaan, terwijl de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van eerdere mogelijkheden deze getuigenverzoeken te doen, op zichzelf onvoldoende grond voor de afwijzing van de het verzoek.
4.10
Met de steller van het middel ben ik bovendien van mening dat, zo van de verdediging al gevergd mag worden te motiveren waarom het verzoek zo laat wordt gedaan, de verdediging dit wel heeft toegelicht, zodat de overweging van het hof dat hier geen verklaring voor is gegeven niet zonder meer begrijpelijk is.
4.11
Ook de derde deelklacht treft doel. De motivering van de vaststelling dat de getuigen niet binnen aanvaardbare termijn zouden kunnen worden gehoord is op de gronden die in het de klacht naar voren worden gebracht evenmin begrijpelijk.
4.12
Dat leidt mij tot de conclusie dat er door het hof geen legitieme redenen ten grondslag zijn gelegd aan de beperking van het ondervragingsrecht. Daaraan doet niet af dat het hof, door zijn eigen waarneming op de terechtzitting in de bewijsvoering te verwerken, ervoor heeft gezorgd dat volgens het hof de herkenningen “niet meer kunnen worden aangemerkt als ‘sole en decisive’ , en het niet inwilligen van het voorwaardelijke verzoek onder de gegeven omstandigheden niet met zich brengt dat er niet langer sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.”
Staan blijft dat de herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die het hof in de aanvulling van zijn arrest bij de bewijsmiddelen heeft opgenomen. Gelet op de omstandigheid dat er geen beletselen waren de getuigen te (laten) horen, en het gewicht van de herkenningen in de bewijsconstructie, legt het feit dat het hof zijn eigen waarnemingen als compensatie voor het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid heeft aangemerkt in mijn ogen onvoldoende gewicht in de schaal om te kunnen spreken van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM.
4.13
Dus al met al ben ik van mening dat het eerste middel slaagt.
4.14
Daaraan wil ik tot slot nog het volgende toevoegen. Ik begrijp de frustratie bij de hoven ten aanzien van de bij pleidooi gedane voorwaardelijke getuigenverzoeken gelet op het effect hiervan op de zorgvuldig geplande en schaarse zittingstijd. De verwijzing door het hof naar de navolgende passage uit het arrest van het hof Amsterdam spreekt boekdelen:
“De verdediging houdt in zo‘n geval voor de inhoudelijke behandeling van de zaak de kaart van deze verzoeken tegen de borst, en legt deze bij de inhoudelijke behandeling als een joker op tafel, met als effect: als u niet doet wat ik vraag (bijvoorbeeld: een voor de verdachte gunstige bewijsbeslissing, strafmaat- of modaliteit), dan verliest u de ingeplande zittingstijd, moeten nog diverse getuigen worden gehoord en zal de zaak later opnieuw inhoudelijk moeten worden behandeld. Het behoeft geen betoog dat deze werkwijze, die op zijn minst op gespannen voet staat met beginselen van een behoorlijke procesorde, funest is voor de kwaliteit en de effectiviteit van de strafrechtspleging. Het hof is van oordeel dat binnen de kaders van de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de ruimte voor deze werkwijze van de verdediging moet worden beperkt.”
4.15
Deze ontboezeming doet denken aan de steeds terugkomende discussie over de vraag of de verdediging misbruik mag of kan maken van procesrechten als daardoor de voortgang van het strafproces wordt vertraagd, ook wel het ‘gooien van zand in de machine’ genoemd. Dat gaat altijd gepaard met een roep om het inperken van bevoegdheden over de hele linie. Ik heb dit in mijn wetenschappelijke werk, waarin de positie van de verdediging centraal stond, een gevaarlijke ontwikkeling gevonden en vind dat nog steeds.7.De raadsman heeft in ons strafproces de rol om partijdig voor de belangen van de verdachte op te komen. Dat is belangrijk in het kader van de effectuering van een eerlijk proces. Daarbij dient de verdachte de vrijheid te krijgen om zichzelf te verdedigen zoals hem goed dunkt. Daar hoeft hij naar buiten toe geen verantwoording over af te leggen. Hij hoeft niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Die vrijheid geldt ook voor de wijze waarop de verdediging gebruik maakt van processuele bevoegdheden. Strategisch gebruik maken van deze bevoegdheden is nog geen misbruik.
4.16
Dat betekent overigens niet dat ik vind dat het altijd verstandig is of in het belang van de verdachte, om bij het gebruik van processuele bevoegdheden tot het gaatje te gaan. Het beroep op het zwijgrecht pakt niet altijd goed uit, het oproepen van getuigen is ook vaak risicovol of zinloos. Maar dat is een afweging die de raadsman in overleg met zijn cliënt moet maken. Problematische aspecten die bij de verdediging aan de orde komen en afwegingen die moeten worden gemaakt of het zinvol is een bepaald verweer te voeren of een verzoek te doen, moeten in mijn ogen met de cliënten worden gedeeld en besproken zodat zij zelf kunnen beslissen welke richting er gekozen wordt en welke risico’s zij daarbij lopen. De belangrijkste “onderhandelingen” die in het strafproces gevoerd worden zijn die tussen de advocaat en zijn cliënt in de beslotenheid van hun contact. Dat zijn naar mijn overtuiging de écht wezenlijke elementen van een eerlijk proces: de verdachte serieus nemen. En dat is niet hetzelfde als klakkeloos doen wat de verdachte wil, ook al vergt dat van de advocaat vaak minder inspanning. Een rechter kan niet beoordelen wat zich in dit vertrouwelijke voortraject van de zitting heeft afgespeeld en daar kan door de raadsman op de zitting, tenzij hij dat met zijn cliënt heeft afgesproken, ook geen openheid over worden verlangd.
4.17
Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat er terughoudendheid zou moeten worden betracht om alle gevallen waarin op het laatste moment gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden, zoals het verzoek om getuigen te horen, over één kam te scheren en bij wijze van spreken als misbruik van procesrecht te bestempelen, waaraan paal en perk zou moeten worden gesteld.
4.18
Ik weet niet wat in onderhavige zaak de (interne) processtrategie van de verdediging is geweest, maar uit wat de raadsman hierover naar voren heeft gebracht kan ik niet opmaken dat er bewust is aangestuurd op onnodige vertraging van het strafproces of verkwisting van zittingstijd. Integendeel. Het is immers inherent aan ons strafprocessuele systeem dat pas na afloop van de zitting in raadkamer de afweging moet worden gemaakt of een getuige al dan niet moet worden gehoord, gelet op de weging van het andere bewijs in het dossier en de beoordeling of de procedure in zijn geheel in overeenstemming kan worden geacht met art. 6 EVRM.8.Dat er in dat verband voorwaardelijke verzoeken worden gedaan om nog niet gehoorde getuigen op te roepen als de rechter van hun verklaringen gebruik gaat maken in de bewijsvoering, vloeit hieruit voort. Een raadsman die dat niet doet verzaakt zijn plicht, ook met het oog op een eventuele cassatieprocedure of een klacht in Straatsburg. Dan zijn de rechtsmiddelen immers niet uitgeput.
5. Slotsom
5.1
Het eerste middel slaagt en gelet daarop hoeft het tweede middel niet besproken te worden.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑09‑2025
HR 10 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:778.
Conclusie B.F. Keulen, 3 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:630.
Conclusie P.H.P.H.M.C. van Kempen, 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:714.
Zestiende protocol bij het EVRM, Trb. 2013, 241.
Zie Conclusie B.F. Keulen, 3 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:630, onder 71. Hij concretiseert deze vragen onder 76 als volgt: “Al met al geef ik Uw Raad in overweging een ‘advisory opinion’ te verzoeken die is toegespitst op (1) de vraag of het aan het begin van het onderzoek ter terechtzitting afstand doen van het recht om getuigen te doen oproepen kan worden aangemerkt als een afstand van ondervragingsrecht en, zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, (2) de vraag of de verdachte in het verdere verloop van dat onderzoek ter terechtzitting zonder meer op die afstand van het ondervragingsrecht kan terugkomen en, zo deze vraag ontkennend wordt beantwoord, (3) de vraag of het terugkomen op de afstand van het ondervragingsrecht een basis moet hebben in veranderde omstandigheden en door de verdediging in het licht daarvan moet worden toegelicht.”
Zie onder andere mijn proefschrift, Verdediging, een onderzoek naar de normering van het optreden van advocaten in srafzaken, 2001, met name par. 1.11 e.v. en Ties Prakken & Taru Spronken, Handboek Verdediging, Kluwer, Deventer, tweede druk 2009, p. 9 e.v.
Zie o.a. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418 en HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1461.
Beroepschrift 01‑05‑2025
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
betekening aanzegging ex artikel 435 lid 1 Sv op 7 maart 2025
SCHRIFTUUR HOUDENDE
MIDDELEN VAN CASSATIEXXblockendXX
inzake
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats]
verzoeker tot cassatie van een hem betreffend arrest van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 augustus 2024 in de zaak met parketnummer 21-001804-23
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid met zich meebrengt. Met name zijn geschonden artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM alsmede de artikelen 315, 328 en 331 Sv in verbinding met 415 Sv, aangezien het hof het verzoek van de verdediging om ten aanzien van de getuigen à charge [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] het ondervragingsrecht te mogen uitoefenen ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
Toelichting
1.
In onderhavige zaak is verzoeker in eerste aanleg veroordeeld wegens witwassen. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld. In appel is onder meer aangevoerd dat de bewezenverklaring in beslissende mate is gebaseerd op herkenningen van politieambtenaren, terwijl de betrouwbaarheid van die herkenningen wordt betwist, mede gelet op de zeer slechte kwaliteit van de stills waarop die herkenningen blijkens het dossier zijn gebaseerd. Daarop is namelijk, zo is in hoger beroep bepleit, dikwijls geen sprake van waarneembare persoonskenmerken (pleitnota, p. 1 t/m 13).
2.
Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 juli 2024 heeft de raadsman van verzoeker een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de getuigen à charge [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3].
3.
De pleitnota vermeldt het volgende verzoek (p. 13, met weglating van randnummers):
‘Voorwaardelijk verzoek
Indien u cliënt niet aanstonds vrijspreekt verzoek ik uw hof om de zaak aan te houden en te verwijzen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en. [verbalisant 3].
De verdediging wil hen in dat geval aan de hand van de stills in het dossier bevragen over de totstandkoming van de gestelde herkenningen, gelet op de eerdergenoemde onjuistheden en inconsistenties in die herkenningen. De verdediging wil hen verder vragen of zij onderling hebben overlegd, zodat de totstandkoming van de herkenningen toetsbaar is.
Nu al deze getuigen belastend hebben verklaard over cliënt is het horen van deze getuigen reeds op grond van de Keskin-jurisprudentie aangewezen. De verdediging meent overigens ook dat het horen van deze getuigen noodzakelijk is met het oog op de volledigheid van het onderzoek.
Indien het verzoek wordt afgewezen geldt dat er geen gegronde reden is om de verzoeken af te wijzen, de door deze verbalisanten opgestelde verbalen zonder meer decisive zijn voor de bewezenverklaring en er geen enkele waarborg kan worden geboden die als voldoende compensatie kan gelden voor het niet horen van deze getuigen. Om die reden zou een veroordeling van cliënt bij die stand van zaken in strijd zijn met art. 6 EVRM.’
4.
Voorts vermeldt het proces-verbaal van de zitting het volgende (p. 5):
‘Op vragen van de voorzitter antwoordt de raadsman:
U geeft aan dat deze strafzaak vanaf het begin in essentie draait om de betrouwbaarheid van de herkenningen. In eerste aanleg heeft de verdediging de rechtbank niet verzocht om de verbalisanten te laten horen als getuigen. Na het instellen van het hoger beroep heeft de verdediging ook niet bij appelschriftuur onderzoekswensen opgegeven. Aan het eind van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep komt de verdediging met een voorwaardelijk verzoek, inhoudende het horen van de verbalisanten. U vraagt aan mij waarom ik dit in zo'n laat stadium verzoek.
Ik begrijp de vraag heel goed en ik begrijp dat het moment waarop het verzoek wordt gedaan vervelend kan zijn. De verdediging vindt het horen van de verbalisanten op zichzelf niet nodig als onderzoek. De verdediging blijft het verweer voeren dat de herkenningen niet betrouwbaar zijn. Dit geldt ook voor het geval de verbalisanten worden gehoord en zij hun herkenningen bevestigen of nader toelichten. Dit zijn de stills op basis waarvan de herkenningen hebben plaatsgevonden. De stills zijn niet duidelijk en de verdediging meent dat er op basis van deze stills geen herkenningen kunnen plaatsvinden. De verdediging verzoekt het horen van de verbalisanten voor de zekerheid nu voorwaardelijk. Ook gelet op de proces-economie heeft de verdediging dit niet op een eerder moment verzocht.
U vraagt aan mij wat ik bedoel met de proces-economie. U houdt mij voor dat de getuigen inmiddels al gehoord hadden kunnen zijn door de raadsheer-commissaris als de verdediging dit bij appelschriftuur had verzocht.
De verdediging begrijpt het voor zover het voorwaardelijk verzoek tot frustratie bij het hof leidt. De verdediging vindt het op zichzelf geen noodzakelijk onderzoek, behalve als het hof een ander oordeel is toegedaan dan het standpunt van de verdediging en de herkenningen wel voldoende betrouwbaar acht. Dat is de reden dat de verdediging het als voorwaardelijk verzoek naar voren brengt. Wat de verdediging betreft is de zaak duidelijk.’
5.
Bij eindarrest is het betreffende verzoek als volgt samengevat en verworpen (p. 4–7):
‘Voorwaardelijk verzoek
Verzoek van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan om de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] te horen, indien het hof tot een bewezenverklaring zal komen van hetgeen verdachte is tenlastegelegd. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat deze verbalisanten, als decisive te kenmerken, belastend hebben verklaard over verdachte en dat het horen van deze verbalisanten op grond van de Keskin- jurisprudentie is aangewezen. Het niet horen van deze verbalisanten zou in strijd zijn met artikel 6 van het EVRM.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep verzet tegen toewijzing van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging. Het voorwaardelijk verzoek is in een erg laat stadium gedaan en bovendien betreffen de herkenningen van de verbalisanten niet de enige bewijsmiddelen in het dossier en kan het hof de ter terechtzitting gedane waarnemingen gebruiken voor het bewijs.
Oordeel van het hof
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld. Het hof ziet zich in de onderhavige zaak voor de vraag gesteld of een ondervragingsgelegenheid kan en moet worden gerealiseerd met betrekking tot de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin volgt echter niet dat het ondervragingsrecht met zich brengt dat een verzoek van de verdediging tot het horen van een getuige die een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, steeds voor toewijzing in aanmerking komt. Als het verzoek niet wordt toegewezen zal de rechter bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken Van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn
- (i)
de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt,
- (ii)
het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en
- (iii)
het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd.
De omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om een verzoek te doen een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, biedt op zichzelf geen grond voor de afwijzing van zo'n verzoek. Dat neemt niet weg dat een dergelijke inactiviteit van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de, hierboven besproken, beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen.
Onderzoek van de zaak
Verdachte is veroordeeld bij vonnis van de politierechter Midden-Nederland d.d. 11 april 2023. Verdachte is in eerste aanleg niet verschenen. Zijn op dat moment gemachtigd raadsman, mr. E.M. Steller, is wel ter terechtzitting verschenen. Namens verdachte is door deze raadsman gemotiveerd verweer gevoerd op de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten. Desondanks zijn deze herkenningen door de politierechter gebezigd voor het bewijs van hetgeen verdachte is tenlastegelegd.
Tegen dit vonnis is op 12 april 2023 hoger beroep ingesteld door verdachte. Bij schriftuur, noch in de aanloop naar de terechtzitting in hoger beroep op 25 juli 2024 zijn door de verdediging onderzoekswensen ingediend.
Oordeel van het hof
Het hof weegt bij het beoordelen van het voorwaardelijk verzoek van de raadsman mee dat het verzoek pas is gedaan aan het eind van zijn pleidooi tijdens de inhoudelijke behandeling van onderhavige strafzaak in hoger beroep.
Op dit punt sluit het hof aan bij de overwegingen van een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS2023:457) voor zover daarin het volgende is overwogen:
‘De Nederlandse strafrechtspleging kampt al geruime tijd met een fors capaciteitstekort. Voor de rechtspraak betekent dit onder meer dat de beschikbare zittingscapaciteit zo efficiënt mogelijk moet worden benut. Cruciaal daarvoor is dat zaken pas voor een inhoudelijke behandeling op een zitting worden gepland, als al het daaraan voorafgaande onderzoek gereed is. Anders moeten zaken ter zitting alsnog worden aangehouden. Dan gaat niet alleen kostbare zittingstijd verloren, maar ook veel van de tijd die is gestoken in de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling door de betrokken raadsheren, de griffier, de advocaatgeneraal, de advocaten van de verdachte en de benadeelde partij. Nog daargelaten dat de verdachte en benadeelden of slachtoffers daardoor langer in onzekerheid verkeren en de afdoening van zaken binnen een redelijke termijn bemoeilijkt wordt. (…) De verdediging houdt in zo'n geval voor de inhoudelijke behandeling van de zaak de kaart van deze verzoeken tegen de borst, en legt deze bij de inhoudelijke behandeling als een joker op tafel, met als effect: als u niet doet wat ik vraag (bijvoorbeeld: een voor de verdachte gunstige bewijsbeslissing strafmaat- of modaliteit), dan verliest u de ingeplande zittingstijd, moeten nog diverse getuigen worden geboord en zal de zaak later opnieuw inhoudelijk moeten worden behandeld. Het behoeft geen betoog dat deze werkwijze, die op zijn minst op gespannen voet staat met beginselen van een behoorlijke procesorde, funest is voor de kwaliteit en de effectiviteit van de strafrechtspleging. Het hof is van oordeel dat binnen de kaders van de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de ruimte voor deze werkwijze van de verdediging moet worden beperkt’
Het hof heeft de raadsman ter terechtzitting bevraagd over de reden waarom dit voorwaardelijke verzoek pas in dit zeer late stadium is gedaan. Daarop is geen ander antwoord gekomen dan dat de verdediging de vraag van het hof begrijpt, maar dat het niet anders is. Het hof weegt bovenstaande context mee bij de beoordeling van de vraag of het verzoek moet worden toegewezen en bij de beoordeling van de eerlijkheid van het proces in zijn geheel.
Het hof is zich ervan bewust dat de verklaringen en herkenningen van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] door de politierechter voor het bewijs zijn gebezigd. De verdediging is nog niet in de gelegenheid geweest deze getuigen te ondervragen. Zou de verdediging in enig eerder stadium bij de rechtbank of bij het hof om het horen van deze getuigen hebben verzocht, dan zou dat verzoek na toetsing waarschijnlijk voor toewijzing gereed hebben gelegen in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad.
Dat ligt naar het oordeel van het hof in dit stadium van het strafgeding anders. Hierbij speelt al het voorgaande mee, maar met name:
- —
Het feit dat het in deze strafzaak, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in essentie draait om de betrouwbaarheid van de herkenningen. Door mr. E.M. Steller is in eerste aanleg reeds uitgebreid verweer gevoerd op de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten;
- —
Het feit dat deze herkenningen door de politierechter ondanks de verweren op goede gronden wel voor het bewijs zijn gebruikt en het gegeven dat het hoger beroep zich volledig richtte op deze herkenningen;
- —
Het feit dat na het instellen van het hoger beroep bij schriftuur, noch schriftelijk voorafgaande aan de zitting in hoger beroep is verzocht om het horen van deze getuigen;
- —
Het feit dat er in hoger beroep geen nieuwe argumenten naar voren zijn gebracht tegen het gebruik van de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3];
- —
Het feit dat de verdediging geen verklaring heeft gegeven voor het zeer late stadium waarin het verzoek is gedaan;
- —
Het feit dat verdachte ter zitting in hoger beroep is verschenen en daarmee het hof zelf waarnemingen heeft kunnen doen.
Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de verzochte getuigen redelijkerwijs niet meer binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord en dat, alles afwegende, mede gelet op het niet toegelichte gebrek aan activiteit van de zijde van de verdediging inzake het horen van getuigen, thans een voortvarende en tijdige afdoening van de strafzaak moet prevaleren. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Naar het oordeel van het hof is de beperking van het ondervragingsrecht voldoende gecompenseerd, doordat de betrouwbaarheid van deze getuigen in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel en door de eigen waarnemingen van het hof. De getuigenverklaringen staan daarmee niet langer op zichzelf. De herkenningen wijzen telkens in dezelfde richting en worden voorts ondersteund door de waarnemingen van het hof gedaan ter terechtzitting van 25 juli 2024. Het hof is behoedzaam met de verklaringen van de getuigen omgegaan. Hun verklaringen worden alleen voor het bewijs gebruikt voor zover zij in voldoende mate steun vinden in de ter zitting gedane waarnemingen door het hof.
Anders dan de raadsman stelt, is het hof van oordeel, nu de herkenningen niet meer kunnen worden aangemerkt als ‘sole en decisive’, dat het niet inwilligen van het voorwaardelijke verzoek onder de gegeven omstandigheden niet met zich brengt dat er niet langer sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.’
6.
Het hof wil, zo mag uit de lijvige motivering worden afgeleid, paal en perk stellen aan verzoeken die in een laat stadium worden gedaan. Ter terechtzitting heeft de raadsman van verzoeker begrip getoond voor de organisatorische gevolgen van late verzoeken, maar wel benadrukt dat het ondervragingsrecht als onderdeel van het recht op een eerlijk proces vooropstaat.
7.
Vooropgesteld moet worden — en dat heeft het hof terecht als uitgangspunt genomen — dat uit de Keskinjurisprudentie1. voortvloeit dat bij een getuige à charge op voorhand moet worden aangenomen dat voldoende belang bestaat om de getuige te ondervragen. In zoverre kan van de verdediging niet worden gevergd het belang van het ondervragen van zo een getuige aannemelijk te maken. Ook heeft het hof met juistheid overwogen dat het late stadium waarin een verzoek wordt gedaan op zichzelf onvoldoende grond vormt voor de afwijzing daarvan.
8.
Verzoeker meent niettemin dat het hof het verzoek tot het horen van de verbalisanten ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
9.
In de eerste plaats meent verzoeker dat uit de hiervoor weergegeven motivering van het hof blijkt dat de afwijzing wel degelijk hoofdzakelijk is gebaseerd op het late tijdstip waarop het verzoek is gedaan. Daarmee miskent het hof het ondervragingsrecht dat verzoeker het recht geeft op enig moment in de procedure de getuigen à charge te (doen) ondervragen. Het hof heeft gelet op de motivering van de afwijzing te veel gewicht toegekend aan het late tijdstip van het verzoek en mede daarom het verzoek ten onrechte afgewezen.
10.
Ten tweede is 's hofs oordeel dat ‘de verdediging geen verklaring heeft gegeven voor het zeer late stadium waarin het verzoek is gedaan’ (p. 7) niet zonder meer begrijpelijk. Immers blijkt uit het proces-verbaal zoals hiervoor weergegeven dat de raadsman naar aanleiding van vragen van de voorzitter heeft toegelicht dat hij het bronmateriaal van de herkenningen — de stills — van zodanig slechte kwaliteit vond, dat mede gelet op de proceseconomie eerder niet is verzocht om de getuigen te ondervragen. Slechts als het hof tot een ander oordeel zou komen, achtte de raadsman het noodzakelijk om de getuigen te horen. Wat daar ook van zij, vastgesteld moet worden dat de raadsman heeft verklaard waarom gekozen is voor een voorwaardelijk verzoek in dit stadium van het geding.
11.
Ten derde is 's hofs overweging dat de getuigen redelijkerwijs niet meer binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord (p. 7) niet zonder meer begrijpelijk. Uit de kernstukken blijkt dat op 12 april 2023 hoger beroep is ingesteld. Het verzoek werd gedaan ter terechtzitting op 25 juli 2024. Het verzoek zag op drie getuigen, te weten politieambtenaren, terwijl een feit van algemene bekendheid is dat die gemakkelijk op te roepen zijn. Ook bezien vanuit de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM bestond dus nog ruimte om de getuigen te kunnen horen. Niet gesteld of gebleken is dat in deze zaak belangen van slachtoffers of benadeelde partijen speelden. 's Hofs oordeel dat de getuigen niet meer binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord is — zonder nadere motivering die ontbreekt — niet begrijpelijk.
12.
Verzoeker meent dan ook dat de afwijzing van het verzoek tot het horen als getuige van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd is verworpen, zodat het ondervragingsrecht ex artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM is geschonden. Het arrest lijdt daardoor aan nietigheid.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid met zich meebrengt. Met name zijn geschonden artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM alsmede de artikelen 350, 358, 359, 415 Sv omdat het hof door de doorslaggevende verklaringen van de niet-ondervraagde getuigen [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] voor het bewijs te bezigen en de daardoor ontstane nadelige positie van de verdediging niet te compenseren, het ondervragingsrecht van verzoeker en zijn recht op een eerlijk proces heeft geschonden.
Toelichting
1.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep een gemotiveerd (voorwaardelijk) verzoek gedaan om de getuigen à charge [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] te mogen ondervragen. Dit verzoek is, zoals hiervoor in het eerste middel weergeven, afgewezen.
2.
In het bestreden arrest is het hof tot een bewezenverklaring gekomen (gekwalificeerd als witwassen). De bewijsvoering bestaat grotendeels uit processen-verbaal van herkenning van de drie genoemde verbalisanten. De aanvulling op het verkorte arrest bestaat uit twee delen met een eigen nummering. Het eerste deel heeft als kop ‘Ten aanzien van A-Mac te Bussum (€ 6.954,00) en de Rabobank te Bussum (€ 2.900,00)’ en bestaat uit b.m. 1 t/m 9. Het tweede deel heeft als kop ‘Ten aanzien van A-Mac te Amersfoort (€ 8.923,00) en van T&T te Hilversum (€ 1.000,50)’ en bestaat uit b.m. 1 t/m 4.
3.
Het hof heeft in het arrest overwogen dat ‘het in deze strafzaak (…) in essentie draait om de betrouwbaarheid van de herkenningen’ (p. 7). Ook de verdediging stelde zich in hoger beroep op dat standpunt (pleitnota, p. 1). Niettemin is zoals gezegd het verzoek tot het horen van de getuigen, bedoeld om de betrouwbaarheid van de herkenningen te kunnen toetsen, afgewezen.
4.
Gelet op de welbekende drie stappen voortvloeiend uit de Straatsburgse rechtspraak2. stelt verzoeker vast dat het hof geen goede reden heeft gegeven voor het niet mogen uitoefenen van het ondervragingsrecht. Het verzoek zag op drie getuigen, te weten politieambtenaren, terwijl een feit van algemene bekendheid is dat die gemakkelijk op te roepen zijn.
5.
Voorts meent verzoeker dat de verklaringen3. van [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ten minste als decisive evidence kunnen gelden. Daaraan doet niet af dat het hof heeft overwogen dat het ook de eigen waarneming van de stills en van verdachte op zitting voor het bewijs gebruikt. Ten eerste gelden de herkenningen nog immer als beslissend bewijs, gelet op de uitvoerige weergave daarvan in de aanvulling op het verkorte arrest. Ten tweede heeft het hof de eigen waarneming alleen gebruikt als b.m. 8 in het onderdeel ‘ Ten aanzien van A-Mac te Bussum (€ 6.954,00) en de Rabobank te Bussum (€ 2.900,00)’ van de bewijsvoering. In het onderdeel ‘Ten aanzien van A-Mac te Amersfoort (€ 8.923,00) en van T&T te Hilversum (€ 1.000,50)’ is de eigen waarneming van het hof niet gebruikt, zodat in zoverre in het geheel geen sprake is van steunbewijs. De verklaringen van [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zijn dus aan te merken als decisive evidence.
6.
Ten slotte meent verzoeker dat er onvoldoende compenserende maatregelen zijn geboden om de nadelige positie van de verdediging te compenseren. Het hof heeft slechts overwogen dat de betrouwbaarheid van deze getuigen ‘in toereikende mate kan worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het dossier als geheel en door de eigen waarnemingen van het hof’. Verzoeker vermag niet in te zien hoe de inhoud van het onderhavige dossier als compenserende waarborg zou kunnen gelden, nu de betrouwbaarheid van herkenningen niet in volle omvang aan de hand van het dossier kan worden beoordeeld. Het ontbreken van compenserende maatregelen wreekt zich des te meer nu het hof nota bene heeft vastgesteld dat ‘niet alle door de verbalisanten beschreven kenmerken per still zijn waar te nemen’ (arrest, p. 3). De raadsman wilde het ondervragingsrecht uitoefenen om de totstandkoming en betrouwbaarheid van de gestelde herkenningen te kunnen toetsen. Gelet op het voorgaande zijn er onvoldoende compenserende maatregelen geboden.
7.
Gelet op het voorgaande heeft het hof, door de verklaringen van de niet-getoetste getuigen [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] voor het bewijs te bezigen en de daardoor ontstane nadelige positie van de verdediging niet te compenseren, het ondervragingsrecht van verzoeker en zijn recht op een eerlijk proces geschonden.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie.
Amsterdam, 1 mei 2025
mr. M. Berndsen
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 01‑05‑2025
Hoewel het hier formeel gaat om processen-verbaal hanteer ik in deze schriftuur het begrip ‘verklaring’, nu deze geschriften van verbalisanten gelden als verklaringen van een ‘witness/temoin’ in de zin van de Straatsburgse rechtspraak.