Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/4.2.1
4.2.1 Vennootschappelijke medezeggenschap in historisch perspectief
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS386153:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Commissie Verdam (1964), p. 2.
Commissie Verdam (1964), p. 23.
SER (1969).
Schut (1971), p. 307.
Wet van 6 mei 1971, Stb. 1971, 289. De wet trad grotendeels in werking op 1 juli 1971. De bepalingen werden oorspronkelijk neergelegd in het Wetboek van Koophandel. In 1976 werden de bepalingen geïncorporeerd in boek 2 BW.
SER (1984).
Asser, Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 519.
Met de term corporate governance wordt doorgaans het samenstel van regels en factoren aangeduid dat bepalend is voor de machtsverhoudingen binnen ondernemingen en in het bijzonder bij ondernemingen die in stand worden gehouden door grote - al dan niet beursgenoteerde - vennootschappen.
Zie Koning (1997), p. 14; Honée (1996); Boot (1995), p. 280-281; Van der Grinten (1994), p. 86-87; Brink (1993), p. 258; Glasz (1993), p. 261-262; Van den Hoek (1992), p. 278.
Kamerstukken II 1999/00, 25 732, nr. 13.
SER (2001).
Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 2.
Het wetsvoorstel kende kort gezegd drie categorieën: i) wijzigingen in de structuurregeling, ii) overige wijzigingen, ongeacht of de structuurregeling van kracht is (de zogenaamde ‘smokkelwaar’) en iii) de verankering van de Corporate Governance Code in boek 2 BW.
Tot de jaren zestig van de vorige eeuw beschouwden juristen de vennootschap en de onderneming als twee huizen onder één kap. In het ene huis woonden de werknemers met een ondernemingsraad en in het andere huis woonden de aandeelhouders met ‘hun’ bestuur en eventueel een raad van commissarissen. In de jaren zestig is deze zienswijze gaan kantelen. Gewijzigde inzichten met betrekking tot de verhoudingen in een onderneming leidden tot de instelling van de Commissie Verdam. Deze commissie had tot taak te onderzoeken of de rechtsvorm van de onderneming herziening behoefde. De aandacht ging uit naar het bestuur en het toezicht bij grote ondernemingen, alsmede de publieke verantwoording van de onderneming.1 De Commissie Verdam constateerde in haar rapport dat de aandeelhouders van grote ondernemingen zich in de praktijk nauwelijks nog met de onderneming bemoeiden en dat de leiding in hoge mate autonoom was geworden. Onder die omstandigheden paste het volgens de meerderheid van de commissieleden niet dat eenzijdig aan de aandeelhouders belangrijke bevoegdheden toekwamen, terwijl de werknemers die dikwijls voor hun gehele bestaan van de onderneming afhankelijk waren, op deze aangelegenheden geen invloed hadden.2
De Commissie Verdam stelde voor de medezeggenschap van werknemers in grote ondernemingen vorm te geven door een raad van commissarissen verplicht te stellen en de werknemers, naast de aandeelhouders, invloed toe te kennen op de samenstelling daarvan. Over de wijze waarop die invloed gestalte moest krijgen, was de commissie verdeeld. Een kleine meerderheid bepleitte werknemers de bevoegdheid te geven tot de benoeming van ten minste één lid van de raad van commissarissen en, indien de raad uit meer dan vijf personen zou bestaan, van ten minste twee leden. Een minderheid voorzag bij deze constructie problemen in een goede functionering van de raad van commissarissen, aangezien de samenstelling deels zou bestaan uit ‘kapitaalscommissarissen’ en deels uit ‘arbeidscommissarissen’.
Op verzoek van het toenmalige kabinet bracht de SER in 1969 advies uit over de voorstellen van de Commissie Verdam.3 Aanvankelijk zag het ernaar uit dat de tegengestelde standpunten binnen de Commissie Verdam eveneens binnen de SER zouden worden ingenomen. Als gevolg van een op het laatste moment bereikt compromis kon de SER alsnog een unaniem advies uitbrengen.4 Dit SER-advies lag ten grondslag aan de eerste wettelijke regeling inzake medezeggenschap die in 1971 in werking trad (Structuurwet).5 De wet gold aanvankelijk uitsluitend voor grote naamloze en besloten vennootschappen, maar werd in 1988 ook (in beperkte vorm) van toepassing op grote coöperaties en grote onderlinge waarborgmaatschappijen. De wet had tot gevolg dat de werknemers uit de onderneming via de raad van commissarissen de vennootschap instapten. Dit gebeurde via een stelsel van gecontroleerde coöptatie. Vennootschappen die onder het toepassingsbereik van de Structuurwet vielen (ook wel structuurvennootschappen genoemd), werden verplicht een raad van commissarissen in te stellen. De raad verkreeg het recht zijn eigen commissarissen te benoemen, maar aan de ondernemingsraad en de algemene vergadering kwam het recht toe personen aan te bevelen en tegen een voorgenomen benoeming bezwaar te maken. Daarnaast kende de Structuurwet aan de raad van commissarissen bepaalde bevoegdheden toe die voorheen bij de algemene vergadering lagen.
De Structuurwet maakte geen einde aan de discussie over de rol die werknemers op vennootschapsniveau moesten krijgen. In 1978 vroeg de toenmalige regering opnieuw advies aan de SER. De adviesaanvraag had betrekking op de wenselijkheid tot wijziging van de structuurregeling. De idee van het kabinet was dat aandeelhouders en werknemers ieder een derde deel van de commissarissen konden aanwijzen en de twee delen tezamen het derde deel zouden coöpteren. De SER kwam in 1984 met een verdeeld advies.6 De ondernemersleden en de meeste kroonleden bepleitten handhaving van het bestaande systeem. De werknemersleden en één kroonlid adviseerden tot een wijziging van het stelsel van de controleerde coöptatie naar een rechtstreeks benoemingsrecht. De regering sloot zich aan bij de meerderheid en handhaafde het bestaande stelsel. Een belangrijke overweging was dat de eenheid van de raad van commissarissen beter zou zijn gewaarborgd bij het coöptatiestelsel dan bij een benoemingsstelsel. Deze laatste variant kon aanleiding geven tot fractievorming en polarisatie.7
Hierna was het enige tijd rustig rondom het onderwerp. De discussie laaide weer op in de jaren negentig. Dit gebeurde mede onder invloed van de initiatieven in EUverband.8 Het was de vraag of de structuurregeling nog wel voldeed aan de eisen op het gebied van corporate governance.9 De discussie spitste zich toe op de benoemingswijze van commissarissen en de invloed daarop van de belangrijkste stakeholders binnen de onderneming: aandeelhouders en werknemers. De veel gehoorde kritiek was dat het model van gecontroleerde coöptatie in de hand zou werken dat de raad van commissarissen onvoldoende alert optrad, doordat de raad uitsluitend aan zichzelf verantwoording schuldig was.10 Dit zou de raad van commissarissen ongevoelig maken voor kritiek van de stakeholders.
De discussie bracht het kabinet als ook de Tweede Kamer11 ertoe in februari 2000 (wederom) advies in te winnen bij de SER. De adviesvraag richtte zich op de toekomst en het functioneren van de structuurregeling. Het SER-advies was unaniem.12 De SER herhaalde zijn steun voor de constructie dat de structuurregeling naast de invloed van kapitaalverschaffers ook de medezeggenschap van werknemers verankerde. Wel meende de SER dat het bestaande stelsel inzake de samenstelling van de raad van commissarissen toe was aan een heroverweging. Het voorstel kwam er in de kern op neer dat de algemene vergadering, op voordracht van de raad van commissarissen, de commissarissen zou moeten benoemen. De algemene vergadering en de ondernemingsraad behielden het recht personen voor benoeming tot commissaris aan te bevelen, met dien verstande dat de ondernemingsraad een bijzonder voordrachtsrecht kreeg voor ten hoogste een derde van het aantal commissarissen. Het wetsvoorstel van 8 januari 2002 was in grote mate op het SER-advies gebaseerd.13 De wetswijziging werd in de memorie van toelichting als volgt toegelicht: ‘Gelet op de internationale economie van ons land moet worden gewaakt tegen wettelijke voorschriften die te zeer afwijken van hetgeen in de ons omringende landen gebruikelijk is. (…) Naar ons oordeel passen de voorstellen in de internationale ontwikkelingen rond corporate governance, vooral waar het gaat om het recht van de aandeelhouders de commissarissen te benoemen en te ontslaan. (…) Tegelijkertijd doet het voorstel recht aan het hier te lande bereikte niveau van medezeggenschap, in het bijzonder door het versterkte aanbevelingsrecht van de ondernemingsraad.’14
De behandeling van het wetsvoorstel verliep niet zonder slag of stoot. De Tweede Kamer diende tal van amendementen in. Veel van de amendementen zagen op aspecten die niets met de structuurregeling van doen hadden.15 De wet trad uiteindelijk op 1 oktober 2004 in werking en is tot op heden van toepassing. Met inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht per 1 januari 2013 is de verplichting voor structuurvennootschappen tot het instellen van een raad van commissarissen komen te vervallen. Thans kan een structuurvennootschap ook kiezen voor een monistische bestuursstructuur waarin de structuurbevoegdheden van de werknemers betrekking hebben op de niet-uitvoerende leden van het bestuursorgaan.
Het vennootschappelijke medezeggenschapsterrein is per 1 juli 2010 uitgebreid met een spreekrecht. Het spreekrecht geeft de ondernemingsraad onder meer de bevoegheid voorafgaand aan de desbetreffende algemene aandeelhoudersvergadering zijn standpunt te bepalen met betrekking tot een voorgenomen benoeming of ontslag van een bestuurder dan wel commissaris in een NV