Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.4.3:IV.4.3 Een stapje terug
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.4.3
IV.4.3 Een stapje terug
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460262:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er zijn zoveel argumenten denkbaar tegen de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in het externe bestuurdersaansprakelijkheidsrecht op grond van onrechtmatige daad, dat het makkelijk is om het zicht te verliezen op het totaalplaatje. Wie een stapje terug doet, ziet dat de ernstig verwijt-maatstaf een vreemde eend in de bijt is in het onrechtmatigedaadsrecht. Mijns inziens is de maatstaf een ongefundeerde, oneerlijke, en verwarrende uitzondering op een heldere hoofdregel, namelijk dat voor een vordering tot schadevergoeding wegens een onrechtmatige daad de vereisten van artikel 6:162 BW gelden. Bij gebrek aan wettelijke grondslag en steekhoudende argumenten voor het afwijken van dit wettelijke uitgangspunt, zouden ook voor bestuurdersaansprakelijkheid de gewone vereisten van de onrechtmatige daad moeten gelden.
En tóch wordt de ernstig verwijt-maatstaf nog standaard toegepast in het kader van externe bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Moet deze diepgewortelde doctrine desalniettemin als een gegeven worden beschouwd?1 Assink schrijft daarover:2
“Hoewel de literatuur zich blijft roeren over dit onderwerp, niet zelden in kritische zin, geeft de Hoge Raad geen krimp en houdt hij vast aan de aldus ingezette en doorgetrokken lijn. Dit laatste valt op zichzelf te begrijpen en is ook van waarde, gelet op het vrij imposante bouwwerk dat inmiddels rond deze lijn is opgetrokken in de rechtspraak, al was een andere lijn – specifiek wat betreft hantering van een ernstig verwijt maatstaf als centraal scharnier – ook denkbaar geweest.
Hierna beoog ik niet zozeer die vigerende lijn te bestrijden, want die beschouw ik onderhand als een gegeven en op zich hanteerbaar (wat bestrijding ervan ook weinig vruchtbaar maakt), als wel het nader doordenken van de onderhavige materie en problematiek binnen die lijn – en daarmee de hanteerbaarheid ervan – verder te brengen. Dit laatste doe ik vanuit de gedachte dat de ernstig verwijt maatstaf inmiddels zozeer verweven is in het reeds ontwikkelde bestuurdersaansprakelijkheidsrecht ex (art. 2:9 BW en) art. 6:162 BW, dat daarvan realiter verder uitgegaan dient te worden; dit is eenvoudigweg een niet te ontkennen juridische realiteit.”
Assink, die in eerder werk kritisch was over de ernstig verwijt-maatstaf,3 omschrijft het leerstuk hier als een ‘vrij imposant bouwwerk’ en een ‘niet te ontkennen juridische realiteit’. Daarnaast noemt hij het bestrijden van de lijn als weinig vruchtbaar. Het beeld dat Assink schetst komt niet overeen met het beeld van de ernstig verwijt-doctrine in dit proefschrift. Verdergaand in de metafoor die Assink gebruikt, meen ik dat het bouwwerk in de verkeerde omgeving is gebouwd, geen solide fundament heeft, en dat het makkelijk is om erin verdwaald te raken. Misschien nog wel belangrijker, is dat Assink mijns inziens miskent hoe eenvoudig het is om terug te verhuizen. Dat licht ik hierna toe.