De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.5:26.5 De zelfstandige verjaringsrechtelijke positie van de WAM-vordering
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/26.5
26.5 De zelfstandige verjaringsrechtelijke positie van de WAM-vordering
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369013:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
R.o. 12-14.
NJ 1982, 563; zie nader § 26.6.4.
Zo ook De Bosch Kemper, Gruben (2003), p. 73 en Hof Leeuwarden 22 maart 1995, VR 1997, 127.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De WAM-vordering en de vordering van de benadeelde op de verzekerde zijn in verjaringsrechtelijk opzicht onafhankelijk van elkaar: de eventuele verjaring van die "onderliggende vordering" heeft op de WAM-vordering geen invloed en andersom heeft ook de verjaring van de WAM-vordering op de "onderliggende" vordering geen invloed.
Dat volgt uit het antwoord van het BenGR 21 december 19901 op een vraag van uitleg van het Belgische Hof van Cassatie. In die casus was de vordering van de benadeelde op de verzekerde verjaard, nog voordat de vordering van de benadeelde op verzekeraar krachtens de driejarige WAM-termijn zou verjaren. Ter toelichting: een situatie als de Belgische zal zich in Nederland niet snel voordoen, omdat naar huidig recht de verjaringstermijn in de verhouding tussen de benadeelde langer is (vijf jaar) dan die in de rechtstreekse verhouding met de WAM-verzekeraar (drie jaar).
De vraag aan het BenGR luidde of "aan de in artikel 10 van de Gemeenschappelijke Bepalingen [is artikel 10 WAM — JLS] gestelde regel omtrent de verjaring van de rechtsvordering voortvloeiende uit het (...) eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar, afbreuk wordt gedaan door het bepaalde in artikel 26 jo artikel 28 van de Voorafgaande Titel van het Belgische Wetboek van Strafvordering". Krachtens die Belgische artikelen was de vordering van de benadeelde op de verzekerde dus verjaard.
Het hof antwoordt ontkennend:2 "(...). Overwegende dat de tekst van artikel 10 geen steun biedt voor een bevestigend antwoord op die vraag en een dergelijk antwoord ook niet in overeenstemming zou zijn met het doel van de Benelux-Overeenkomst en de Gemeenschappelijke Bepalingen, een mime bescherming aan verkeersslachtoffers te waarborgen;
(...). Overwegende dat uit de Gemeenschappelijke Toelichting blijkt dat die bepalingen ervan uitgaan dat de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar onafhankelijk is van de vordering van de benadeelde tegen de aansprakelijke;
(...). Overwegende dat de Belgisch-Nederlands-Luxemburgse studiecommissie tot eenmaking van het recht in haar definitieve "Commentaar op de art. in de Gemeenschappelijke Bepalingen", heeft benadrukt dat de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar op grond van artikel 6 van de Gemeenschappelijke Bepalingen onafhankelijk is van de vordering van de benadeelde tegen de verzekerde en dat aan die opvatting ten grondslag ligt de gedachte dat volgens artikel 10 de bescherming in de drie landen gelijk moet zijn en dit niet het geval zou zijn indien de werking van dit artikel zou kunnen worden beperkt door de nationale wet;"
Dit ogenschijnlijk voor de hand liggende oordeel was vóór het hofarrest geen gemeengoed. Zo was in de conclusie O.M. voor het hierna te bepreken HR 12 februari 19823 nog te lezen: "Kan (...) de rechtsverhouding verzekerde-verzekeraar zonder bezwaar voor de benadeelde wel eens ontbreken, dit is anders als de rechtsverhouding laedens-benadeelde niet of niet meer [cursivering toegevoegd — JLS] bestaat. Want, (...) aan het recht van de benadeelde om de verzekeraar, dan wel het Waarborgfonds rechtstreeks voor zijn schade aan te spreken, moet ten grondslag liggen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de laedens/verzekerde. Indien deze zijde van de driehoek ontbreekt, behoeven verzekeraar noch Waarborgfonds uit te keren. En daarom kon, na het wegvallen van de op artikel 31 WVW steunende vordering door het verlopen van de vervaltermijn van lid 9 (oud) van dit artikel, niet alleen de laedens niet meer — althans niet op die grondslag — worden aangesproken, maar evenmin de verzekeraar of het Waarborgfonds." Ter toelichting: onder art. 31 van de oude WVW bedroeg de termijn een jaar. Vervolgens heeft hij enige tijd drie jaar bedragen. Daarna is art. 31 WVW vervangen door art. 185 WVW. Art. 185 WVW, de huidige regeling, kent geen eigen verjaringstermijn meer. Naar huidig recht geldt derhalve de algemene termijn van vijf jaar van art. 3:310 lid 1 BW.
Naar Nederlands recht zal eerder dan de vraag of verjaring van de onderliggende vordering de verjaring van de WAM vordering bewerkstelligt, de spiegelbeeldige vraag rijzen, namelijk of de verjaring van de WAM-vordering van invloed is op de "gewone" vordering op de verzekerde; de WAM-termijn is immers drie jaar en de BW-termijn vijf. Voor bevestigende beantwoording van die vraag bestaat geen grond.4 Bevestigende beantwoording zou tot gevolg hebben dat de WAM de benadeelde er op achteruit doet gaan en dat is tegengesteld aan de strekking van de wet. Het voorgaande betekent dat het zich kan voordoen dat de verzekeraar niet meer in de procedure kan worden betrokken ingevolge de rechtstreekse actie uit de WAM, maar nog wel doordat hij door de aangesproken verzekerde krachtens de verzekeringsovereenkomst in vrijwaring wordt opgeroepen.