Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.5.3
13.5.3 Certificering en artikel 10 SW
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232831:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie het besluit van 20 april 2010, nr. DGB2010/1572M.
Besluit van 19 december 2002, nr. CPP2002/3210M, V-N 2003/5.24.
Hierover merkt de staatssecretaris op dat met de lening een hefboomeffect wordt bereikt. Dit vloeide voort uit de omstandigheid dat gezien het arrest HR 26 februari 1986, BNB 1986/162, de renteloosheid van een (ook feitelijk) direct opeisbare lening niet als een schenking werd aangemerkt. De debiteur kon dus rendement maken op het geleende bedrag zonder rente te betalen. Inmiddels valt deze situatie echter onder de (hiervoor geschreven) fictie van artikel 15 SW en wordt wel een schenking in aanmerking genomen.
De certificaathouder is dan ook geen economisch eigenaar van het gecertificeerde vermogen. Ik verwijs in dit verband naar paragraaf 13.3.1.
In vergelijkbare zin bijvoorbeeld de redactionele aantekening onder het besluit van de staatssecretaris in V-N 2003/5.24, A.M. Vrenegoor, Certificering van kunstvoorwerpen en box 3 Wet IB 2001, KWEP 2005/3, pagina 21 – 22 en I.A. Koele, Over de familiestichting, de charitatieve ‘private foundation’ en de trust in de toekomstige Successiewet, WPNR 2004/6576, paragraaf 3.2.
Dit kan vanzelfsprekend anders worden door de vormgeving van de schenking, zoals bij de schenking van certificaten onder het voorbehoud van een vruchtgebruik, maar toepassing van de fictie is dan niet gerelateerd aan het feit dat het object van de schenking toevallig certificaten zijn.
In het, overigens inmiddels ingetrokken1, besluit van 19 december 20022 heeft de staatssecretaris het standpunt ingenomen dat certificering kan leiden tot de toepassing van artikel 10 SW. Daarbij baseert de staatssecretaris zich op de volgende “grondvorm” van certificering:
De ouders dragen beleggingen over aan een stichting, die daartegenover certificaten uitreikt, welke een evenredig deel van het belang bij het vermogen en het inkomen van de stichting vertegenwoordigen.
Vervolgens worden de certificaten ineens of in delen overgedragen aan de kinderen, door schenking of door verkoop, waarbij de koopsom schuldig wordt gebleven aan de ouders in de vorm van een direct opeisbare renteloze lening.3
De certificaten zijn vaak niet of zeer beperkt royeerbaar en voorzien van zeer vergaande blokkeringsclausules, zodat het verzilveren of vervreemden daarvan door de kinderen praktisch onmogelijk is.
Aangezien de ouders doorgaans het bestuur van de stichting vormen, hebben zij tot het overlijden van de langstlevende ouder de doorslaggevende zeggenschap en kunnen zij als zodanig bepalen of en wanneer de stichting uitkeringen doet aan de certificaathouders.
Nadat de langstlevende ouder overleden is, en doorgaans nadat het jongste kind een bepaalde leeftijd heeft bereikt, keert de stichting haar vermogen en geaccumuleerde inkomsten uit aan de certificaathouders.
In relatie tot artikel 10 SW merkt de staatssecretaris op dat hij de stelling, dat bij schenking van de certificaten sprake is van schenking van (evenredige delen van) de in de stichting ondergebrachte vermogensbestanddelen voor betwisting vatbaar acht, aangezien de certificeringsvoorwaarden doorgaans verhinderen dat de certificaathouder het genot deelachtig wordt. In zijn ogen dient derhalve van geval tot geval beoordeeld te worden of er een genot in de zin van artikel 10 SW ontstaat en in hoeverre de verkrijgers van de certificaten zijn bevoordeeld.
Het kan inderdaad zo zijn dat de voorwaarden waaronder certificering heeft plaatsgevonden, zodanig restrictief zijn dat de certificaathouder niet geacht kan worden het (volledige) genot van het gecertificeerde vermogen te hebben.4 Mijns inziens zal men aan de toepassing van de fictie van artikel 10 SW bij certificering niet of nauwelijks toekomen. Deze bepaling vereist immers dat de erflater, in dit geval de ouder, tot aan diens overlijden een genotsrecht heeft gehad. Zolang daarvan geen sprake is, is niet relevant in hoeverre verkrijger als gevolg van de certificering beperkt is in het genot van het gecertificeerde vermogen.
Hoewel niet ondenkbaar is dat de administratievoorwaarden zo worden ingericht, dat een deel van de vruchten toekomen aan een ander dan de certificaathouder, is dit geen gebruikelijke benadering. Doorgaans is de certificaathouder slechts in die zin beperkt in zijn genot, dat hij inkomsten uit het gecertificeerde vermogen niet direct uitgekeerd krijgt, maar niet in de zin dat het certificaat in het algemeen geen aanspraak op die inkomsten verschaft. Genot bij een ander dan de certificaathouder laat zich iets beter denken als dit de vorm heeft van (en recht op) het feitelijke gebruik. Hierbij kan gedacht worden aan een kunstcollectie die gecertificeerd is en de certificaten reeds aan de kinderen zijn geschonken, maar de kunstwerken nog bij de ouders aan de muur hangen.5 In dergelijke gevallen zou toepassing van artikel 10 SW aan de orde kunnen komen. Voor zover ik kan inschatten betreft dit echter specifieke en weinig voorkomende situaties, zodat toepassing van artikel 10 SW bij certificering geen rol van betekenis speelt.6