Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.3.3
3.3.3 De termijn voor het indienen en intrekken van een klacht
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946163:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 2, paragraaf 3.2.
Zie in dit verband: Kamerstukken II 2015-2016, 29 279, nr. 278, p. 56 en Kamerstukken II 2022-2023, 36 327, nr. 3, p. 388.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 498.
Wet van 27 februari 1985, Stb. 1985, 115.
HR 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5257.
Het betrof een overtreding van art. 248ter Sr en dit misdrijf was toentertijd een klachtdelict.
De Hoge Raad zag overigens geen aanleiding voor vernietiging van de overige beslissingen van het gerechtshof, omdat de aard en ernst van het overige bewezenverklaarde niet werd aangetast door de partiële niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van dit ene feit.
HR 4 december 2018, NJ 2019/297, m.nt. Rozemond.
Daarbij wordt verwezen naar HR 17 december 1968, NJ 1969/193; HR 8 mei 2007, NJ 2007/527 en HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:667.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 500-501.
Strikt genomen kan ook nadien nog een klacht worden ingediend, maar in dat geval staat verjaring aan vervolging in de weg.
Het betreft de periode vanaf 1 december 1991 tot 1 oktober 2002. Zie voor de achtergrond van de wetswijzigingen in dit verband hoofdstuk 2, paragraaf 4.4.
HR 8 mei 2007, NJ 2007/527.
Dit is overigens een te welwillende uitleg die geen recht doet aan het oordeel van het gerechtshof. In het arrest van het gerechtshof is immers ondubbelzinnig vermeld: ‘Het hof stelt vast, dat geen klacht is gedaan, noch door de wettelijke vertegenwoordiger, noch door het betrokken meisje zelf’. Het gerechtshof oordeelt dat gelet op de omstandigheden van het geval het ontbreken van een klacht in formele zin niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het zou goed geweest zijn, indien de Hoge Raad dit had aangeduid als een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad kiest er daarentegen voor in het arrest te lezen dat het gerechtshof heeft bedoeld dat alsnog een klacht is ingediend.
Concl. A-G Wortel bij HR 8 mei 2007, NJ 2007/527, paragraaf 15.
Op gelijke wijze vraagt Borgers zich in diens noot bij HR 16 november 2010, NJ 2012/437 (in paragraaf 3) af of de functie van art. 167a Sv – die erin is gelegen dat strafrechtelijk optreden achterwege blijft indien de belangen van de minderjarige daartoe nopen – niet wordt ondermijnd, indien de minderjarige pas wordt gehoord op het moment dat het strafrechtelijk optreden al grotendeels heeft plaatsgevonden.
In de vorige paragraaf is het belang van de klachttermijn kort aangestipt. Het definitieve karakter van het verlopen van de termijnen die gelden voor het indienen en intrekken van klachten rechtvaardigen dat hieraan meer aandacht wordt besteed. Deze termijnen zijn tot op heden geregeld in art. 66 en 67 Sr. Dit leidt tot de vraag waarom die termijnen in dit hoofdstuk desondanks worden behandeld als een formeelrechtelijk aspect van de regeling van klachtdelicten. In 1886 is ook ten aanzien van de klachttermijn de nodige discussie gevoerd over de vraag of sprake is van materieelrechtelijke of formeelrechtelijke voorschriften, alsmede over de vraag of de klachttermijn een bijzonder verjaringsvoorschrift betreft.1 Toentertijd zijn de bepalingen ten aanzien van de klachttermijn (als onderdeel van algemene voorschriften over de bevoegdheid tot indiening en intrekking van de klacht) gerekend tot het materiële recht. Meer recent zijn deze bepalingen – in het kader van de voorbereiding van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering – echter meermaals aangeduid als procedurele voorschriften. Daarbij is het voornemen geuit deze bepalingen (voor zover deze zullen worden gehandhaafd) over te hevelen naar het Wetboek van Strafvordering.2 Tegen die achtergrond bezien is het aangewezen de termijnen te behandelen als onderdeel van het formeelrechtelijke deel van de regeling van klachtdelicten.
Art. 66 Sr bepaalt dat de klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het strafbare feit. De wetgever zag twee redenen om de mogelijkheid tot het indienen van een klacht aan een termijn te binden. Ten eerste wilde men voorkomen dat de klachtgerechtigde gedurende de volledige verjaringstermijn een ‘wettelijk zwaard’ in handen zou hebben, waarvan als drukmiddel gebruik kan worden gemaakt ten overstaan van de persoon die een klachtdelict begaat. Tevens werd het – met het oog op het maatschappelijke belang van een voortvarende rechtspleging en spoedige berechting van misdrijven – onwenselijk geacht dat de mogelijkheid van vervolging gedurende de volledige verjaringstermijn afhankelijk zou zijn van de willekeur van de klachtgerechtigde.3
Het past bij de ratio achter de regeling van klachtdelicten dat de in art. 66 Sr gestelde termijn pas aanvangt nadat de klachtgerechtigde kennisneemt van het strafbare feit. De klachtgerechtigde moet zich immers daadwerkelijk rekenschap kunnen geven van de (on)wenselijkheid van een vervolging. Om diezelfde reden is aan art. 316 Sr een derde lid toegevoegd, waarin is bepaald dat de klachttermijn bij relatieve klachtdelicten pas aanvangt nadat de klachtgerechtigde op de hoogte raakt van de identiteit van de verdachte.4 Bij relatieve klachtdelicten is de familiaire band tussen het slachtoffer en de (al dan niet te vervolgen) verdachte immers redengevend voor het klachtvereiste. De klachtgerechtigde moet (het belang van) die relatie dan ook kunnen betrekken in de afweging of de vervolging is gewenst.
Het moment waarop de termijn aanvangt – en het belang daarvan – komt duidelijk naar voren in een zaak waarover de Hoge Raad in 2003 oordeelde.5 Een minderjarige zoon vertelt op 30 mei 1999 aan zijn vader door een onbekende man seksueel te zijn lastiggevallen. De vader kan vanaf dat moment (als wettelijk vertegenwoordiger van zijn zoon) gedurende drie maanden een klacht indienen.6 De vader gaat echter pas in september 2000 over tot het doen van aangifte en klacht, nadat zijn zoon de onbekende man op 12 juli 2000 opnieuw ziet en aanwijst aan zijn vader. De vader heeft de betreffende man op die dag geconfronteerd, waarna die man het voorval uit 1999 bevestigde en vertelde dat hij de drang had kinderen te verleiden. De vader verklaart bij de rechter-commissaris dat hij niet eerder tot aangifte en klacht was overgegaan met het oog op de belangen van zijn zoon (die waren gelegen in de verwerking van het delict), maar dat hij daartoe toch had besloten nadat hij uit de uitlatingen van de man begreep dat justitieel ingrijpen geboden was. Het gerechtshof passeert het verweer van de verdediging dat de klacht te laat is ingediend en oordeelt dat de klachttermijn pas aanving op 12 juli 2000, omdat de vader pas bij de ontmoeting op die dag op de hoogte is geraakt van alle omstandigheden die voor zijn beslissing omtrent het indienen van zijn klacht van belang waren. De Hoge Raad verklaart het openbaar ministerie in relatie tot dit feit echter niet-ontvankelijk in de vervolging, omdat uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de wettelijk vertegenwoordiger op 19 mei 1999 bekend is geworden met het jegens zijn zoon gepleegde strafbare feit en dat de klacht binnen drie maanden na die datum had moeten zijn ingediend.7 Gelet op de ratio achter de regeling van klachtdelicten en de plaats die de termijn daarbinnen speelt, komt dit mij voor als een juiste beslissing. De vader heeft immers op de daarvoor bedoelde grond – het persoonlijke belang van zijn zoon – in 1999 afgezien van het (tijdig) doen van een klacht. De wetgever heeft door het stellen van een termijn – mede met het oog op een voortvarende rechtspleging – niet gewild dat de klachtgerechtigde die beslissing gedurende een lange periode kan heroverwegen. Hiervoor is gebleken dat de Hoge Raad niet onwelwillend staat tegenover het relativeren van andere vormvereisten ten aanzien van de klacht. Uit deze zaak blijkt dat de Hoge Raad de wettelijke regeling daarentegen strakker handhaaft waar het de klachttermijn betreft.
Dit is meer recent onderstreept in een arrest uit 2018 over zes afzonderlijke gevallen van het afdreigen van personen na webcamcontacten.8 De zaak is eerder in dit hoofdstuk aan bod gekomen in relatie tot het vraagstuk of de politie medeslachtoffers die nog geen klacht hebben ingediend, mag opsporen en benaderen. In het verlengde daarvan is de vraag gelegen of de daaropvolgende klachten tijdig zijn ingediend. De verdediging wees erop dat slechts in één van de zes gevallen tijdig, binnen drie maanden, een klacht was ingediend. Het gerechtshof verwerpt dit verweer op grond van drie argumenten. Ten eerste zou de uit jurisprudentie blijkende relativering van de aan de klacht gestelde formaliteiten met zich brengen dat ook de gestelde termijn aan belang inboet. Het zou daarnaast ongerijmd zijn dat een afdreiger door middel van intimidatie ook de vervolgbaarheid in voor hem positieve zin zou kunnen beïnvloeden. Ten derde hoort de verdachte geen profijt te hebben van een regeling die niet tot zijn bescherming strekt, maar enkel ten behoeve van slachtoffers in het leven is geroepen. Het gerechtshof verwerpt op die gronden het op de termijnoverschrijding gebaseerde niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdediging. Advocaat-generaal Bleichrodt wijst erop dat dit oordeel veel verder gaat dan hetgeen tot dan toe in jurisprudentie is geaccepteerd. Het oordeel houdt immers in dat de termijn van drie maanden niet van dwingende aard zou zijn en dat overschrijding van de termijn niet tot niet-ontvankelijkheid hoeft te leiden. De wens tot vervolging van de aangevers is door het gerechtshof doorslaggevend geacht, ongeacht of die wens binnen de klachttermijn tot uitdrukking is gekomen of zelfs al bestond. Bleichrodt wijst erop dat daarmee in wezen de klachttermijn buiten werking wordt gesteld. Dit voert zijns inziens te ver, omdat een dergelijke operatie aan de wetgever is voorbehouden en het huidige recht op een andere afweging berust. Op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad concludeert Bleichrodt dat een binnen de wettelijke termijn ingediende klacht onverkort als voorwaarde geldt voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.9 In reactie op de redengeving in het arrest van het gerechtshof wijst Bleichrodt er bovendien terecht op dat de klachttermijn wel degelijk in het leven is geroepen ter bescherming van de verdachte. De Hoge Raad stelt vast dat het gerechtshof kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat de termijnoverschrijding geen beletsel vormt voor het instellen van de vervolging, omdat bij de aangevers zou zijn gebleken van een uitdrukkelijke vervolgingswens. Die grond kan volgens de Hoge Raad – gelet op de betekenis van art. 66 lid 1 Sr – de verwerping van het verweer niet dragen. Uit deze zaak volgt dan ook dat een tijdig ingediende klacht – ondanks relativeringen van andere onderdelen van de regeling van het klachtvereiste – als voorwaarde blijft gehandhaafd voor de vervolgbaarheid van klachtdelicten. De speelruimte van de rechter is op dit punt beperkt tot de beoordeling van het moment waarop de termijn is aangevangen.
Daarnaast bepaalt art. 67 Sr dat een eenmaal ingediende klacht gedurende acht dagen na indiening weer kan worden ingetrokken. In het oorspronkelijke ontwerp van het Wetboek van Strafrecht was deze termijn gesteld op slechts drie dagen. Vanuit de Tweede Kamer werd de kritiek geuit dat sprake zou zijn van een volkomen willekeurige termijn en dat intrekking mogelijk zou moeten zijn zolang de zaak nog niet openbaar is geworden door middel van een openbare zitting. In reactie hierop wees minister van Justitie Modderman er terecht op dat in veel gevallen lang voor de openbare zitting ruchtbaarheid aan een zaak wordt gegeven. Die ruchtbaarheid kan immers ook ontstaan door het opsporingsonderzoek. De minister wijst voorts op het maatschappelijk belang dat de periode van rechtsonzekerheid niet te lang moet voortduren. Ook zou de beperkte mogelijkheid een klacht in te trekken eraan kunnen bijdragen dat men niet lichtvaardig overgaat tot het indienen van een klacht. Anderzijds bestaat er een belang dat gedurende een korte periode klachten kunnen worden ingetrokken die in een opwelling zijn gedaan. Uiteindelijk leidt de parlementaire discussie tot het compromis van een acht dagen tellende termijn waarin de klacht kan worden ingetrokken.10 Bij de totstandkoming van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is de wetgever voornemens de termijnstelling voor het intrekken van klachten over te hevelen naar het Wetboek van Strafvordering. Er wordt aanleiding gezien de ‘afkoelperiode’ die deze klachttermijn aan de klager biedt te behouden.11 Daarbij is voorgesteld de termijn aan te passen naar de meer gangbare tijdseenheid van één week.12
In het kader van deze wetgevingsoperatie is tevens het voornemen geuit de termijn voor het indienen van klachten te laten vervallen. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat de klachttermijn een obstakel vormt voor slachtoffers die een langere tijd nodig hebben om hun vrees voor de dader te boven te komen en aangifte te doen, zoals bijvoorbeeld in het geval van belaging of bij vernielingen die zijn gepleegd door een ex-partner. In de toelichting op dit voorstel is er voorts op gewezen dat van veel andere strafbare feiten die zonder aangifte niet ter kennis komen van de opsporingsdiensten wel tot het einde van de verjaringstermijn aangifte kan worden gedaan. Aan deze overwegingen is toegevoegd dat de omstandigheid dat een klachtgerechtigde onredelijk lang heeft gewacht met zijn klacht een rol kan spelen in de opportuniteitsbeslissing ten aanzien van de vervolging van het betreffende feit.13
Het vervallen van de klachttermijn zal vermoedelijk stevige gevolgen hebben voor het functioneren van de regeling van klachtdelicten. Klachtgerechtigden hebben in dat geval gedurende de volledige verjaringstermijn van het betreffende klachtdelict de mogelijkheid een klacht in te dienen.14 De gevolgen van deze wetswijziging voor de rechtspraktijk zijn in enige mate voorzienbaar, nu in de zedenwetgeving een periode sprake is geweest van klachtdelicten met een klachttermijn die gelijk was aan de verjaringstermijn van die feiten.15 Een zaak waarover de Hoge Raad in 2007 oordeelde is in dit verband illustratief voor de gevolgen van het verdwijnen van de klachttermijn.16 De tenlastelegging in die zaak zag oorspronkelijk uitsluitend op art. 249 Sr. In hoger beroep is daaraan subsidiair een verwijt op grond van het toenmalige klachtdelict art. 247 Sr toegevoegd. Tegen die achtergrond bezien is het niet vreemd dat een klacht ontbrak. Het slachtoffer (en tevens klachtgerechtigde) verklaarde in hoger beroep ter zitting dat zij het goed vond dat de dader werd gestraft. De Hoge Raad begrijpt het oordeel van het gerechtshof zo dat het gerechtshof uit die verklaring heeft afgeleid dat zij de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld en dat daarin besloten ligt dat alsnog een klacht is gedaan als in art. 164 Sv.17 Dit oordeel getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en wordt evenmin onbegrijpelijk geacht. Art. 164 Sv strekt er immers toe te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen en de termijn waarbinnen een klacht kon worden ingediend was in dit geval gelijk aan de verjaringstermijn. Die termijn was ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep dus nog niet verlopen.
Deze zaak maakt inzichtelijk dat het vervallen van de klachttermijn in samenhang met de jurisprudentie ten aanzien van art. 164 Sv ertoe leidt dat nagenoeg geen beperkingen meer (zullen) bestaan op de wijze waarop en het moment waarop kan worden vastgesteld dat een klacht is ingediend. Daarvoor is dan nog slechts de materiële vaststelling dat de klachtgerechtigde de bedoeling heeft dat vervolging zal worden ingesteld richtinggevend.
De uitkomst in de hierboven beschreven zaak is mijns inziens echter afkeurenswaardig met het oog op de ratio achter de regeling van klachtdelicten. De oordeelsvorming van het gerechtshof en de Hoge Raad miskent dat het moment waarop sprake is van een klacht niet slechts van belang is met het oog op de klachttermijn, maar dat dit moment ook heeft te gelden als startschot voor eventuele opsporings- en vervolgingshandelingen. Het belang van de klachtgerechtigde om niet te worden geconfronteerd met een onwenselijk geachte vervolging en de ruchtbaarheid die daarmee gepaard kan gaan, is immers illusoir als de klachtgerechtigde kan worden opgeroepen als getuige bij het gerechtshof om de vraag te beantwoorden of hij die vervolging wel wenselijk vindt. Het onheil is dan al geschied. Het oordeel van de Hoge Raad lijkt geïnspireerd door de conclusie van advocaat-generaal Wortel. Wortel zet – in relatie tot art. 245 en 247 Sr – uiteen dat hij geen goede reden ziet waarom het klachtvereiste niet zo kan worden uitgelegd, dat bij het ontbreken van een aan de wettelijke eisen voldoende klacht, de rechter dient te onderzoeken of de aangeefster die in eerste instantie een vervolging wilde vermijden op enig moment in de procedure te kennen heeft gegeven dat zij de strafvervolging toch wenst (en daarop niet is teruggekomen), en dat in een dergelijk geval op grond van die alsnog betoonde instemming mag worden vastgesteld dat is voldaan aan het vereiste om die vervolging voort te zetten.18 Die reden is er echter wel degelijk en die is gelegen in de chronologie. Indien het klachtgerechtigde slachtoffer ook ten tijde van de bevraging in hoger beroep te kennen geeft een vervolging onwenselijk te vinden, dan is hij dus ten onrechte geconfronteerd met die vervolging en de ruchtbaarheid die daarmee gepaard is gegaan. Dat nadeel – dat de regeling van klachtdelicten pleegt te voorkomen – kan achteraf niet worden teruggedraaid door middel van een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Daarin is het argument gelegen dat voor aanvang van de vervolging sprake moet zijn van een klacht.19