Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/9.5:9.5 Inconsistente regelgeving evident in het nadeel van de burger
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/9.5
9.5 Inconsistente regelgeving evident in het nadeel van de burger
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197365:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In zaken als Urbárska en Lindheim, die ik in de vorige paragraaf noemde, leidde de samenloop van huur-of pachtwetgeving en belastingheffing tot een schending van het eigendomsrecht. De klachten in die zaken waren echter uitsluitend gericht tegen de huur-of pachtwetgeving en het was ook die regelgeving die door het Hof in strijd met artikel 1 Eerste Protocol werd geoordeeld. De belastingwetgeving stond in die zaken niet als zodanig ter discussie. Dat was anders in Jokela v. Finland1, waar de betrokkenen wel klaagden over specifiek de belastingwetgeving. Deze zaak ging over de heffing van erfbelasting over onroerend goed dat werd onteigend. De betrokkenen hadden het onroerend goed geërfd en waren successierecht verschuldigd over de waarde in het economische verkeer van de grond. Tevens ontvingen zij een onteigeningsvergoeding, die werd bepaald op basis van de waarde in het economisch verkeer van de grond. Verwacht zou mogen worden dat erfbelasting zou worden berekend over hetzelfde bedrag als de onteigeningsvergoeding, maar dat bleek niet het geval. Voor het successierecht werd de grond veel hoger getaxeerd dan voor onteigeningsdoeleinden. De betrokkenen meenden dat hierdoor hun eigendomsrecht was geschonden.
Het EHRM oordeelde dat de taxaties voor de successierechten en onteigening ieder afzonderlijk bezien de toets van artikel 1 Eerste Protocol doorstaan, hoewel de precisie van de belastingwetgeving te wensen overliet (maar blijkbaar niet dusdanig dat de wet niet lawful kon worden geacht; vgl. Serkov v. Ukraine in par. 5.3). Daarmee was het EHRM er echter nog niet, want het beoordeelde ook nog of beide taxaties in samenhang bezien wel in overeenstemming waren met artikel 1 Eerste Protocol. Het gezamenlijke effect van beide taxaties mag volgens het Hof niet zodanig zijn “as to violate the applicants’ general right to the peaceful enjoyment of their possessions as guaranteed by the first sentence of the first paragraph of that provision.”2 Om een effectieve rechtsbescherming te bieden hanteert het EHRM dus een materiële benadering die kan meebrengen dat belastingzaken niet louter worden onderzocht onder de reguleringsregel van de tweede alinea van artikel 1 Eerste Protocol, maar ook onder de algemene regel van ongestoord genot van eigendom van de eerste alinea. Deze regel houdt volgens het EHRM in “the expectation of a reasonable consistency between interrelated albeit separate decisions concerning the same property”.3 De Finse autoriteiten (waaronder de rechter) konden geen verklaring geven voor het manifeste en eigendomontnemende gebrek aan consistentie, zodat het eigendomsrecht van de betrokkenen was geschonden.