Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/5.1.3
5.1.3 De weg naar het bestendige succes: beleid en strategie
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232588:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
J. Magretta, What management is, Londen (Verenigd Koninkrijk): Profile Books 2003, p. 71.
Assink, MvO 2018/7.
Holtzer 2014, par. 2.1 en 2.4 en Assink 2019, nr. 7.
Zie par. 11 van de annotatie van Van Schilfgaarde bij het Boskalis/Fugro-arrest van de Hoge Raad van 20 april 2018 (NJ 2018/331) en par. 5 van de annotatie van Leijten bij datzelfde arrest (JOR 2018/142).
Van Schilfgaarde noemt hiervoor als reden dat in artikel 2:141 lid 2 BW gesproken wordt van “strategisch beleid”. Zie par. 11 van de annotatie van Van Schilfgaarde bij HR 20 april 2018, NJ 2018/331 (Boskalis/Fugro). Zie ook over strategie als onderdeel van het beleid: Van Schilfgaarde 2016, nr. 67; Timmerman, TvOB 2018-1, par. 6; Assink 2019, nr. 7.
Par. 12 van de annotatie van Van Schilfgaarde bij HR 20 april 2018, NJ 2018/331 (Boskalis/Fugro).
Holtzer 2014, par. 2.4. Holtzer ziet strategische besluiten als “op zichzelf staande, vaak wettelijk omschreven handelingen, terwijl het beleid vaak een geheel van meer besluiten over een langere periode omvat.”
Bijvoorbeeld artikel 2:107a BW.
Vergelijk de laatste zin in r.o. 3.3.6 van de Hoge Raad in het Fugro-arrest: “Voor zover bevoegdheden omtrent de inrichting van de (vennootschappelijke) organisatie toekomen aan het bestuur, valt de uitoefening daarvan samen met het bepalen van het beleid en de strategie van de vennootschap.” Hierover Assink, MvO 2018/7, par. 5.8c: “Ik zou de laatste zin van r.o. 3.3.6 maar zo willen verstaan dat voor zover een orgaan van de vennootschap die bevoegdheid toekomt, de uitoefening daarvan samenvalt met het bepalen van het beleid en de strategie van de vennootschap. Denkbaar is daarbij dat meer dan één orgaan ter zake een bevoegdheid toekomt, bijvoorbeeld in geval de algemene vergadering op grond van de wet of de statuten een goedkeuringsrecht heeft met betrekking tot een bestuursbesluit ter zake of anderszins betrokken moet worden in de besluitvorming, zoals bij statutenwijziging en/of aandelenuitgifte. Dat kan ook spelen bij een beschermingsconstructie.”
In dezelfde zin: Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2019/51, par. 2-3.
Zie uitgebreider hierover: paragraaf 5.4.2 van dit proefschrift. Zie voor de uitwerking in het kader van het convocatie- en agenderingsrecht: paragraaf 6.2 van dit proefschrift.
Timmerman, TvOB 2018-1, p. 15. In datzelfde stuk: “Strategisch denken vereist vooruitdenken en ook bijvoorbeeld het onderkennen van het bijzondere in een bepaalde situatie teneinde daarop gepast te kunnen reageren. Strategie beoogt een onderneming met succes van de ene situatie naar een andere situatie te loodsen in een complexe, instabiele omgeving. Het gaat om ‘the art of creating power’. Voor een succesvolle strategie is naast deskundigheid vaak geluk nodig. Het is inderdaad een soort art, een kunst.”
Kamerstukken II 2008/09, 32 014, nr. 3 (MvT), p. 11.
McGee, Thomas & Wilson 2010, par. 1.3.
McGee, Thomas & Wilson 2010, par. 1.1.
McGee, Thomas & Wilson 2010, par. 1.1. Met “onomkeerbaar” wordt hier bedoeld dat de investeringen die gedaan worden niet kunnen worden teruggedraaid.
McGee, Thomas & Wilson 2010, par. 1.1.
McGee, Thomas & Wilson 2010, par. 5.1 en Henry 2011, par.1.1.
Deze organisatievorm kwam met name op na de Tweede Wereldoorlog, aangezien dit ervoor zorgde dat bestuurders van de sterk groeiende ondernemingen zich konden richten op het managen van de gehele onderneming en niet bezig waren met de dagelijkse operationele taken. Zie: McGee, Thomas & Wilson 2010, par. 8.1.
C. Capon, Understanding strategic management, Essex (Verenigd Koninkrijk): Pearson Education Limited 2008, p. 9; McGee, Thomas & Wilson 2010, par. 8.1; Henry 2011, par. 1.4; Hunger & Wheelen 2014, p. 17. In kleinere, single business ondernemingen is niet noodzakelijkerwijs sprake van een corporate strategy.
Henry 2011, par. 1.4 en Hunger & Wheelen 2014, p. 17.
Henry 2011, par. 1.4 en 7.1 en Hunger & Wheelen 2014, p. 17.
Henry 2011, par. 1.4 en 8.1 en Hunger & Wheelen 2014, p. 17. Collis & Montgomery 1995, p. 3-4, beschrijft mooi hoe deze leer van de bedrijfsstrategie in de jaren 1980 toegepast werd op conglomeraten, die lager gewaardeerd werden dan de som van hun losse bedrijfsonderdelen omdat zij te kampen hadden met een grote organisatie op houdsterniveau die een waardedrukkend effect had op de bedrijfsonderdelen. Deze realisatie leidde tot een grotere focus op aandeelhouderswaarde die gecreëerd moest worden door het afstoten van ondergewaardeerde divisies. Zie over deze zogenaamde ‘conglomerate discount’ ook Stevens & Garcia Nelen 2017, par. 2.2. Zie ook: Cheffins 2019, p. 37.
Kleipool & Van Olffen, Ondernemingsrecht 2017/56, par. 4.1.
McGee, Thomas & Wilson 2010, par. 1.1 en 2.2.2.
Collis & Montgomery 1995, p. 6.
Collis & Montgomery 1995, p. 6: “A vision is not a specific commitment, but a subjective, impressionistic idea of what lies on the horizon. It neither lays out a clear path nor specifies a detailed endpoint, but rather provides an overarching sense of purpose and mission. As such the vision should be articulated in general terms that convey some sense of what the company wants to achieve in the future and how that will contribute to society.”
‘After Bill’, The Economist, 26 juni 2008.
Henry 2011, par. 1.3.
Collis & Montgomery 1995, p. 6. Doelstellingen worden door Collis & Montgomery ook wel onderscheiden in niet-kwantificeerbare (goals) en kwantificeerbare doelstellingen (objectives).
Hof Amsterdam (OK) 10 januari 2008, JOR 2008/39, m.nt. M. Brink (PCM), r.o. 2.8-2.11 en 3.18-3.19.
Hof Amsterdam (OK) 10 januari 2008, JOR 2008/39, m.nt. M. Brink (PCM), r.o. 2.11 en 3.2.
Hof Amsterdam (OK) 10 januari 2008, JOR 2008/39, m.nt. M. Brink (PCM), r.o. 3.17-3.18.
Hof Amsterdam (OK) 10 januari 2008, JOR 2008/39, m.nt. M. Brink (PCM), r.o. 3.23.
Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Stork), r.o. 3.16-3.17.
Best practice-bepaling 1.1.1 van de Corporate Governance Code.
Best practice-bepaling 1.1.1 van de Corporate Governance Code.
Van Schilfgaarde 2016, nr. 67.
Zie in dezelfde zin: Assink, MvO 2018/7, par. 5.8a. Ook Willems vraagt zich af: “Wie maakt trouwens uit wat onder de strategie valt en valt iets onder strategie als het bestuur dat enigszins gemotiveerd uiteenzet?” Hij lijkt daar afwijzend tegenover te staan. Zie Willems, Ondernemingsrecht 2017/116, par. 9.
Assink, MvO 2018/7, par. 5.8a.
Zie Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §43. Zie ook De Jongh 2014, nr. 148 over de uitleg van de op vergelijkbare wijze open geformuleerde bestuurstaak naar oud recht: “Dankzij de onbestemde inhoud van art. 47 WvK kon de uitleg ervan ‘meeademen’ op de veranderende opvattingen omtrent de machtsverhoudingen binnen de vennootschap.”
Assink, MvO 2018/7, par. 5.9.
Zie paragraaf 3.3 van dit proefschrift.
Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel).
HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO). Sinds de invoering van artikel 2:107a BW moet het dan wel gaan om een transactie die niet raakt aan de drempels van dat artikel.
HR 21 februari 2003, NJ 2003/182, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/57, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (HBG).
Hof Amsterdam (OK) 12 oktober 2016, JOR 2017/90 (Delta Lloyd).
HR 20 april 2018, NJ 2018/331, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/142, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Boskalis/Fugro). Van der Grinten meende nog dat belissingen die de structuur en inrichting van de vennootschap betreffen niet tot de bevoegdheid van het bestuur moesten worden gerekend, zie Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 231.
Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 231.
Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 231.
Dit volgt thans uit artikel 2:107a lid 1 sub a BW. Hetzelfde gold naar de heersende leer al voor inwerkingtreding van dat artikel, zie Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 231. Zie in dezelfde zin voor de BV ook de Ondernemingskamer in Hof Amsterdam (OK) 1 februari 2006, ARO 2006, 166 (S. van Baarssen Halfweg), r.o. 3.3 en Hof Amsterdam (OK) 9 oktober 2006, ARO 2006, 166 (UMI Beheer), r.o. 3.3.
HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.5.
Zie over dat laatste ook best practice-bepaling 1.1.1 van de Corporate Governance Code: “Afhankelijk van de marktdynamiek kunnen korte termijn aanpassingen van de strategie nodig zijn.”
Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Stork).
Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Stork), r.o. 3.19. In het geval van Stork heeft de AV wel gestemd over de voorstellen van Centaurus en Paulson en ook vóór deze voorstellen gestemd, maar het bestuur achtte dit besluit niet bindend omdat het beleid van de NV wordt bepaald door het bestuur, zie Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Stork), r.o. 2.25.
Zie ook wat de heer Wijers (bestuursvoorzitter AkzoNobel) hierover opmerkte blijkens p. 17 van de notulen van de buitengewone AV van AkzoNobel d.d. 7 september 2006: “Mijnheer de voorzitter, de Nederlandse wetgeving eist van ondernemingen, dat als er een belangrijke identiteitsverandering wordt voorgesteld daar goedkeuring voor wordt gevraagd aan de aandeelhoudersvergadering. Dat is wat wij hier doen. Wij stellen een fundamentele identiteitsverandering voor, namelijk een volledige separatie. We zeggen daarbij dat we een sterke voorkeur hebben. Het voorkeursscenario is een initiële minderheids IPO, met het duidelijk voornemen om die na twee, drie jaar te vervolgen met de verkoop van de rest van de aandelen. Dit is, in de geest van wat de wetgever destijds bedoeld heeft, een identiteitsverandering.”
Hunger & Wheelen 2014, p. 15.
Hunger & Wheelen 2014, p. 15.
Par. 2 en 3 van de annotatie van Stevens bij Hof Amsterdam (OK) 27 mei 2010, JOR 2010/189 (PCM).
Timmerman, TvOB 2018-1, par. 4; Assink 2019, par. 8. Assink merkt op dat er een “onlosmakelijk verband” bestaat tussen de strategie en het vennootschappelijk belang. Dat ben ik met hem eens, maar dat geldt wat mij betreft in zijn algemeenheid voor ‘het besturen’ (waar de strategiebepaling onderdeel van is) als maatstaf voor de omvang van de bevoegdheid (als bedoeld in artikel 2:129 lid 1 BW) en het ‘vennootschapsbelang’ als maatstaf voor de doelstelling van de bevoegdheid (als bedoeld in artikel 2:129 lid 5 BW). Hoewel strategie en vennootschapsbelang in elkaars verlengde liggen, en op elkaar zouden moeten zijn aangesloten, moet gewaakt worden voor het vereenzelvigen van beide begrippen.
Par. 3.7 concl. A-G Timmerman bij HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO).
Delaware Supreme Court, Paramount Communications, Inc. v. QVC Network, Inc., 637 A.2d 34 (Del. 1994).
“…of all the concepts in management, strategy is the one that attracts most attention and generates the most controversy. Almost everyone agrees that it is important. Almost no-one agrees on what it is.”1
Het bestendige succes van de onderneming wordt bevorderd door een beleid en een strategie te bepalen en uit te voeren. De begrippen ‘beleid’ en ‘strategie’ worden in de literatuur en jurisprudentie gebruikt om bepaalde onderwerpen aan te duiden die onder de bestuurstaak vallen.2 Het zijn oorspronkelijk niet-juridische termen, maar de invulling daarvan heeft grote invloed op de bevoegdheidsverdeling tussen bestuur en AV.3 Over de betekenis van de termen bestaat nog veel onduidelijkheid.4 In het Fugro-arrest gebruikte de Hoge Raad de twee termen gezamenlijk, terwijl hij in de ABN AMRO- en ASMI-arresten enkel ‘strategie’ noemde.5 In de literatuur wordt verdedigd dat de strategie een onderdeel is van het beleid.6 In de woorden van Van Schilfgaarde:
“Ik zou dan de verhouding tussen de termen ‘besturen’, ‘beleid’ en ‘strategie’ zo willen zien dat met ‘besturen’ wordt aangeduid het leiding geven in het algemeen, waartoe dan ook behoort het ontwikkelen van ‘beleid’ op bepaalde gebieden. Tot die gebieden behoort ook de ‘strategie’, langs welke wegen deze ook moet worden bepaald.”7
Holtzer maakt onderscheid tussen strategisch beleid en strategische besluiten.8 Terwijl de eerste term in de wet is terug te vinden, maar geen duidelijke betekenis heeft, worden strategische besluiten in de wet genoemd waar zij onderworpen zijn aan goedkeuring van een ander orgaan dan het bestuur.9 Hoewel het strategisch beleid bepaald wordt door het bestuur, zijn strategische besluiten dus niet vanzelfsprekend voorbehouden aan (slechts) het bestuur. Ook Assink ziet, naast het beleid (met inbegrip van de strategie) als onderdeel van de bestuursbevoegdheid, ook bevoegdheden van de AV ten aanzien van het beleid van de vennootschap.10 Het bestuur heeft weliswaar het primaat bij het bepalen van het beleid (waaronder de strategie), maar waar de wet, statuten of overeenkomsten dat voorschrijven is de AV wel betrokken bij het vaststellen of uitvoeren van dat beleid. De onderstaande figuur biedt een beeld van de verhouding van de bestuursbevoegdheden en de AV-bevoegdheden die zien op het beleid en de strategie: het bestuur en de AV hebben hun eigen bevoegdheden en die zullen deels samenvallen met het bepalen van het beleid en de strategie van de vennootschap.11
Het bestuur van de beursvennootschap heeft in beginsel een initiërende rol, in de zin dat hij de strategie en het beleid bedenkt, bepaalt en uitvoert. De AV heeft in beginsel een controlerende rol, in de zin dat waar voor de uitvoering van het beleid en de strategie besluiten zijn vereist die onder de bevoegdheid van de AV vallen, de aandeelhouders hierover zullen moeten stemmen (bijvoorbeeld op grond van artikel 2:107a BW). Dat besluit zal dan wel aan de AV moeten worden voorgelegd; het bestuur kan niet om de AV heen vanwege het enkele feit dat de bevoegdheid in het desbetreffende geval samenvalt met het bepalen van het beleid en de strategie.12 In het algemeen zal de AV voor zover zij een bevoegdheid heeft, die bevoegdheid in beginsel kunnen uitoefenen, ook wanneer de AV het relevante besluit daarmee in het desbetreffende geval initieert (voor zover zij daartoe bevoegd is) en zelfs wanneer dat in een voorkomend geval samenvalt met het bepalen van het beleid en de strategie.13
Het lijkt mij goed hier nog verder in te gaan op het begrip ‘strategie’ als onderdeel van het beleid. Timmerman omschrijft de strategie als “een plan om het succes van een onderneming op lange termijn te bevorderen.”14 De wetgever omschreef de strategie als “de visie en de keuzes die het bestuur op hoofdlijnen maakt voor een langere periode en die het uitgangspunt vormen voor de doelen en de deelbeslissingen die zij op kortere termijn neemt” en zag een periode tussen de vijf en tien jaar als gangbare horizon voor strategische beslissingen in het bedrijfsleven.15 Ook in managementliteratuur wordt het begrip strategie niet eenduidig gedefinieerd.16 Wel zijn daarin verschillende kenmerken van het begrip te ontwaren. Strategie gaat over de toekomst op de lange termijn, het voorbereiden op onzekerheden, het nemen van risico’s.17 Het gaat over complexe besluiten met grote impact, over plannen die mede zien op externe en onbeheersbare ontwikkelingen, die tijd nodig hebben om tot wasdom te komen en die veelal onomkeerbaar zijn.18 Hiervoor is vereist dat een samenspel tussen werknemers, financiering, productiemiddelen en andere activa wordt georganiseerd en gecoördineerd, waarbij – niet altijd voor alle betrokkenen plezierige – veranderingen teweeg worden gebracht.19 Uiteindelijk is strategie er op gericht de onderneming meer succesvol te maken dan haar concurrenten, een competitive advantage te creëren, door klanten superieure producten en diensten te leveren, waardoor het marktaandeel groeit en waarde gecreëerd wordt voor de NV, en daarmee uiteindelijk ook voor haar stakeholders.20 Zo wordt het bestendige succes van een onderneming bevorderd.
Bij beursvennootschappen van enige omvang is gebruikelijk sprake van een onderscheid tussen de (management)activiteiten op vennootschapsniveau (corporate level) en de (operationele) activiteiten op ondernemingsniveau (business level), veelal georganiseerd in verschillende divisies (business units).21 Bij dergelijke organisaties wordt wel onderscheid gemaakt tussen drie niveaus van strategie: (1) corporate strategy, (2) business (ook wel: competitive) strategy en (3) functional strategy.22 Met functional strategy wordt gedoeld op de ‘operationele strategie’ die ziet op de operationele activiteiten van de onderneming, zoals productie, marketing, levering, werknemers, onderzoek en ontwikkeling, IT, etc.23 Met business strategy wordt gedoeld op de ‘marktstrategie’ voor de onderneming in de markt waarin zij opereert, zoals marktpositie, productprijzen en de verhouding ten opzichte van concurrenten.24 Met corporate strategy wordt gedoeld op de strategie voor de gehele onderneming, zoals de keuze voor bepaalde product- en geografische markten, strategische allianties, fusies en overnames.25 Ik noem dit de ‘bedrijfsstrategie’. Er zal weinig discussie bestaan over het antwoord op de vraag of de operationele strategie en marktstrategie deel uitmaken van de bestuurstaak. Dat lijkt mij zonder meer het geval, aangezien dit behoort tot de dagelijkse bedrijfsvoering waarvoor het bestuur bij uitstek verantwoordelijk is. Waar het gaat om de bedrijfsstrategie kan het antwoord minder duidelijk zijn. Hoewel deze primair onder de bestuurstaak zal vallen, kan het hier ook gaan om besluiten met gevolgen voor de identiteit of het karakter van de beursvennootschap of die anderszins raken aan bevoegdheden van aandeelhouders of de AV.
Bij een strategie past ook een ‘visie’. In de literatuur wordt de visie op de lange termijn onderscheiden van de strategie op de middellange termijn (waarbij die laatste bijvoorbeeld een periode van drie tot vijf jaar bestrijkt).26 Dit onderscheid tussen visie en strategie is ook terug te vinden in managementliteratuur.27 Er zijn uiteraard veel varianten mogelijk en strategiebepaling blijft maatwerk, maar in algemene zin kan gezegd worden dat de bedrijfsstrategie bestaat uit een strategische visie en strategische doelstellingen.28 De visie kan gezien worden als de spreekwoordelijke ‘stip aan de horizon’, het vergezicht dat de langetermijnambitie van de NV weergeeft. Een visie is veelal geen concrete doelstelling, maar een idealistisch vergezicht.29 Een sprekend voorbeeld is de oorspronkelijke visie van Microsoft: “A computer on every desk and in every home.”30 Aan een visie kan een concrete termijn verbonden zijn, bijvoorbeeld 10 jaar, maar dat is meestal niet het geval. Vaker zal een visie ook op lange termijn niet aan verandering onderhevig zijn.31 In ieder geval gaat de visie over de lange tot zeer lange termijn.
De visie onderscheid zich weer van de ‘missie’. Met die laatste term wordt gedoeld op een verklaring waarin uitgesproken wordt hoe de onderneming zichzelf nu ziet en welke rol zij op dit moment in de wereld wil spelen. Waar de missie op het heden ziet, ziet de visie op de (verre en wellicht zelfs utopische) toekomst.
Het bestuur zal moeten concretiseren welke stappen het wil en verwacht te kunnen zetten op de middellange termijn om toe te werken naar realisatie van zijn strategische visie. Deze stappen op de middellange termijn zijn de strategische doelstellingen.32 Een strategisch plan werkt concreet uit op welke wijze de NV beoogt haar strategische doelstellingen op de middellange termijn te realiseren.
In de PCM-beschikking waren de strategische doelstellingen en het strategisch plan niet op elkaar afgestemd. PCM had de strategische doelstelling geformuleerd om te werken aan ‘basisverbreding’, onder andere door acquisities en andere investeringen.33 PCM had voor dit doel slechts een “nauwelijks uitgewerkt” en “rudimentair” strategisch plan.34 De Ondernemingskamer stelde onder andere vast dat PCM, ten tijde van het toetreden van de Apax-groep als aandeelhouder, op het gebied van basisverbreding feitelijk en concreet slechts de verwerving van één andere uitgeverij voor ogen stond, dat zij kennelijk werd verrast door de onmogelijkheid om die verwerving te realiseren en dat andere – concrete – plannen om de gestelde strategie van basisverbreding vorm te geven nog niet waren ontworpen.35 Dit droeg mede bij aan het oordeel dat er gegronde redenen waren om te twijfelen aan een juist beleid bij PCM en haar houdstervennootschap.36
In 2007 werd de strategie van Stork door de Ondernemingskamer getoetst.37 In dat geval werd de strategie als deugdelijk en op goede argumenten gebaseerd aangemerkt. Dat de door Stork gevolgde strategie vruchten afwierp was volgens de Ondernemingskamer “…kenbaar uit, ook in dit geding gepresenteerde, openbare bronnen en gegevens en metnameookuithetverloopvandekoersvandeaandeleninStorkterbeurze. [onderstreping SBGN]” De Ondernemingskamer maakt niet duidelijk waarom en op welke wijze uit de beurskoers kan worden afgeleid of een strategie succesvol is. De strategie ziet immers op het succes van de onderneming en niet de waarde van de aandelen in de vennootschap. Zoals toegelicht in paragraaf 4.5.2 wordt de beurskoers door veel factoren beïnvloed en hoeft die in ieder geval geen accurate afspiegeling te vormen van de reële waarde van de onderneming.
Het voorgaande samenvattende, ziet de bedrijfsstrategie van de onderneming er in algemene zin en schematisch weergegeven als volgt uit:
Term
Inhoud
Termijn
Strategische visie
Wat de onderneming wil zijn; haar bestaansdoel
Lange tot zeer lange termijn
Strategische doelstellingen
Wat de onderneming beoogt te bereiken
Middellange termijn (3-5 jaar)
Strategisch plan
Hoe de onderneming haar strategische doelstellingen beoogt te bereiken
Middellange termijn (3-5 jaar)
Het verschil tussen deze drie strategische elementen kan – geplaatst in de tijd – ook als volgt worden weergegeven:
In overeenstemming met het voorgaande schrijft de Corporate Governance Code voor dat het bestuur een visie ontwikkelt op langetermijnwaardecreatie van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en daarbij een passende strategie formuleert.38 De Corporate Governance Code besteedt ook aandacht aan de inhoud van de strategie, die in ieder geval rekening moet houden met de volgende aspecten: (1) de implementatie en haalbaarheid van de strategie, (2) het bedrijfsmodel van de NV en de markt waarin zij opereert, (3) kansen en risico’s voor de NV, (4) de operationele en financiële doelen van de NV en de invloed ervan op de toekomstige positie in relevante markten, (5) belangen van stakeholders, en (6) andere voor de NV relevante aspecten van ondernemen, zoals milieu, sociale zaken en personeelsaangelegenheden, de keten waarin de onderneming opereert, eerbiediging van mensenrechten en bestrijding van corruptie en omkoping.39
Het bestuur zal dus de strategie bepalen als onderdeel van het beleid. Kan het bestuur dan ook bepalen welke zaken onder de strategie vallen (en dus in beginsel tot haar bevoegdheid behoren)? Van Schilfgaarde merkt op: “Waar het op neer lijkt te komen is dat het bestuur in dit opzicht de regels kan bepalen door een bepaald onderdeel van zijn beleid als ‘strategie’ aan te duiden.”40 Dat lijkt mij niet vanzelfsprekend het geval.41 Uiteraard zal het wel een factor van belang zijn dat het bestuur een bepaald onderwerp gemotiveerd aanmerkt als onderdeel van zijn strategie.42 Dat is echter niet doorslaggevend, althans dat leidt er niet per definitie toe dat het bestuur daarmee bevoegd is te besluiten over het desbetreffende onderwerp. Het is, anders gezegd, niet zo dat wanneer het bestuur een bepaald onderwerp aanmerkt als strategisch, dit vanzelfsprekend verhindert dat aandeelhouders hier zeggenschap over kunnen uitoefenen. Een andere visie zou ertoe leiden dat telkens als het bestuur onderwerpen aanmerkt als strategisch, het zo de exclusieve bevoegdheid over die onderwerpen krijgt. Dat strookt niet met de wettelijke verdeling van bevoegdheden; in ieder geval niet voor zover het bevoegdheden betreffen die (deels) wettelijk zijn toebedeeld aan andere organen. Als een onderwerp gemotiveerd en specifiek door het bestuur wordt aangemerkt als onderdeel van de strategie, dan kan dat wel impliceren dat het behoort tot de bevoegdheid van het bestuur. Steeds zal echter weer de afweging gemaakt moeten worden of dit op basis van de wettelijke en statutaire bevoegdheidsverdeling in het concrete geval niet anders is. Het bestuur is weliswaar bevoegd de strategie vast te stellen en uit te voeren, maar er zijn onderwerpen die geheel of deels behoren tot de bevoegdheid van de AV, en daarmee niet (geheel) tot de strategiebepaling die valt binnen de exclusieve bevoegdheid van het bestuur.
Er zijn onderwerpen waarvan inmiddels duidelijk is dat zij in beginsel behoren tot de bevoegdheid van het bestuur om de strategie te bepalen. Die bevoegdheid wordt in Nederland ruim uitgelegd43 en het bestuursprimaat ten aanzien van het bepalen van het beleid en de strategie is in recente jaren verder verstevigd.44 In algemene zin kan tegenwoordig mijns inziens gezegd worden dat alle zaken die de NV en haar onderneming betreffen en die niet specifiek onder de bevoegdheid van andere organen vallen, tot de bevoegdheid van het bestuur behoren omdat deze onderwerpen altijd in meer of mindere mate verband zullen houden met de strategie, als onderdeel van het beleid dat valt onder het besturen. Deze constatering sluit aan bij de vaststelling eerder in deze dissertatie dat de wettelijke restbevoegdheid van de AV (zoals vastgelegd in artikel 2:107 lid 1 BW) in de huidige rechtspraktijk niet langer betekenis toekomt.45 Met de uitdijing van de bestuursbevoegdheid onder de vlag van de strategie, is de bevoegdheid tot strategiebepaling gaan functioneren als restbevoegdheid ten aanzien van niet aan andere organen toebedeelde bevoegdheden. In de rechtspraak worden veel soorten besluiten, waarvoor de bevoegdheid niet expliciet in de wet is toegekend aan het bestuur, gerekend tot het beleid en de strategie en daarmee tot de bestuursbevoegdheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om besluiten over het wel of niet meewerken aan een openbaar bod,46 over het aangaan van een verkoop van een dochtervennootschap,47 over het aangaan van een joint venture,48 over het voorstellen van een emissie49 of over het inrichten van de organisatie van de NV binnen de grenzen van de wet en statuten.50 Verder worden het beëindigen van een deel van de economische activiteiten, de vervreemding van een bedrijfsonderdeel en de inbreng van de onderneming in een volledige dochtervennootschap aangemerkt als bestuurshandelingen (die, meen ik, vallen onder de strategie van de NV).51 Volgens Van der Grinten kan het bestuur niet zonder medewerking van de AV de NV in een toestand van afhankelijkheid brengen door emissie van een controlerend aandelenpakket.52 Voor zover sprake is van een dergelijke emissie nadat het bestuur is aangewezen tot uitgiftebevoegd orgaan als bedoeld in artikel 2:96 lid 1 BW, en onder de voorwaarden die gelden voor die aanwijzing, kan het bestuur mijns inziens wel degelijk besluiten tot een dergelijke emissie over te gaan. Is dat niet het geval, dan kan het bestuur daartoe inderdaad niet overgaan. Het bestuur kan niet alle (substantiële) economische activiteiten vervreemden en in feite een einde maken aan de door haar in stand gehouden onderneming zonder medewerking van de AV.53 Wel kan het bestuur volgens de Hoge Raad de strategische keuze maken de stand alone-strategie te verlaten en een fusie aan te gaan of een bod op de aandelen uit te lokken.54 Ik begrijp dit zo dat het bestuur een dergelijke strategiewijziging kan initiëren, maar dat uiteindelijk wel medewerking van de AV nodig is voor het bewerkstelligen van een juridische fusie of andere handelingen waarvoor wettelijk of statutair medewerking van de AV is vereist, of van individuele aandeelhouders voor het laten slagen van een door het bestuur uitgelokt bod op de aandelen van de beursvennootschap.
Bij beantwoording van de vraag of een besluit dat verband houdt met de strategie tot de bevoegdheid van het bestuur hoort, kan mede relevant zijn of sprake is van een voortzetting of juist van een wijziging van de strategie.55 In de Stork-beschikking was sprake van een voortzetting van de aangekondigde strategie met drie divisies door het bestuur, terwijl aandeelhouders Centaurus en Paulson aan Stork verzochten om zich te richten op de luchtvaartdivisie en de overige activiteiten af te stoten.56 De AV had hier volgens de Ondernemingskamer geen inspraak op het strategische besluit van het bestuur. Volgens de Ondernemingskamer speelde bij haar oordeel dat het bestuur van Stork niet gedwongen kon worden haar strategie te verlaten ook een rol dat het verlaten van de strategie in dat geval risico’s met zich mee kon brengen.57
AkzoNobel had in 2006 het voornemen Organon (de pharma-activiteiten) af te splitsen en de activiteiten van AkzoNobel voort te zetten met haar twee andere divisies (coatings en chemicals). Dit viel te kwalificeren als een wijziging of het verlaten van de daarvoor gevolgde strategie. In het geval van AkzoNobel is de AV om goedkeuring verzocht.58
Ook kan het voorkomen dat, hoewel het besluit tot het doorvoeren van een strategiewijziging op zich voorbehouden is aan het bestuur, de wijziging van strategie voorafgegaan wordt door, of samenhangt met, een andere gebeurtenis (‘trigger event’) die in sommige gevallen de strategiewijziging (mede) veroorzaakt, of daarvoor nodig is.59 Dit kan gaan om de benoeming van een nieuwe CEO of een mogelijke overname.60 In dit soort gevallen kan het initiëren van de strategiewijziging weliswaar tot de bevoegdheid behoren van het bestuur, onder toezicht van de raad van commissarissen, maar zal de gebeurtenis die samenhangt met de strategiewijziging tot de bevoegdheid van de AV kunnen behoren (zoals bij de benoeming van bestuurders of een juridische fusie of splitsing) of afhankelijk zijn van de medewerking van aandeelhouders (zoals bij een voorgenomen openbaar bod). Voor zover de strategiewijziging afhankelijk is van de gebeurtenis die onder de bevoegdheid van de AV valt, is dan ook medewerking van de aandeelhouders of AV nodig, die zo weer (indirect) invloed krijgen op de strategie.
Verwarring tussen de begrippen strategie en vennootschappelijk belang moet worden vermeden. Zoals Stevens terecht aanhaalt in zijn annotatie bij de PCM-beschikking, kan het vennootschappelijk belang niet gelijkgesteld worden aan de strategie.61 Het bestuurshandelen kan niet getoetst worden aan de (door het bestuur zelf bepaalde) strategie. Een andere visie zou leiden tot een inhoudsloos systeem omdat het richtsnoer, en daarmee de toets voor het handelen van het bestuur, niet langer objectief is, maar subjectief, afhankelijk van de wil van datzelfde bestuur. Strategie is een instrument en geen doel op zich. Het wordt ingezet om een ander doel te bereiken, namelijk het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming. Wel kan het zorgvuldig vaststellen en consequent uitvoeren en monitoren van een strategie wat mij betreft bijdragen aan het oordeel dat er sprake is van zorgvuldige besluitvorming, maar het biedt geen antwoord op de vraag of het uitvoeren van de vastgestelde strategie ook in het belang van de NV is. Het zal noodzakelijk zijn om een strategie te bepalen die gericht is op het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming (de eerste, richtinggevende trap) en vervolgens te toetsen of die route voldoende rekening houdt met de belangen van bij de vennootschap betrokken stakeholders (de tweede, corrigerende trap).62 Dat moet dan wel een strategie zijn die is vastgesteld met voldoende zorgvuldigheid, inzicht en kennis en in lijn met de beginselen van behoorlijk ondernemerschap. Ook in dat opzicht is er een verband tussen de strategie en het belang van de vennootschap.
De strategie zal in de regel zijn uitgewerkt in een meerjarenplan, wat betekent dat aandeelhouders hun bevoegdheden kunnen gebruiken om tijdens een jaarlijkse AV het ontslag van bestuurders of commissarissen te agenderen wanneer zij het niet eens zijn met de strategie. Het bepalen van de strategie maakt immers deel uit van de bestuurstaak, en aandeelhouders mogen ingrijpen wanneer bestuurders hun taak niet naar behoren vervullen. Onbehoorlijke taakvervulling kan er mijns inziens uit bestaan dat er geen heldere strategie wordt bepaald of dat die strategie een negatieve uitwerking heeft die aan het bestuur is toe te rekenen, omdat de strategie slecht wordt uitgevoerd of niet tijdig wordt aangepast aan veranderende omstandigheden. De keerzijde van de bevoegdheid van het bestuur op het gebied van strategie is ook de verantwoordelijkheid daarvoor, en de mogelijke aansprakelijkheid wanneer de strategie dusdanig afwezig of gebrekkig is dat gesproken kan worden van onbehoorlijke taakvervulling.
Ook in de Verenigde Staten bepaalt het bestuur onder normale omstandigheden in beginsel het beleid en de strategie, waarbij het een grote mate van beleidsvrijheid heeft.63 Zoals de Delaware Supreme Court het verwoordt: “Under normal circumstances, neither the courts nor the stockholders should interfere with the managerial decisions of the directors. The business judgment rule embodies the deference to which such decisions are entitled.”64 Zie over de business judgement rule uitgebreider paragraaf 3.2.