Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.A.2.b
b. Samenvatting parlementaire behandeling
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS472441:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een chronologisch overzicht van de diverse stappen in het wetgevingstraject A. Klein Hazebroek, Regeling inzake de inrichting van het landelijke gebied, p. 4 e.v.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nrs. 1 en 2.
B.F. Preller, ‘Kavelruil onder de Wet inrichting landelijk gebied nader beschouwd’, verwoordt het als volgt: ‘Nadat het wetsvoorstel Wilg bij de Tweede Kamer was ingediend, moest worden geconstateerd dat met betrekking tot de kavelruil op geen enkele wijze rekening was gehouden met de inhoud van het Rapport’. Overigens zijn met betrekking tot de herverkaveling de aanbevelingen van de Commissie op enkele punten wel opgevolgd, onder meer op het gebied van de te onteigenen gronden en de rechtsbescherming bij het reconstructieplan, aldus D.W. Bruil ‘Advies over de Wet Inrichting landelijk gebied (Wilg)- ten geleide’, p. 476. Zie tevens het Rapport Grondmobiliteit, p. 46.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 3. Opvallend is dat in de MvT met geen woord gerept worden over de hiervoor in onderdeel 1 beschreven ontwikkelingen, die (mede) aanleiding waren tot het wetsontwerp. Zie tevens nt. 1 van dit hoofdstuk.
Nr. W11.05.0499/V. Het rapport is integraal opgenomen in Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 4.
Zie in dit kader uitgebreid onderdeel B van het navolgende hoofdstuk.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 5.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 6.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 7.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nrs. 8 en 9.
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6215-6230 en Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6428-6429.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nrs. 10 en 12.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nrs. 11 en 13.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 14. Het amendement betreft de opname van de mogelijkheid tot bedrijfsverplaatsing via kavelruil in artikel 85 lid 3 van de wet.
Ik verwijs naar onderdeel B.9 van dit hoofdstuk.
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6223 e.v. Het moge duidelijk zijn dat deze verwachting is uitgekomen: zie onderdeel F3 van dit hoofdstuk. Slob spreekt op p. 6224 dan ook treffend over een ‘subsidiewarboel’.
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6233. Zie voor de Europese dimensie van de landinrichting de grenspost 3D van dit onderzoek.
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6220 e.v. Zie voor een uitgebreide bespreking van de ‘ontschotting’ hierna onderdeel A.3.C, alsmede D.W. Brui], ‘De Wet inrichting landelijk gebied: nieuwe rondes, nieuwe kansen’.
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6237. Zie voor het uiteindelijke rapport van deze commissie: ‘Op weg naar vaste grond’, Advies Commissie van wijzen DLG, Amersfoort 2006.
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6225. Zie nader hierna onderdeel e
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 15.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nrs. 16 en 17.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 18.
Zie tevens hfdst. 11, onderdeel C.4 van de fiscale grenspost.
Zie voor een opsomming van deze doelen onderdeel A.1.C hiervoor.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 21, waarover uitgebreid grenspost 2, hfdst. 11, onderdelen C.4.a en C.4.b van dit onderzoek.
Zie nader onderdeel A.2.C. van dit hoofdstuk.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 19. Bij deze Nota wordt de term ‘landelijk gebied’ gewijzigd in de (m.i. taalkundig gezien minder sterke) term ‘(het) landelijke gebied’
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 20.
Aldus B.F. Preller, ‘Kavelruil onder de Wet inrichting landelijk gebied nader beschouwd’, waar tevens te lezen is dat de Minister desgevraagd stelde niet op de hoogte te zijn van het adviesrapport. Zie tevens onderdeel c hierna.
Handelingen II 2005/2006, nr. 105, p. 6428-6429. Het verworpen amendement betreft het amendement-Koopmans omtrent de directe doorwerking van de WILG in de Reconstructiewet Concentratiegebieden. De verworpen motie betreft de motie-van den Brink in verband met de gelijkschakeling van het opbrengend vermogen van de toebedeelde gronden aan het opbrengend vermogen van de ingebrachte gronden binnen een ruilverkaveling.
Het betreft de motie die het mogelijk zou moeten maken dat de provincies de uitvoering en aansturing van het Programma Beheer vanaf het jaar 2007 zouden kunnen optimaliseren.
Handelingen I 2006/2007, nr. 11, p. 459^165.
Handelingen I 2006/2007, nr. 12, p. 488-496.
Stb. 2006, 666.
Stb. 2006, 677.
Overigens is deze benaming reeds in 1969, dus voor de invoering van de Landinrichtingswet, door de Agrarische sectie van de Wiardi Beekman Stichting voorgesteld, zie Wiardi Beekman Stichting, Agrarische sectie, Van ruilverkaveling naar inrichting van landelijke gebieden. Overigens spreekt men aldaar van ‘Wet op de inrichting van landelijke gebieden’. Het zou nog 38 jaar duren voordat deze nieuwe benaming, zij het met enige aanpassingen, zou worden doorgevoerd.
Zie ook de Nota van Toelichting, Stb. 397, p. 3. Opvallend is overigens dat in de parlementaire stukken en in de wetgeving voortdurend over het ‘landelijke gebied’ gesproken wordt, terwijl in de literatuur de term ‘landelijk gebied’ de voorkeur geniet. Ik geef zelf ook, puur op basis van taalgevoel, de voorkeur aan laatstgenoemde term. De wetgever is een andere mening toegedaan, getuige de Nota van verbetering d.d. 11 september 2006.
Zie art. 95 lid 1 WILG.
Stb. 2006, 666.
Vervolgens start de parlementaire behandeling.1 De Koningin biedt op 29 maart 2006 door middel van een Koninklijke Boodschap het wetsvoorstel voor de WILG.2 In de toelichting bij het wetsvoorstel is niet met zoveel woorden aandacht besteed aan het rapport van de Commissie Wilg.3 Het betreffende voorstel is door de minister van LNV samen met de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat opgesteld. Het wetsvoorstel wordt begeleid door een uitgebreide Memorie van Toelichting.4 De indieners van het wetsvoorstel hebben het wetsvoorstel, voorafgaande aan de indiening bij de Tweede Kamer, op 16 november 2005 voor advies voorgelegd aan de Raad van State. De Raad van State komt op 20 februari 2006 met haar rapport.5 De strekking van het wetsvoorstel wordt onderschreven, doch enkele aanpassingen worden nodig geacht Zo vindt de Raad van State onder meer dat er ruimte moet blijven voor eigen beleid van de provincies op het gebied van de landinrichting, dat het wetsvoorstel onvoldoende rekening houdt met de gewijzigde (en op dat moment nog te wijzigen) Wet op de Ruimtelijke Ordening6 en dat het voor een provincie in het kader van de zogenaamde meerjarenprogrammering niet altijd mogelijk is om de nog van het Rijk te ontvangen financiële middelen te bestemmen voor provinciale ambities op het gebied van de landinrichting, simpelweg omdat de provincie vaak nog niet weet of het Rijk geld beschikbaar stelt voor die betreffende beleidsambities. Verder gaat de Raad van State in op de inhoud van de bestuursovereenkomsten en op de afstemming van de wet met bestemmingsplannen van gemeenten. Ook wordt gewezen op het feit dat de tijdvakken in de wet op sommige onderdelen synchroon moeten lopen met relevante Europese regels.
De minister heeft als reactie in hetzelfde rapport aangegeven om, naar aanleiding van het advies, zowel diverse in het wetsvoorstel opgenomen artikelen alsmede delen van de toelichting aan te passen. Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt een aantal onderdelen van het wetsvoorstel bij te stellen en te verbeteren.7
De Tweede Kamer gaat niet over één nacht ijs en legt het wetsvoorstel voor aan de Vaste commissie voor LNV. De betreffende commissie doet van haar bevindingen verslag op 1 juni 20 06.8 Zij heeft voorbereidend onderzoek gedaan en adviseert de Tweede Kamer in te stemmen met het wetsvoorstel, onder voorwaarde dat de regering de door de commissie geopperde vragen afdoende beantwoordt.
De minister van LNV reageert op 28 juni 2006 uitvoerig op de vragen van de Vaste commissie voor LNV. Dit doet hij door middel van een Nota naar aanleiding van het verslag.9 Naast een uitgebreide beantwoording van de vragen komt naar voren, mede naar aanleiding van de bevindingen van de commissie, dat er wederom een aantal aanpassingen in het wetsvoorstel zullen worden aangebracht. Dit doet de minister door middel van een Nota van Wijziging, eveneens gedateerd op 28 juni 2006.10 Tevens zijn in die nota enkele foute verwijzingen en dergelijke opgelost.
De minister van LNV komt vervolgens op 24 augustus 2006 met een tweede nota van wijziging.11 De voorgestelde wijzigingen zijn in de tweede Nota van Wijziging opgenomen en zijn voorzien van een toelichting. Naast een aantal verfijningen en aanpassingen, vindt onder meer ook een verbeterde afstemming van in de wet opgenomen procedures ten opzichte van de provincie en opzichte van de Europe Unie plaats.
De Tweede Kamer begint op 31 augustus 2006 aan de plenaire behandeling van het wetsvoorstel.12 Op 30 augustus 2006 waren er al een aantal amendementen ingediend. Zo komen drie Kamerleden (Koopmans, Van der Vlies en Snijder-Hazelhoff) met twee amendementen.13 Daarnaast dienen Koopmans en Snijder-Hazelhoff samen nog twee amendementen in.14 Tot slot dient het Kamerlid Snijder-Hazelhoff nog een afzonderlijk amendement in.15
Onderwerpen die in de amendementen worden voorgesteld zijn (kort samengevat):
directe doorwerking van de WILG in de Reconstructiewet Concentratiegebieden;
kortingsregeling op verwerving van gronden ten behoeve van de Ecologische Hoofdstructuur buiten toepassing laten;
wettelijke verankering van de zogenaamde beroepscommissie;
korting van onder- en overbedeling gezamenlijk nooit meer dan 5%;
het mogelijk maken van bedrijfsverplaatsing door middel van kavelruil.16
Verder blijkt uit de Handelingen onder meer dat diverse Kamerleden verwachten dat als gevolg van de voorgestelde decentralisatie van de landinrichting er verschillen kunnen gaan ontstaan per provincie.17 De minister, die ook in de Kamer aanwezig is en vragen beantwoordt, beaamt dat er per gebied verschillen kunnen ontstaan, maar de Europese regelgeving voorkomt volgens hem grote verschillen.18 Ook vindt er een uitvoerige discussie plaats over de ‘ontschotting’ van de budgetten.19 Verder kondigt de minister de instelling van een ‘commissie van wijzen’ aan, die gaat adviseren over de (toekomstige) werkwijze van de DLG.20 Ook wordt de betekenis en uitleg van kavelruil doorgenomen.21
Tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer volgt bovendien nog een aantal moties. Zo dienen de Kamerleden Koopmans, Van der Vlies en Snijder-Hazelhoff op 31 augustus 2006 een motie in.22 Ook dienen de Kamerleden Kruijsen en Koopmans diezelfde dag (samen en Kruijsen ook apart) moties in.23 Ten slotte dient ook Kamerlid Van den Brink een motie in.24 De moties hadden betrekking op:
het blijvend koppelen van de goedkeuring van de kavelruil en de vrijstelling van overdrachtsbelasting;25
het bieden van meer vrijheid aan de provincies om de integrale aanpak van de acht beleidsdoelen uit de Nota Ruimte te realiseren;26
het al vanaf het jaar 2007 mogelijk maken voor provincies om de uitvoering en aansturing van het Programma Beheer te optimaliseren;
het bij een ruilverkaveling gelijk laten zijn van het opbrengend vermogen van de toebedeelde gronden aan het opbrengend vermogen van de ingebrachte gronden.
Op 8 september 2006 stuurt de minister van LNV een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer.27 Hij doet daarbij verslag van zijn overleg met de KNB. In de brief geeft de minister antwoord op een aantal vragen die er nog leefden en geeft hij nadere uitleg naar aanleiding van vragen vanuit het notariaat met betrekking tot de kavelruil. 28
Op 11 september 2006 worden enkele taalkundige wijzigingen doorgevoerd via een Nota van verbetering.29
Op 12 september 2006 dienen de Kamerleden Slob, Van der Vlies, Snijder-Hazelhoff en Koopmans nog eens een amendement in.30 In dit amendement wordt een aanvulling op de wet voorgesteld. Zij willen een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) waarin nadere regels met betrekking tot de kavelruil worden opgenomen. Dit (mede) omdat niet alle vragen, zoals in het adviesrapport van de Commissie Wilg vermeld, door de minister genoegzaam waren beantwoord.31
Op 12 september 2006 wordt in de Tweede Kamer over de amendementen, de moties én het wetsvoorstel gestemd. Op één amendement en één motie na, worden alle amendementen en moties aangenomen.32 Het wetsvoorstel wordt met algemene stemmen aangenomen. De motie van Kamerlid Kruijsen wordt op haar verzoek ingetrokken.33
Op 12 september 2006 wordt een gewijzigd voorstel van wet ingediend bij de Eerste Kamer.34
Op 23 oktober 2006 stuurt de minister nog een brief aan de Tweede Kamer. Hij verwijst naar stukken waarin is besloten tot de instelling van een Commissie van wijzen DLG.35
Op 7 november 2006 doet ook de Vaste commissie voor LNV van de Eerste Kamer verslag. Zij heeft geen op- of aanmerkingen.36
Op 4 en 5 december 2006 vindt de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer plaats. De minister van LNV beantwoordt ook in deze Kamer vragen.37
Op 5 december antwoordt hij zelfs (op verzoek) deels in rijm! Deze unieke gebeurtenis verdient een citaat:
“Uiteraard ben ik zeer verblijd, vandaag met uw Kamer te kunnen spreken over gebiedsgericht beleid. Met dit wetsvoorstel wordt wat des Rijles was provinciaal, het gebied, de burger en de ondernemers staan centraal. De hoofddoelen van beleid worden door Rijk in overleg met provincies bepaald, en deze worden door de provincies concreet naar gebiedsniveau vertaald. Afspraken daarover krijgen de vorm van een afrekenbare prestatie; de provincies zijn verantwoordelijk voor de daadwerkelijke realisatie. Ontschotting van budget, instrumenten en regie in één hand, betere afstemming van Rijk en provinciale programmering, brengen integratie, flexibiliteit, doelmatigheid, lastenvermindering en deregulering. Wij maken in principe voor zeven jaar afspraken over het beleid, dat geeft zekerheid en continuïteit. Overigens gaat het wetsvoorstel niet alleen over programmering, financiering, verantwoording en afrekening; het bevat ook een sterk vereenvoudigde landinrichtingsregeling. Tot zover het gerijmde algemene gedeelte van mijn relaas; ik verheug mij op een positieve uitkomst op deze dag van Sinterklaas."38
Vervolgens wordt het wetsvoorstel in de Eerste Kamer op dezelfde datum, zonder stemming, aangenomen.
Op 7 december 2006 wordt de wet ondertekend door Koningin Beatrix. Het contraseign door de ministers van LNV en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en waterstaat wordt op 20 december 2006 geplaatst evenals de ondertekening door de minister van Justitie. Op 20 december 2006 volgt bekendmaking in het Staatsblad.39
Bij besluit van 13 december 2006, op 21 december 2006 gepubliceerd in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, 40 wordt de datum van inwerkingtreding van (onder meer) de WILG bekendgemaakt. Die datum is 1 januari 2007. Per die datum is de Wet inrichting landelijk gebied41 in werking getreden. Deze wet bevat volgens de koninklijke boodschap ‘regels voorde realisering van het beleid gericht op de inrichting en het beheer van het landelijke gebied.’42 Per dezelfde datum is de Landinrichtingswet vervallen.43
Op 24 april 2007 publiceert de minister van Justitie in het Staatsblad een verbeterblad.44 Hiermee wordt een onjuist geschreven woord in de wet gecorrigeerd.