Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.2.1:2.2.1 Oorsprong
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.2.1
2.2.1 Oorsprong
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946255:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Teixeira de Mattos 1877, p. 221.
Zie Schönfeld 1886, p. 4. Het betrof in het Wurtenbergsche wetboek van 1839 21 klachtdelicten; in het Hessische wetboek van 1841 waren 17 klachtdelicten opgenomen; in het Badense wetboek van 1845 was sprake van 20 klachtdelicten; ook de nadien tot stand gebrachte Thüringsche (1850), Saksische (1855) en Beierse (1861) wetboeken bevatten elk meer dan 20 klachtdelicten.
Schönfeld 1886, p. 3-4.
Sprenger 1881, p. 22.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het gedachtegoed dat bepaalde delicten slechts vervolgd kunnen worden indien de benadeelde dit wenst, is ouder dan Nederland en treft men voor het eerst aan in de Constitutio Criminalis Carolina (C.C.C.) uit 1532. De invoering van dit Duitse wetboek betekende dat werd gebroken met het van oudsher geldende principe dat straf een louter privaatrechtelijk karakter toekomt. De strafoplegging strekte nog altijd deels tot bescherming van de persoonlijke belangen van het slachtoffer, maar werd ook dienstbaar gemaakt aan het algemeen belang. Het publiekrechtelijk karakter van de strafrechtspleging deed zijn intrede.1 De C.C.C. schreef ambtshalve vervolging voor als regel, maar creëerde daarop vier uitzonderingen. In geval van schaking, verkrachting, overspel en familiediefstal was de wil van de benadeelde vereist om te komen tot vervolging. In de strafwetgeving die nadien werd gecreëerd in de verschillende Duitse vorstendommen bleef het aantal klachtdelicten aanvankelijk beperkt. Pas in de Duitse wetgevingen van omstreeks 1840 nam dat aantal stevig toe.2 In het Duitse Rijksstrafwetboek van 15 mei 1871 was sprake van maar liefst 34 klachtdelicten. De praktijk wees echter al snel uit dat de wetgever was doorgeschoten in het toevoegen van een klachtvereiste aan misdrijven. Het werd met name problematisch bevonden dat bepaalde ernstige misdrijven niet konden worden vervolgd vanwege het ontbreken van een klacht. Deze vaststelling leidde tot herstelwetgeving en met de Novelle van 26 februari 1876 werd het aantal klachtdelicten teruggebracht tot 22.3 In het Duitse Rijksstrafwetboek dat nadien volgt zijn het er vervolgens toch weer 25.4 Klachtdelicten vinden dus hun oorsprong in de Duitse wetsgeschiedenis en spelen daarin een prominente rol. Desondanks zijn de Nederlandse klachtdelicten daaraan niet rechtstreeks ontleend.