Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.3.3
6.3.3 Vorm en vormgever van het examen
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949332:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 29, tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1978, 386).
Artikel 19, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Kamerstukken II 1960/61, 5350, nr. 8, p. 30 en artikel 29, eerste lid van de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1978, 386).
Zie het Koninklijk Besluit van 8 april 1970 (Stb. 1970, 371), voor de inwerkingtreding van het hiervoor genoemde besluit was het eindexamen tijdelijk geregeld in het Interimbesluit eindexamens h.a.v.o.-m.a.v.o. (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1969, Stb. 1969, 438).
Artikel 2.50 e.v. van de Wvo 2020 en hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wvo 2020.
Nota van toelichting p. 370 van het Besluit eindexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. (Stb. 1970, 51).
Artikel 13 van het Besluit eindexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. (Stb. 1970, 51).
Nota van toelichting p. 37 van het Besluit eindexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. (Stb. 1970, 51).
Artikel 2.53, tweede lid, van de Wvo 2020.
In de Wvo werd bepaald dat leerlingen in het voortgezet onderwijs de gelegenheid wordt geboden om een eindexamen af te leggen.1 In de Wvo was niet geregeld welke vorm het eindexamen zou hebben, bij algemene maatregel van bestuur moesten hierover nadere voorschriften worden gesteld.2 Vooruitlopend op deze algemene maatregel van bestuur gaf de wetgever bij de totstandkoming van de Wvo in 1963 aan de voorkeur te hebben voor een schoolonderzoek. De school die ook het onderwijs vormt zou de aangewezen instantie zijn om de resultaten daarvan te onderzoeken.3 De school heeft eigen accenten gelegd in het onderwijs en heeft met de betreffende leerlingen gewerkt. Bij een examen afgenomen door een externe instantie bestond volgens de wetgever het risico dat de school een opleidingsinstituut zou worden voor dit examen, ten koste van de algemene ontwikkeling.
Voorschriften over het eindexamen waren vanaf 1970 vastgelegd in het Besluit eindexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o, dit besluit werd in 1989 het Eindexamenbesluit VO.4 Momenteel staan de voorschriften voor het eindexamen in de Wvo 2020 en deels in het Uitvoeringsbesluit Wvo 2020.5 In 1970 beoogde de wetgever met de voorschriften over het eindexamen enerzijds waarborgen te scheppen voor de maatschappelijke waarde van het diploma en anderzijds ruimte te bieden aan de scholen voor een eigen aanpak en eigen verantwoordelijkheid.6 Het eindexamen ging daarom bestaan uit een schoolonderzoek en een schriftelijk (centraal) examen dat door een namens de minister aangestelde commissie werd opgesteld.7 Met het schoolonderzoek wordt het leerproces op de school afgerond.8 De wetgever heeft dit naast het schriftelijk (centraal) examen ingevoerd om de scholen een ruime mate van vrijheid te geven bij het inrichten van het onderwijs. Sinds 1970 is de verdeling tussen een examen vormgegeven door de school en een examen vormgegeven door de minister nauwelijks gewijzigd. Het huidige eindexamen bestaat voor een bepaald vak nog steeds uit een schoolonderzoek, een schriftelijk examen of beide.9 Het schoolonderzoek wordt tegenwoordig het schoolexamen genoemd en het schriftelijk examen wordt nu het centraal examen genoemd.