Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/5.4
5.4 Waarborgaspecten voor de beslagene
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS494636:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
‘Waarborgen tegen misbruik zijn noodzakelijk (omdat recht op executie op het moment van conservatoire beslaglegging ontbreekt),’ aldus Star Busmann 1972, p. 514 (nr. 486). En: ‘De compulsieve aard van de conservatoire beslagen maakt bescherming van de schuldenaar noodzakelijk,’ aldus Van Mierlo (Burgerlijke Rechtsvordering) losbladige Kluwer, boek 3, titel 4, Inleiding conservatoir beslagrecht, aant. 2. Ook Broekveldt 2003, p. 641, meent dat het verstandig is dat de wetgever van oudsher de nodige waarborgen heeft ingebouwd om tegen misbruik van dit verhaalsmiddel te waken.
Voor zover dit het meewegen van de mogelijkheid van verhaal door de beslaglegger betreft, wordt dit meegewogen als zijnde inherent aan het leggen van beslag als procesrechtelijk bevoegdheid: Meijsen 2008, p. 167.
Art. 701 Rv biedt de voorzieningenrechter de mogelijkheid ambtshalve en zonder nadere motivering over te gaan tot het bevelen van een zekerheidstelling voor de beslagschade en het bedrag daarvan in zijn beschikking tot verlof te bepalen. De Beslagsyllabus augustus 2012, p. 12 geeft als voorbeeld de situatie van benadeling van de kredietwaardigheid van de schuldenaar.
De regeling inzake zekerheidstelling is bedoeld om onberaden en ongegronde beslagen te voorkomen, in het bijzonder vermeldt Van Mierlo (Burgerlijke Rechtsvordering) losbladige Kluwer, art. 701 Rv, aant. 1 en 2, als mogelijke gronden voor het bevelen van zekerheidstelling: de benadeling van de kredietwaardigheid van de schuldenaar door het beslag en de voorshands dubieuze rechtsgrond van de hoofdvordering.
Deze conclusies zijn gebaseerd op het onderzoek naar de beoordeling van beslagrekesten uit 2007 (zie ook publicatie in Praktisch Procederen: Meijsen 2008). Niet aannemelijk is dat anno 2012 tot een andere vaststelling zou worden gekomen: nog steeds vindt (ambtshalve) toepassing van artikel 701 Rv in de fase van verlofverlening niet plaats. De Beslagsyllabus augustus 2012 bevestigt dit op p. 12 door de vermelding dat de begroting van mogelijke beslagschade problematisch is. Ook behoeft in het beslagrekest geen informatie te worden verstrekt over de gegoedheid van de verzoeker.
Idem: Broekveldt 2003, p. 647, mede onder verwijzing naar H. Stein.
De (wettelijke) voorloper hiervan is art. 726 Rv (oud), bedoeld ter bescherming van de belangen van de beslagene, op grond waarvan binnen acht dagen na beslaglegging een vanwaardeverklaring moest worden gevraagd: Star Busmann 1972, p. 513.
Zie ook paragraaf 5.2.3.
In de arrondissementen Haarlem, Amsterdam en Den Haag (alleen IE).
In Amsterdam werd van deze mogelijkheid in 2008 jaarlijks circa tweehonderd maal gebruikgemaakt (6% van het totaal aantal verzoekschriften conservatoir beslag). In ruim 10% van de grijsmakingen werd nadien inderdaad een verzoek voor het leggen van beslag ingediend. In 2008 leidde dit in vijftien gevallen tot het (discretionaire) besluit partijen te horen. Tien zaken werden naar aanleiding daarvan ingetrokken. In vier van deze vijftien gevallen werd verlof verleend. In 2012 is het aantal grijsmakingen in Amsterdam gestegen tot ca. driehonderd (zonder verlengingen), bij een aantal rekesten van circa tweeduizend. Het aantal zaken waarin een rekest na grijsmaking werd ontvangen is in absolute zin vrijwel gelijk gebleven. In Den Haag (IE) overstijgt het aantal grijsmakingen van honderdenacht in 2008 (zonder verlengingen) de zeventig verzoekschriften conservatoir beslag (art. 1019b-d en e Rv). In dit aanvangsjaar van grijsmaking volgde in geen enkele geval na grijsmaking een verzoek tot het leggen van beslag. In de jaren daarna is sprake van negentig grijsmakingen bij zesenveertig rekesten in 2009, eenenzeventig grijsmakingen bij negenentachtig rekesten in 2010 en achtennegentig grijsmakingen bij negenenzeventig rekesten in 2011. Het absolute aantal grijsmakingen in de database stijgt jaarlijks door het systeem van verlenging (sommige kwesties worden tweemaandelijks verlengd vanaf 2008). Het aantal matches (verzoekschrift na grijsmaking) blijft gering: een à twee op jaarbasis. Dit zou kunnen worden veroorzaakt omdat in IE kwesties een kort geding procedure in sommige gevallen beter passend wordt geacht in een inbreuksituatie dan een beslag of ex-parte verbod.
In de inleiding kwam reeds aan de orde dat de beoogd beslagene in het proces van de beoordeling van een verzoek om conservatoir beslag te mogen leggen onwetend is over het verzoek en hierin veelal ook niet wordt gehoord. Alhoewel sedert enige tijd de richtlijn bestaat dat in het beslagrekest het verweer van de beoogd beslagene dient te worden vermeld, blijft een verlofverlening een eenzijdige aangelegenheid, waarbij de voorzieningenrechter afgaat op de informatie die de verzoeker verstrekt. Het moge duidelijk zijn dat deze laatste er belang bij heeft om zo min mogelijk informatie in het beslagrekest te vermelden, die kan leiden tot afwijzing van het verzoek. Het is daarmee niet zonder reden dat tegenover de eenzijdige wijze van verlofverlening een aantal beschermende bepalingen ten gunste van de beslagene staan. Ook in de doctrine wordt gewezen op de noodzaak van waarborgen tegen misbruik en bescherming van de beoogd beslagene.1
Een procesrechtelijke waarborg voor de beoogd beslagene is dat, op straffe van nietigheid van het beslag, steeds verlof van de voorzieningenrechter zal moeten worden verkregen, alvorens conservatoir beslag kan worden gelegd. De bepaling heeft een preventieve werking in die zin dat eigenrichting wordt uitgesloten. Alhoewel niet expliciet in de wet vastgelegd, mag op grond van de Beslagsyllabus en de rechtspraktijk worden aangenomen dat de beoordeling door de voorzieningenrechter zich zal richten op het zoveel als mogelijk voorkomen van onrechtmatige beslagen. Bij de afweging van belangen zal, naast het belang van de beslaglegger (dat evident is: namelijk het verzekeren van een (vermeend) recht)2 ook het belang van de beoogd beslagene moeten worden meegewogen. Deze afweging wordt, voor zover het de beoogd beslagene betreft bemoeilijkt door de eenzijdigheid en vaak beperkte informatie die de voorzieningenrechter in dit stadium ter beschikking heeft. Zo is gebleken dat het eventueel kunnen verhalen van de schade op de beslaglegger na een onterecht beslag geen onderdeel van de afweging uitmaakt omdat de voor deze toetsing benodigde informatie niet voorhanden is. Om dezelfde reden vindt de bestaande wettelijke regeling in artikel 701 Rv3 inzake zekerheidstelling door de beslaglegger in verband met eventuele door een onrechtmatig gelegd beslag veroorzaakte schade,4 die ook in de Beslagsyllabus in het kader van de behandeling van het beslagrekest wordt vermeld, geen toepassing.5 Het gaat wat betreft de afweging van de belangen van de beoogd beslagene deels en de regeling inzake zekerheidstelling door de beslaglegger om louter theoretische waarborgen. Dit is met de invoering van de Beslagsyllabus juni 2011 niet veranderd.
Voor een aantal beslagsoorten zal tijdens de verlofverlening het in de wet opgenomen criterium van vrees voor verduistering een rol spelen. De toetsing aan dit criterium beoogt onnodige beslagen te voorkomen en dient daarmee ter bescherming van de beslagene. Hiervoor is reeds besproken dat het criterium bij de verlofverlening nog slechts een beperkte rol speelt en in de huidige praktijk daarnaast vaak beperkt of niet wordt getoetst door de voorzieningenrechter.6
Het feit dat verlofverlening plaatsvindt onder de voorwaarde, dat binnen een door de voorzieningenrechter vast te stellen termijn door de beslaglegger een hoofdzaak wordt ingesteld, voor de vordering waarvoor beslag werd gelegd, dient ter bescherming van de beslagene.7 Omdat het niet voldoen aan deze voorwaarde wordt bedreigd met nietigheid van het beslag, vormt dit een praktisch instrument als ‘stok achter de deur’, dat tijd rekken door de beslaglegger ten laste van de beslagene moet voorkomen.
Ten slotte is er de regeling van het grijs maken van beslagen,8 die nog in een beperkt aantal arrondissementen wordt gehanteerd.9 Het is de enige gelegenheid die een aankomend beslagene heeft om zijn belangen te beschermen door vooraf zijn visie te geven op een door hem verwachte beslaglegging.10