Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/7.4
7.4 Het onderzoek ter terechtzitting
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de zaak Holleeder bedroeg het aantal zittingsdagen in eerste aanleg 37 en in hoger beroep 34. Zie Rb Haarlem 21 december 2007, LJN BC0703 en Hof Amsterdam 3 juli 2009, LJN BJ1646. Men kan zich afvragen of hier nog van enige evenredigheid sprake is tussen de inzet van publieke middelen en een eerlijk proces. Dit nijpt te meer indien men zich bedenkt dat in minder bekende eenvoudige strafzaken op zitting veelal wordt volstaan met een paar vragen door de politierechter aan de verdachte, het requisitoir van de officier en het laatste woord van de verdachte. Een dergelijke zitting duurt — inclusief de mondelinge uitspraak — vaak twintig minuten. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat een en ander sterk samenhangt met (de kwaliteit van) de rechtsbijstand waarover de verdachte beschikt, hetgeen vaak zal samenhangen met de financiële draagkracht van de verdachte.
Te vinden op rechtspraak.nl.
In HR 24 september 2002, LJNAE6122 werd geoordeeld dat een redelijke uitleg van het wetssysteem inhoudt dat ook art. 264 Sv, waarnaar in art. 287 lid 3, onderdeel a, Sv wordt verwezen, in ontnemingszaken, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, van toepassing is. Art. 511b Sv bevat blijkbaar een omissie. In BR 2 december 2008, LJNBF5691 werd overwogen dat een medeverdachte die in verband met de gelijktijdige behandeling van zijn zaak ter terechtzitting aanwezig is, op grond van de enkele omstandigheid dat de verdediging verzoekt hem in de zaak van de verdachte als getuige te horen, niet reeds moet worden aangemerkt als een 'verschenen getuige' in de zin van art. 287 lid 2 Sv. In BR 17 februari 2009, LJN BG7752 werd het gerechtshof op de vingers getikt omdat het had overwogen dat de verschenen getuige niet werd gehoord omdat dat naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk is, aangezien die getuige niet aanwezig is geweest bij de tenlastegelegde feiten en daarover niets uit wetenschap kan verklaren. Het gerechtshof had hier het verdedigingscriterium aan moeten leggen.
Zie echter BR 17 december 1968, NJ1970/328 en BR 9 april 1974, NJ1974/251, waarin is bepaald dat het vermelden van de redenen van wetenschap bij een getuigenverklaring niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven.
Zie daarover Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 606-607.
Overigens kunnen ook de burgerlijke en de bestuursrechter net als ieder ander aangifte doen wegens meineed (art. 260 Sv). Een geding behoort in ieder geval zoveel mogelijk op basis van werkelijkheid te worden beslist. Dit brengt mee, zoals ook voortvloeit uit de geldende eisen van een goede procesorde in burgerlijke zaken, dat de rechter niet mag worden misleid. Zie HR 23 september 2003, LJN AG3035.
De rechtbank en het gerechtshof hoeven niet te motiveren waarom de getuigen achter gesloten deuren en buiten afwezigheid van de verdachte worden gehoord, aldus onder meer HR 19 maart 2002, NbSr 20021142. Uit dit arrest volgt dat er reden kan zijn daartoe te beslissen als de getuigen zich bedreigd voelt door de verdachte en hij eerst naar vrijheid kan verklaring nadat die dreiging wordt weggenomen. Het gaat hier om de goede rechtspleging als bedoeld in art. 269 lid 1 Sv die in geding is. Uit dit arrest volgt ook dat de raadsman die ervoor kiest om dit besloten verhoor niet bij te wonen later tegengeworpen kan krijgen dat hij die verdedigingskans zelf heeft laten schieten. Indien hij wel dit besloten verhoor bijwoont loopt hij daarentegen het risico dat hij later niet meer met succes kan aanvoeren dat de verdediging op ontoelaatbare wijze in haar belangen is geschaad, ook al zou de getuige ten onrechte zijn verhoord buiten afwezigheid van de verdachte.
In HR 26 mei 1998, NJ 1998/713 oordeelde de Hoge Raad dat onder stukken waarop ten bezware van de verdachte geen acht mag worden geslagen dan voor zover zij zijn voorgelezen of hun korte inhoud is medegedeeld zijn te begrijpen stukken welke van invloed kunnen zijn op het bewijs van het tenlastegelegde, de strafbaarheid van het bewezene en van de verdachte of de oplegging van straf of maatregel. Nijboer stelt dat naleving van deze bepaling met betrekking tot alle uit hoofde van art. 350 Sv te nemen beslissingen, maar zeker met betrekking tot de bewijsbeslissing met kracht dient te worden bewaakt, ondanks dat niet naleving daarvan sinds invoering van de Wet vormverzuimen niet langer met nietigheid is bedreigd, nu het sedert de audtitu arrest van 1926 de belangrijkste waarborg vormt dat alle beschikbare informatie ook al is die vrijwel geheel afkomstig uit het voorbeidend onderzoek op de terechtzitting aan de orde wordt gesteld. Zie Nijboer, Strafrechtelijk bewijsrecht (2008), p. 73.
De advocaat van de verdachte zal veelal een pleidooi houden (art. 311 lid 2 en 331 Sv). Het recht op pleidooi mag niet worden beknot. In HR 23 maart 1993, NJ 1993/696 werd overwogen dat de raadsman, die op grond van art. 311 lid 2 Sv het woord voert, in beginsel het recht heeft daarbij aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt. Deze regel is volgens de Hoge Raad van zo grote betekenis dat niet-nakoming daarvan in het algemeen leidt tot nietigheid van het onderzoek. Zie ook HR 29 september 2009, LJN B1466.
In HR 3 november 2009, L/NBK1798 werd overwogen dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat art. 322 lid 4 Sv ook de uit hoofde van art. 315 Sv gegeven bevelen tot oproeping van getuigen omvat. Een dergelijk bevel blijft dus bij het opnieuw aanvangen van het onderzoek in stand. Is de getuige dan niet verschenen, dan zal een beslissing uit hoofde van de art. 287 en 288 Sv moeten worden gegeven. Ten overvloede overwoog de Hoge Raad dat deze analoge toepasing niet geldt ten aanzien van de op de voet van de art. 328 en 331 Sv in verbinding met art 315 Sv gegeven afwijzende beslissingen op ter terechtzitting gedane verzoeken tot oproeping van getuigen. Ten aanzien van die afwijzende beslissingen geldt art. 322 lid 4 Sv dus niet.
Zie Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 582.
Er zijn enige verschillen met art. 8:61 Awb. Zo is in het zesde lid van art. 8:61 Awb bepaald dat het proces-verbaal door de voorzitter van de meervoudige kamer (of de enkelvoudige rechter) en de griffier wordt ondertekend. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het procesverbaal vermeld. Verder gaat art. 8:61 Awb uit van aantekening door de griffier van het verhandelde ter zitting. Pas bij hoger beroep is het uitwerken van een proces-verbaal echt noodzakelijk. Zie in dit verband hierna het verkorte proces-verbaal dat moet worden uitgewerkt conform art. 327a Sv.
HR 19 juni 2007, LJN BA3627.
BR 5 februari 2002, LJN AD5371.
Deze paragraaf ziet op het onderzoek ter zitting door de feitenrechter. In cassatie heeft slecht een beperkte zitting plaats (art. 438 Sv). Hieronder zal ik in vogelvlucht een aantal bepalingen nalopen die de terechtzitting in strafzaken karakteriseert. Vooraf merk ik op dat — anders dan in het bestuursprocesrecht — zich in het strafrecht enorme verschillen voordoen in de aanpak van strafzaken door de rechtbanken en appelrechters. Op een gewone politerechterzitting of een kantonzaak worden in een ochtend meer dan twintig zaken afgedaan, waarna direct uitspraak volgt. In zogenoemde megazaken heeft veelal eerst een regiezitting plaats waarin wordt beslist omtrent preliminaire verweren en het al dan niet oproepen van getuigen en deskundigen en de volgorde waarin die worden gehoord. Het aantal eigenlijke zittingsdagen beslaat soms wel 25 dagen of meer.1 In die gevallen neigt ons strafproces meer naar een accusatoir stelsel.
In die gevallen is de kans ook groot dat niet altijd in gelijke kamersamenstelling wordt gezeten. Zo wordt in megazaken vaak een reserve-rechter achter de hand gehouden die zich in het dossier heeft ingelezen, opdat hij zo nodig één van de andere leden kan vervangen. Waar ik hieronder spreek van partijen doel ik uitsluitend op verdachte (en zijn raadsman) en de officier van justitie, tenzij anders aangeven.
Ingevolge art. 269 lid 1 Sv heeft het onderzoek ter terechtzitting als hoofdregel in het openbaar plaats, maar kan de rechtbank na het uitroepen van de zaak gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen. Dit bevel kan worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de veiligheid van de staat, alsmede indien de belangen van minderjarigen, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Een dergelijk bevel kan ook worden gegeven, indien de openbaarheid naar het oordeel van de rechtbank het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden. Deze uitzonderingsgronden zijn in overeenstemming met art. 6 lid 1 EVRM en zijn ook te vinden in art. 8:62 Awb voor wat betreft de zitting bij de bestuursrechter. Een bevel tot behandeling achter gesloten deuren kan ambtshalve worden gegeven of op verzoek van een procesdeelnemer, waarbij geldt dat de procesdeelnemers altijd tevoren — zo nodig met gesloten deuren — hieromtrent worden gehoord (art. 269 lid 2 Sv). Anders dan in het bestuursprocesrecht kan door de rechter dus niet reeds voor de zitting worden beslist omtrent behandeling achter gesloten deuren.
In art. 271 Sv is bepaald dat geen vragen worden gesteld, welke de strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid zijn afgelegd en dat geen van de rechters op de terechtzitting blijk geeft van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte. Ingevolge de eerste twee leden van art. 273 Sv begint de voorzitter het onderzoek tegen de verdachte naar diens personalia en verblijfplaats te vragen, maant hij de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mee dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst wordt het onderzoek niet voortgezet zonder de bijstand van een tolk (art. 275 Sv). De rechtbank onderzoekt de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding aan de niet verschenen verdachte. Indien blijkt dat deze niet op geldige wijze is uitgereikt, spreekt zij de nietigheid van de dagvaarding uit (art. 278 lid 1 Sv). De rechtbank kan bevelen dat de verdachte in persoon zal verschijnen; zij kan daartoe tevens zijn medebrenging gelasten (lid 2). Indien de verdachte heeft meegedeeld dat hij zijn verdediging in persoon wil voeren en hij om uitstel van de behandeling van zijn zaak heeft verzocht, beslist de rechtbank op het verzoek om uitstel (lid 3). Het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de hoven en rechtbanken heeft mede met het oog hierop een Landelijk aanhoudingsprotocol vastgesteld, waaruit volgt dat alleen uitstel wordt verleend als de verhindering voldoende dringend en aannemelijk is.2 De verdachte die niet is verschenen, kan zich ter terechtzitting laten verdedigen door een advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. De rechtbank stemt daarmee in, tenzij het wenselijk acht dat de verdachte bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting aanwezig is (art. 278 lid 1 Sv). De behandeling van de zaak tegen de verdachte die zijn advocaat tot zijn verdediging heeft gemachtigd, geldt als een procedure op tegenspraak (lid 2). Indien de dagvaarding geldig is betekend en de verdachte verschijnt niet (bij gemachtigde), kan hem verstek worden verleend en kan de behandeling van de zaak buiten zijn aanwezigheid worden voortgezet (art. 280 lid 1 Sv).
In de gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zonder onderzoek van de zaak zelf kan blijken, is de verdachte bevoegd dit verweer reeds dadelijk na de ondervraging ter zake van zijn personalia en verblijfplaats voor te dragen en toe te lichten. Deze voorvragen kunnen ook ambtshalve zonder nader onderzoek door de rechtbank ambtshalve worden afgekaart. In beide gevallen worden partijen gehoord (art. 283 Sv). Vervolgens wordt de zaak voorgedragen door de officier van justitie en kan de officier gelet op eventuele prealabele verweren vorderen dat de tenlastelegging wordt gewijzigd (art. 284 Sv). In art. 286 Sv is onder meer bepaald dat de voorzitter de verdachte ondervraagt en dat gedurende de verdere loop van het onderzoek aan de verdachte door de voorzitter, de rechters, de officier van justitie, de raadsman en de medeverdachte vragen kunnen worden gesteld. De verschenen getuigen worden gehoord, tenzij daarvan wordt afgezien met toestemming van de officier van justitie en van de verdachte dan wel op de gronden genoemd in art. 288 lid, onderdelen b en c, Sv (art. 287 lid 2 Sv).3
Art. 291 Sv bevat een norm voor de getuige: de getuige moet bij zijn verklaring zo veel mogelijk uitdrukkelijk opgeven wat hij heeft waargenomen en ondervonden en wat zijn redenen van wetenschap zijn.4 De getuigen worden in beginsel gehoord door de rechter(s) en partijen. Van een kruisverhoor is geen sprake.5 De rechtbank kan ambtshalve of op vordering van de officier of op verzoek van de verdachte beletten dat aan enige vraag, gesteld door één van partijen, gevolg wordt gegeven (art. 293 lid 1 Sv). De rechtbank heeft enige instrumenten om getuigen die medewerking weigeren of liegen aan te pakken. Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert de gestelde vragen te beantwoorden ofwel de gevorderde eed of belofte weigert af te leggen, beveelt de rechtbank, indien dit voor het onderzoek dringend noodzakelijk is, dat hij in gijzeling zal worden gesteld (art. 294 lid 1 Sv). Indien een getuige ervan verdacht wordt zich op de terechtzitting aan het misdrijf van meineed schuldig te hebben gemaakt, kan de rechtbank dienaangaande onderzoek bevelen (art. 295 lid 1 Sv).6 De rechtbank kan getuigen met elkaar confronteren of juist bepalen dat zij afzonderlijk worden verhoord, eventueel ook in afwezigheid van de verdachte (zie art. 297 en de art. 288a en 289 Sv).7
De deskundige wordt bij zijn verhoor op de terechtzitting beëdigd dat hij naar waarheid en zijn geweten zal verklaren (art. 51m Sv). Vragen met betrekking tot de geestvermogens van de verdachte kunnen eventueel buiten diens tegenwoordigheid worden gesteld en behandeld, met dien verstande dat de verdachte na diens terugkeer in de zittingzaal wordt meegedeeld wat tijdens zijn afwezigheid is voorgevallen (art. 300 Sv). Art. 301 Sv voorziet in het zo nodig voorlezen van processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken, danwel in een mondelinge mededeling van de korte inhoud door de voorzitter. Ten bezware van de verdachte wordt in elk geval geen acht geslagen op stukken, die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet is meegedeeld (lid 4).8 Dit voorschrift geldt niet voor de politierechter; voldoende is dat in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt aangetekend dat die stukken zijn overgelegd (art. 374 lid 1 Sv). Het slachtoffer of diens nabestaande kan op de terechtzitting een verklaring afleggen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit, indien het gaat om zeden- en geweldsmisdrijven, bij hem teweeg heeft gebracht (art. 302 Sv). De rechtbank hoort voorts het slachtoffer of de nabestaande die op grond van art. 260 lid 2 Sv is opgeroepen en verschenen. Indien deze niet is verschenen kan de rechtbank overgaan tot een nieuwe oproeping (art. 303 Sv). De officier van justitie legt een lijst met inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen over en doet voorts mededeling van de opbrengst van de met machtiging verkochte voorwerpen, terwijl de voorzitter zo nodig de voorwerpen die als stukken van overtuiging dienen, aan de verdachte en de getuigen toont en hen daaromtrent hoort (art. 309 Sv). De rechtbank kan ook de hulp van de reclassering inroepen (zie art. 310 en 147 Sv).
In art. 311 Sv is neergelegd dat de officier van justitie het woord kan voeren — het requisitoir — nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord en dat hij zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank overlegt. Deze vordering — de strafeis — omschrijft de gevorderde straf of maatregel en vermeldt welk strafbaar feit zou zijn begaan. De officier van justitie maakt, voor zover dit aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering tot voordeelontneming aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld. Van deze mededeling van de officier wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gemaakt. Na antwoord van de verdachte of zijn raadsman bij pleidooi9 en repliek van de officier krijgt de verdachte — op straffe van nietigheid — het laatste woord. De voorzitter kan echter bepalen dat aan de verdachte, getuigen en deskundigen nieuwe vragen worden gesteld en dat stukken worden voorgelezen. In dat geval wordt daarna de volgorde van woordvoering in art. 311 Sv nog een keer herhaald. Ook kan voor de sluiting van het onderzoek nog de verderop te bespreken wijziging van de tenlastelegging plaatshebben (art. 312 en 313 Sv). Verder kan de rechtbank het onderzoek schorsen met het oog op nader onderzoek door een rechter-commissaris (art. 316 Sv), een onderzoek bevelen naar de geestvermogens van de verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen (art. 317 Sv) of bevelen dat de terechtzitting tijdelijk zal worden verplaatst met het oog op het houden van een schouw of het horen van getuigen of verdachten elders dan in de gehoorzaal, doch binnen het rechtsgebied van de rechtbank (art. 318 Sv). Uitgangspunt is dat het onderzoek in de zaak op de nadere terechtzitting wordt hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond, tenzij de samenstelling van de rechtbank bij de hervatting gewijzigd is. Ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding, beslissingen op prealabele verweren, beslissingen op vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging alsmede beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen in stand (art. 322 Sv).10
De griffier maakt een proces-verbaal op van de zitting (art. 326 Sv). Het proces-verbaal kan van groot belang zijn omdat in beginsel wordt uitgegaan van de juistheid ervan. Indien uit het proces-verbaal niet blijkt dat de cautie is gegeven of een bepaald verweer is gevoerd dan wordt ervan uitgegaan dat de cautie niet is gegeven respectievelijk het betreffende verweer niet is gevoerd. De raadsman doet er dan ook verstandig aan aantekening te verlangen van een verweer. Dat kan door te verzoeken zijn pleitnota te insereren (zie art. 326 lid 4). In evidente gevallen van misslagen kan de onjuistheid van het proces-verbaal worden aangenomen.11 Het proces-verbaal wordt ingevolge art. 327 Sv door de voorzitter of door een van de rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en de griffier vastgesteld en zo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen tweemaal 24 uur na het doen van de uitspraak ondertekend. Voor zover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijn medewerking en wordt van zijn verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.12 Behoudens in bepaalde gevallen dat bij verstek vonnis is gewezen, kan een verkort proces-verbaal worden opgemaakt (art. 327a lid 1 Sv). Dat verkorte proces-verbaal moet alsnog worden uitgewerkt, indien tegen het vonnis een gewoon rechtsmiddel wordt aangewend of aan een vordering of verzoek tot het aanvullen van een verkort vonnis gevolg wordt gegeven (art. 327a lid 3 Awb). Indien het verkorte proces-verbaal aldus wordt aangevuld dan is dat aangevulde proces-verbaal 'de kenbron van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen en komt dienaangaande aan een aanvankelijk opgemaakt verkort proces-verbaal geen zelfstandige betekenis toe' 13
Hiervoor noemde ik het beperkte spreekrecht van slachtoffer of nabestaanden (art. 302 Sv). Ook de benadeelde partij kan diens vordering (doen) toelichten. Dit kan na het requisitoir van de officier (art. 334 lid 4 Sv). Voorts kan hij de getuigen en deskundigen vragen stellen voor zover het de vordering tot schadevergoeding betreft (art. 334 lid 3 Sv). Een uitzondering hierop doet zich voor indien de rechtbank oordeelt dat de benadeelde partij kennelijk niet ontvankelijk is. In dat geval kan zij zonder nader onderzoek van de zaak de niet ontvankelijkheid van de benadeelde partij uitspreken (art. 333 Sv). Een behoorlijke procesorde brengt volgens de Hoge Raad overigens met zich mee dat het ontbreken van een bijzondere schriftelijke volmacht (art. 51e lid 2 Sv) niet zonder herstelmogelijkheid kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij.14 Buiten de gevallen van kennelijke niet ontvankelijkheid doet de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij uitspraak gelijktijdig met de einduitspraak in de strafzaak (art. 335 Sv).
Na afloop van het onderzoek wordt dit door de voorzitter gesloten verklaard en wordt direct uitspraak gedaan of wordt door de voorzitter mondeling meegedeeld wanneer uitspraak zal worden gedaan (art. 345 lid 1 Sv).