Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/718
Caribische zaak. Hof heeft het aangevoerde kennelijk niet opgevat als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt; dit oordeel is noch onjuist noch onbegrijpelijk.
HR 03-06-2025, ECLI:NL:HR:2025:832
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
3 juni 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.L.J. van Strien, T. Kooijmans, C.N. Dalebout, R. Kuiper
- Zaaknummer
23/01429 C
- Conclusie
A-G mr. E.J. Hofstee
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:832, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑06‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:352, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑03‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑06‑2023
- Wetingang
Art. 2:198 Wetboek van Strafrecht van Curaçao (SrC); art. 402lid 2 Wetboek van Strafvordering van Curaçao (SvC)
Essentie
Caribische zaak. Het hof heeft het aangevoerde over het bewijs van verkrachting kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 402 lid 2 SvC. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Samenvatting
Mede naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal merkt de Hoge Raad op dat — met het oog op een overzichtelijke en werkbare procesvoering in cassatie — een klacht in cassatie over het niet (toereikend) responderen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in beginsel wordt beoordeeld aan de hand van de omschrijving van dat standpunt zoals deze ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.