Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.8
9.8 Kwalificatie en functie van de organisatieplicht naar Nederlandse recht
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS601938:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 9.6.7.
Castermans 2015, p. 220, onder verwijzing naar Jansen 2012a, p. 37-39.
Jansen ziet informatieplichten als “contextgebonden uitvloeisel van het ongeschreven recht” (Jansen 2012a, p. 570).
HR 8 februari 2013, NJ 2014/495 (Van Lanschot/Grove); HR 8 februari 2013, NJ 2014/496 (Kramer/Van Lanschot); HR 8 februari 2013, NJ 2014/497 (Van de Steeg/Rabobank).
Ook over het rechtskarakter van zorgplichten bestaat overigens debat. Zie Van Baalen 2006, p. 249-250.
Zoals de voorzienbaarheid van de relevantie van de informatie, een gezichtspunt dat naar mijn mening essentieel is bij de beoordeling van situaties van kennisversplintering, maar dat in Nederlandse publicaties over kennistoerekening nauwelijks aandacht krijgt. Zie par. 9.12.2.
340. De organisatieplicht is geen plicht waarvan in rechte nakoming kan worden gevorderd. Verzuim ervan leidt ertoe dat de rechtspersoon een bepaald voordeel ontgaat. Blijft de handelende functionaris als gevolg van een verzuim van de informatie-organisatieplicht verstoken van relevante informatie die binnen de rechtspersoon beschikbaar is of had moeten zijn, dan komen de gevolgen daarvan voor risico van de rechtspersoon. Dan wordt de rechtspersoon behandeld alsof de handelende functionaris wel beschikte over die informatie. Met andere woorden: gevolg van het verzuim van de organisatieplicht is dat de rechtspersoon rechtens als (objectief of subjectief) wetend heeft te gelden. Daarmee is de organisatieplicht een obliegenheit. De organisatieplicht is wel iets minder concreet en bepaalbaar dan andere obliegenheiten, zoals de klachtplicht van art. 6:89 en 7:23 BW, de meldingsplicht van art. 7:926 lid 2 BW en de onderzoeksplicht bij dwaling. Die plichten zijn toegespitst op hetgeen een partij in een specifieke casus had moeten doen om het nadeel te voorkomen: hij had binnen die-en-die tijd moeten klagen, die-en-die vragen moeten stellen, een deskundige moeten inschakelen, die-en-die mededeling moeten doen, enzovoort. Bij de organisatieplicht gaat het over hoe de opslag, doorgifte en raadpleging van informatie in meer algemene zin had moeten zijn georganiseerd voordat dit specifieke geval zich voordeed, opdat ook het type informatie in kwestie bij de juiste persoon terecht zou zijn gekomen. Hoewel het ‘object’ van de organisatieplicht dus minder is toegespitst op de concrete feiten, ontneemt dit aan de informatieplicht mijns inziens niet het karakter van obliegenheit.
341. De meest gehoorde kritiek in Duitsland is dat de Organisationspflicht dermate weinig concreet is, dat ex ante niet bepaalbaar is of een organisatie eraan voldoet.1 Dat laatste is waar, ook voor de Nederlandse organisatieplicht, maar dit geldt voor meer obliegenheiten. Castermans kenschetst de onderzoeksplicht in het kader van dwaling als “een stap in een redenering achteraf”.2 De inhoud en reikwijdte van informatieplichten is in hoge mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval.3 Dat geldt in zekere zin ook voor de klachtplicht. Sinds een aantal arresten van de Hoge Raad van 8 februari 20134 is nog minder gemakkelijk dan voorheen te bepalen binnen welke termijn een partij moet klagen. In die arresten oordeelde de Hoge Raad, kort omschreven, dat het intreden van het rechtsgevolg van het verzaken van de klachtplicht afhangt van het belang waarin de wederpartij door het uitblijven van de klacht is geschaad. Dit alles staat aan de gelding van deze andere obliegenheiten niet in de weg.
Ik sluit overigens niet uit dat de organisatieplicht in sommige contractuele verhoudingen niet (slechts) een obliegenheit zal zijn, maar een contractuele nevenplicht vormt. In Rabobank Gorredijk is de organisatieplicht als het ware onderdeel van de zorgplicht van de assurantietussenpersoon en daarmee wellicht een contractuele nevenplicht.5
342. De toegevoegde waarde van de organisatieplicht schuilt mede in de functie van hulpmiddel bij het denken over kennistoerekening en bij het articuleren van de verkeersopvattingen. Het organisatiebeginsel helpt bij de selectie van te wegen omstandigheden. Moet beoordeeld worden of iemands kennis mag worden toegerekend, dan moet de volgende vraag worden beantwoord: zou de informatie in kwestie beland zijn bij – en benut zijn door – de handelende functionaris indien de opslag, doorgifte en raadpleging van informatie op behoorlijke wijze waren georganiseerd? Het stellen van die vraag leidt intuïtief tot het hechten van waarde aan bepaalde feiten of omstandigheden.6 Daarmee wint het processuele debat aan kwaliteit, omdat partijen op die manier eerder zullen ingaan op de omstandigheden die in geval van kennisversplintering relevant zijn. Het organisatiebeginsel heeft mede als functie om de rechter te helpen bij zijn gedachtevorming en draagt bij aan een goede motivering van het oordeel. De verkeersopvattingen die aan het oordeel over kennistoerekening in een bepaalde zaak ten grondslag liggen, kunnen zo concreet worden gemaakt.
343. Ik denk niet dat het organisatiebeginsel bij uitsluiting verklaart waarom kennis aan een rechtspersoon moet worden toegerekend. Niet alle situaties van kennisversplintering kunnen worden beoordeeld enkel aan de hand van de vraag of de handelende functionaris bij een behoorlijke organisatie van de interne communicatie en informatie over de relevante informatie zou hebben beschikt. Er zijn omstandigheden die mede kunnen bepalen of de rechtspersoon zich op de onwetendheid van de handelende functionaris mag beroepen, maar die met de organisatieplicht weinig te maken hebben. Een voorbeeld daarvan is het motief voor het niet delen van kennis: wordt informatie structureel verborgen gehouden voor collega’s om zo de rechtspersoon winstgevender te maken, dan mag de rechtspersoon zich wat mij betreft minder snel op onwetendheid beroepen dan wanneer een individuele functionaris informatie heeft achtergehouden voor een ander doel (zie par. 9.12.11). Dat heeft hooguit zijdelings te maken met de wijze waarop een behoorlijke organisatie verwacht mag worden te functioneren. Iets soortgelijks geldt voor de wijze waarop de rechtspersoon zich naar de buitenwereld presenteert. Presenteert de rechtspersoon zich expliciet als eenheid – laat hij zich er bijvoorbeeld in reclames op voorstaan dat klanten niet van het kastje naar de muur worden gestuurd – dan is kennistoerekening eerder gerechtvaardigd (zie par. 9.12.10). Maar het organisatiebeginsel is geobjectiveerd (‘behoorlijke organisatie’) en staat los van de verwachtingen die déze organisatie in de maatschappij heeft gewekt. Het belangrijkste gezichtspunt dat niet goed in het organisatiebeginsel kan worden ingepast, is de strekking van de norm. Kort omschreven: hoe subjectiever de kennis is die vereist is om het rechtsgevolg van de toepasselijke norm te doen intreden, hoe minder gemakkelijk kennis aan de rechtspersoon mag worden toegerekend. De organisatieplicht alleen volstaat naar mijn mening dus niet voor de beoordeling van gevallen van kennisversplintering. In die zin wijkt mijn opvatting af van die van het BGH.7
344. Samenvattend: door te beoordelen of een rechtspersoon aan zijn organisatieplicht heeft voldaan, kan in het merendeel van de gevallen van kennisversplintering bepaald worden of de kennis van de wetende functionaris moet worden toegerekend aan de rechtspersoon. Het organisatiebeginsel maakt duidelijk welke omstandigheden relevant zijn en welk gewicht daaraan toekomt (zie daarover uitgebreid par. 9.12). Maar kennistoerekening in geval van kennisversplintering laat zich niet volledig in één regel vangen: er zijn omstandigheden en gezichtspunten die mede de verkeersopvattingen bepalen, maar hooguit zijdelings voortvloeien uit het organisatiebeginsel.