Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10.2.2.2
10.2.2.2 De rechtshandeling als centrale notie
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS379240:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Lokin 2000, p. 17.
Savigny System III, p. 6-7. Savigny zag rechtshandeling en wilsverklaring als synoniemen.
De overeenkomst was volgens Savigny niet de samenkomst van twee op elkaar betrekking hebbende wilsverklaringen, maar één wilsverklaring. System III, p. 6 en 309; Lokin 2000, p. 22. Deze opvatting resoneert in het huidige Duitse recht, waarin aanbod en aanvaarding niet gezien worden als afzonderlijke rechtshandelingen, maar als de aanloop naar het ontstaan van één ongedeelde rechtshandeling: de overeenkomst.
Lokin 2000, p. 22.
Ik noem hier slechts Unger, die kritiek uitte op Savigny’s gelijkstelling van rechtshandeling en wilsverklaring, J. Unger, System des Österreichischen allgemeinenPrivatrechts, Band II, Leipzig 1868, p. 40 voetnoot 1, en Windscheid, die zijn stempel drukte op het BGB, B. Windscheid, Lehrbuch des Pandektenrechts, Frankfurt aM 1900, p. 218 e.v.
Goudsmit, Pandecten-systeem I, p. 120 e.v.; Diephuis 1872, p. 45 e.v.; Drucker 1882, p. 38 e.v. en Suijling 1927, p. 240 en 255 e.v. Voor een uitvoerige beschrijving van de ontwikkeling van het begrip ‘rechtshandeling’: Lokin 2000, p. 30-39. Zie ook Nieuwenhuis 2014-7, p. 545; J.H.A. Lokin, ‘De invloed van de Pandektistiek op het werk van Diephuis en Opzoomer’, in: R. Pieterman, Bijdragen tot de rechtsgeschiedenisvan de negentiende eeuw, Arnhem: Gouda Quint 1994, p. 32.
Kritiek werd geuit door onder meer Van Bemmelen 1889, p. 352 e.v.
Jansen 2014, p.521. Zie ook Meijers 1948, p. 211 e.v.
Van der Heijden 1928, p. 26-27. Op deze tegenstelling heeft onder meer Eggens kritiek geuit, ‘Bronnen van verbintenissen’, VPO II, p. 237 e.v.
Dit is in overeenstemming met art. 2:107 PECL en art. II.-1:101 lid 2 jo. Art. II.-1:103 lid 2 DCFR.
406. De rechtshandeling is het centrale begrip in het huidige BW. In het Oud BW van 1838 was dat nog anders: naar voorbeeld van de Franse Code civil stond de overeenkomst centraal.1 Het in 1900 in Duitsland ingevoerde BGB introduceerde een nieuw begrip: de rechtshandeling. Dat concept had een systematische plaats gekregen in Savigny’s System des heutigen Römischen Recht.2 De rechtshandeling kon zich volgens Savigny ofwel eenzijdig voordoen, ofwel bestaan uit een wilsovereenstemming van meerdere personen.3 Waar in het Romeinse recht de overeenkomst de kleinste eenheid was waaruit verbintenissen konden ontstaan en tenietgaan, splitste Savigny voor het eigentijdse Romeinse recht ‘het molecuul van de overeenkomst (…) in de atomen van de rechtshandeling’.4 Hij maakte de rechtshandeling tot de basis van zijn vermogensrechtelijke systeem. Zijn volgelingen in de Historische School slepen dit begrip vervolgens verder fijn.5 Via Goudsmit, Diephuis, Drucker en Suijling6 is het concept ‘rechtshandeling’ in de Nederlandse rechtsliteratuur geïntroduceerd. Zij verschilden onderling en met de Duitse voorgangers van visie over de precieze afbakening en inkleuring van het nieuwe begrip, maar gaven het allen een cruciale plaats in hun systeem.7 Dankzij Meijers is de centrale plaats in de literatuur verzilverd en werd de rechtshandeling ook wettelijk erkend als de basis van het verbintenissenrecht.8 Als bestanddelen van de rechtshandeling (de protonen en neuronen, om in de beeldspraak te blijven) onderscheidt Meijers de wil om rechtsgevolg te doen intreden en een verklaring waarmee die wil wordt geopenbaard. De discussie over de positie en de betekenis van de rechtshandeling wordt gekoppeld aan de vraag naar de grondslag voor (vrijwillige) gebondenheid aan verklaringen of gedragingen. Is de handelende gebonden omdat hij dat wilde, of omdat de handelende dat verklaard heeft, of omdat er op die verklaring vertrouwd is? De volgende paragraaf behandelt de verschillende theorieën hieromtrent.
407. De hegemonie van het contract-begrip bleek uit art. 1269 Oud BW aangaande de bronnen van verbintenissen. Het artikel schreef voor dat alle verbintenissen ontstaan ofwel uit overeenkomst, ofwel uit de wet. Met die tweedeling werd aangegeven dat verbintenissen konden worden gekozen, ofwel konden worden opgelegd. In het eerste geval ontstaan de verbintenissen op grond van de individuele rechtswil, geuit in een overeenkomst. In het tweede geval ontstaan de verbintenissen omdat de wet dat opdraagt, en is de ‘sociale rechtswil’ de grondslag van de verbintenis.9 De tweedeling in gewilde en ongewilde verbintenissen geldt nog steeds. Verbintenissen ontstaan ofwel door het openbaren van een daarop gerichte wilsverklaring, ofwel doordat de wet een verplichting oplegt als consequentie van het verrichten van een bepaalde (schadeveroorzakende) handeling. Wat echter is losgelaten, is de noodzakelijkheid van het bestaan van wilsovereenstemming voor het scheppen van een verbintenis. Nu de rechtshandeling het uitgangspunt van het BW vormt, is dat het vehikel waarmee rechtssubjecten op grond van hun individuele wil verbintenissen kunnen aangaan.10 Die individuele wil kan niet alleen worden afgezet tegen de ‘sociale rechtswil’ op grond waarvan de wet verbintenissen oplegt, maar ook tegen de collectieve wil die een overeenkomst naar zijn aard in zich draagt. Een persoon is gebonden doordat hij als individu een daartoe strekkende wil heeft geopenbaard in een verklaring. Dat is de kern van art. 3:33 BW. In veel gevallen zal die wilsverklaring van één persoon opgaan in een meerzijdige rechtshandeling en zal de verbintenisscheppende rechtshandeling uiteindelijk de vorm van een overeenkomst hebben. Dat neemt echter niet weg dat het fundament is dat vrijwillige gebondenheid is gebaseerd op het feit dat een belofte gedaan is, dat een wil is geuit die is gericht op rechtsgevolg. Daarom kan de eenzijdige rechtshandeling als kleinste zelfstandige eenheid in het BW een bron van vrijwillig aangegane verbintenissen zijn.
Het adagium pacta sunt servanda geldt nog steeds; alle overeenkomsten zijn bindend, maar niet alle verbindende handelingen zijn overeenkomsten. En de reden dat partijen gebonden zijn, is niet het feit dat er een overeenkomst tussen hen bestaat. Ieder is gebonden aan zijn wilsverklaring, en daardoor zijn in het geval van wilsovereenstemming beide partijen gebonden aan de ontstane overeenkomst.
Een bezwaar tegen het aannemen van de eenzijdige rechtshandeling als bron van verbintenissen is dat de gevolgen van de eenzijdige wilsverklaring niet alleen de verklarende partij raken, maar mogelijk ook een ander, die daarmee niet heeft ingestemd. Op dit bezwaar ga ik in de volgende paragraaf in.