Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/3.3
3.3 Regels ten aanzien van de beleggingen
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS598746:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
De bijdragende onderneming, ook wel “sponsor” genoemd, is doorgaans de bij de pensioenovereenkomst betrokken werkgever. Uit de definitie blijkt dat het gaat om een onderneming die, in het kader van de uitvoering van pensioenovereenkomsten of uitvoeringsovereenkomsten, enige geldsom voldoet aan de pensioenuitvoerder (art. 1 Pw).
Art. 18, lid 2, Pensioenrichtlijn. Het gaat hier niet om het verstrekken van leningen aan derden. Het gaat hier om het aangaan van een lening om met het geleende geld te beleggen. Een dergelijke constructie met hefboomwerking kan tot extra rendement lijden, maar ook tot (een groter) verlies. Tijdelijke leningen in verband met liquiditeitsdoelstellingen zijn overigens wel toegestaan.
Art. 18, lid 1, sub d, Pensioenrichtlijn. Nederland heeft dit in nader ingevuld door te bepalen dat de beleggingen moeten worden gewaardeerd op basis van marktwaardering. Onder marktwaarde moet worden verstaan: “het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen ter zake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn” (art. 135, lid 1, sub c, PW jo. art. 13, lid 6 Besluit FTK).
Art. 18, lid 1, sub f, Pensioenrichtlijn.
Art. 135, lid 3, Pw.
Maatman 2013 enMaatman & Van der Graaf 2013a, p. 22-23. Hiervoor werd immers reeds aangehaald dat staatsobligaties géén risicovrije beleggingen zijn (voetnoot 269).
Art. 18, lid 3-5, Pensioenrichtlijn.
Art. 9b PSW.
Art. 9ba PSW.
Kamerstukken II, 2004-2005, 30104, nr. 3, p. 25; Kamerstukken II, 2004-2005, 30104, nr. 6, p. 3.
De regels in de Pensioenwet die het beleggingsbeleid van pensioenfondsen bepalen, zijn ontleend aan de Pensioenrichtlijn. Artikel 18 van de Pensioenrichtlijn bepaalt dat pensioenfondsen een beleggingsbeleid moeten voeren dat in overeenstemming is met de prudent person-regel en met name de volgende voorschriften:1
de activa worden in het belang van de begunstigden belegd;
de activa worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel worden gewaarborgd;
de activa die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen;
de activa worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten belegd;
beleggingen in derivaten zijn beperkt toegestaan;
de activa worden naar behoren gediversifieerd;
concentratierisico wordt vermeden;
beleggingen in bijdragende ondernemingen2 zijn beperkt toegestaan;
het aangaan van leningen is niet toegestaan3; en
de beleggingen worden prudent gewaardeerd.4
Het toepassingsbereik van de diversificatie-eis is overigens in zoverre beperkt dat lidstaten mogen bepalen dat die eis niet van toepassing is op beleggingen in staatsobligaties.5 Nederland heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt.6 Die keuze staat (tegenwoordig) aan kritiek bloot.7
De mogelijkheden van lidstaten om verdergaande eisen te stellen zijn beperkt. Lidstaten mogen niet verlangen dat pensioenfondsen in bepaalde activa beleggen, mogen geen voorafgaande goedkeuring of systematische kennisgeving van beleggingsbesluiten verplicht stellen, en mogen slechts kwantitatieve beleggingsrestricties vaststellen indien deze vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn en bovendien aan aanvullende eisen voldoen.8 Nederland heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om aanvullende kwantitatieve beleggingsrestricties te stellen.
De Pensioenrichtlijn is in Nederland thans geïmplementeerd in de Pensioenwet, maar was oorspronkelijk geïmplementeerd in zijn voorloper, de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW). De PSW bepaalde dat beleggen door een pensioenfonds “op solide wijze” dient te geschieden.9 Dit werd nader ingevuld in met een referentie aan de prudent person-regel en verdere uitwerkingsvoorschriften die volgden uit de Pensioenrichtlijn.10
De wetgever meent dat er geen inhoudelijk verschil is tussen de eis van solide beleggen en de prudent person-regel.11