Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.13.1
9.13.1 Inleiding
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS595003:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 maart 1981, NJ 1981/635: “Voor de beantwoording van [de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld] komt het [...] aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”
HR 17 december 1976, NJ 1977/241: “Indien partijen die een overeenkomst wensen te sluiten, daarin een voor misverstand vatbare uitdrukking bezigen, die zij elk in verschillende zin hebben opgevat, hangt het antwoord op de vraag of al of niet een overeenkomst tot stand is gekomen, in beginsel af van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid.”
HR 11 maart 1977, NJ 1977/521: “Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkander hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.”
HR 19 februari 2010, NJ 2010/115: “Voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de pseudo-vertegenwoordigde kan ook plaats kan zijn ingeval de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan de pseudogevolmachtigde op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de pseudo-vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.”
Een voorbeeld van onrechtmatige schending van vertrouwen is HR 25 juni 2010, NJ 2010/371 (Vitesse). Dit arrest betreft overigens niet de toerekening van kennis, maar die van gedragingen.
398. In veel gevallen is de vraag niet zozeer: ‘wat wist de rechtspersoon?’ maar: ‘welke feiten mocht de wederpartij bij de rechtspersoon bekend veronderstellen?’. In par. 5.6.2 lichtte ik toe dat de beantwoording van de vraag wat de rechtspersoon wist – en daarmee: het vaststellen van de verkeersopvattingen in de concrete casus – in die gevallen hooguit een tussenstap is in de bepaling van hetgeen uiteindelijk moet worden vastgesteld. Dat is namelijk: waarop mocht deze wederpartij in het onderhavige geval vertrouwen? Die vraag zal zich vooral voordoen bij geschillen over de totstandkoming en uitleg van overeenkomsten en vertaalt zich dan in de formulering van art. 3:35 BW, Haviltex1Bunde/Erckens2 of Kribbebijter3 (zoals in Idee 2), of van art. 3:61 lid 2 BW en Bera Holding4. Ook bij bijvoorbeeld de onrechtmatige schending van het vertrouwen van de wederpartij moet die vraag worden beantwoord.5 Het antwoord zal mede worden bepaald door hetgeen de wederpartij mocht aannemen over de bij de rechtspersoon aanwezige kennis. Wat de wederpartij mocht aannemen, zal deels worden bepaald door de verkeersopvattingen, maar deels ook door de verwachtingen die specifiek bij deze wederpartij zijn gewekt. Dat brengt mee dat in vertrouwensgevallen omstandigheden moeten worden meegewogen die geen rol spelen in gevallen waar de verwachtingen van de wederpartij er niet toe doen, zoals de actio pauliana en de revindicatie. In deze paragraaf identificeer ik een aantal gezichtspunten die in vertrouwensgevallen relevant zijn voor de toerekening van kennis.