Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht
Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/1.5:1.5 Opzet
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/1.5
1.5 Opzet
Documentgegevens:
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS452043:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
11. Om tot een beantwoording van de hoofdvraag te komen, dient helder te zijn wat ik onder het uniciteitsbeginsel versta. Ik definieerde het uniciteitsbeginsel als het principe dat goederenrechtelijke rechten slechts op één object kunnen rusten en niet op meer dan één object tegelijk. In hoofdstuk 2 zullen de elementen uit deze definitie nader aan de orde komen. Wat moet verstaan worden onder goederenrechtelijke rechten en wat zijn rechtsobjecten? In dat kader komt ook aan bod of de rechtsstelsels die ik onderzoek het uniciteitsbeginsel hanteren of niet. Daarbij zal ik onderbouwen dat het Nederlandse recht uitgaat van het uniciteitsbeginsel. In hoofdstuk 2 worden daarmee de volgende deelvragen op een algemene wijze beantwoord: Wat is het uniciteitsbeginsel? Wordt het uniciteitsbeginsel in andere rechtsstelsels gehanteerd?
Door gevallen waarin zich een samenhang tussen diverse goederen voordoet te analyseren, te onderzoeken of zich daarbij een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voordoet en wat de gevolgen daarvan zijn, wordt meer inzicht verkregen in de functie van het uniciteitsbeginsel en de voor- en nadelen van het hanteren ervan. In de hoofdstukken 3 tot en met 8 behandel ik daarom diverse gevallen waarin zich (mogelijk) een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voordoet. De onderwerpen zullen telkens mede in rechtsvergelijkend perspectief behandeld worden. De hoofdstukken 3 tot en met 8 hebben daarom steeds de volgende insteek. Ik onderzoek of er uitzonderingen op het uniciteitsbeginsel te vinden zijn, door mogelijke gevallen waarin dergelijke uitzonderingen zich voor zouden kunnen doen te analyseren. Door te bezien hoe (mogelijke) uitzonderingen op het beginsel uitwerken, kan inzicht verkregen worden in wat de meerwaarde is van het behandelen van meerdere goederen als een eenheid. Met name zijn gevallen interessant waarin in het ene rechtsstelselwel, en in het andere rechtsstelsel geen sprake is van navolging van het uniciteitsbeginsel. De behandeling van dergelijke gevallen in deze rechtsstelsels wordt dan tegen elkaar afgezet om de verschillen bloot te leggen. Op die manier kan meer inzicht verkregen worden in de functie van het beginsel.
De hoofdstukken 3 tot en met 8 zijn gegroepeerd rondom een aantal ‘hoofdgevallen’ of -thema’s. Hoofdstuk 3 behandelt onderwerpen samengebracht rond het vruchtgebruik van de algemeenheid van goederen, de enige plaats in het algemene vermogensrecht waar de wet met zo veel woorden de algemeenheid benoemt (art. 3:222 BW). Dat hoofdstuk draait daarom om het begrip algemeenheid van goederen. Hoofdstuk 4 behandelt onderwerpen gegroepeerd rondom de Franse regeling van overdracht en verpanding van de onderneming. In dat hoofdstuk staat daarom een specifiek geval van de algemeenheid van goederen, de onderneming, centraal. Hoofdstuk 5 is gegroepeerd rond het specialiteitsbeginsel bij hypotheken en de Duitse Gesamthypothek. In hoofdstuk 6 staat de splitsing van objecten van goederenrechtelijke rechten centraal. In hoofdstuk 7 worden gevallen behandeld die zijn samengebracht rond de (samengestelde) zaak als ‘verkapte algemeenheid’. In hoofdstuk 8 worden gevallen behandeld die zijn gegroepeerd rond het zogenoemde ‘aandeel in de gehele gemeenschap’.
Aan een hoofdthema verwante, of voor dat thema relevante onderwerpen worden gezamenlijk met dat hoofdthema in hetzelfde hoofdstuk behandeld. Voorts zijn de hoofdstukken niet geheel op zichzelf staand, maar bouwen ze voort op de in eerdere hoofdstukken opgedane kennis over het uniciteitsbeginsel. Daardoor vertonen de onderwerpen op sommige plaatsen enige overlap en worden in een hoofdstuk dat is gegroepeerd rond het ene onderwerp ook onderwerpen behandeld die van belang zijn voor een ander onderwerp. Zo bouwt hoofdstuk 5 over hypotheek voort op hoofdstuk 4, waarin het pandrecht op de onderneming wordt behandeld en komt op het einde van hoofdstuk 5 het principe van ondeelbaarheid, dat ook geldt voor pand en erfdienstbaarheid, aan bod. Het specialiteitsbeginsel komt al kort aan bod in hoofdstuk 4, maar in hoofdstuk 5 wordt hier uitgebreider bij stilgestaan. De bijzondere gemeenschap als algemeenheid wordt niet behandeld in hoofdstuk 3, maar in hoofdstuk 8, waarbij aspecten die eerder zijn besproken in het kader van bijvoorbeeld het vruchtgebruik van de algemeenheid van goederen niet nogmaals aan bod komen.
Telkens worden in de hoofdstukken 3 tot en met 8 voor concrete gevallen de volgende deelvragen beantwoord: Wordt het uniciteitsbeginsel gehanteerd? Bestaan er uitzonderingen op het beginsel? Zo ja, hoe worden deze verklaard? Wat zijn de rechtsgevolgen van het beginsel? Wat zijn de voor- en nadelen van het vasthouden aan het uniciteitsbeginsel? Is het wenselijk het uniciteitsbeginsel toe te passen? Hiermee wordt gaandeweg inzicht verkregen in de functie van het uniciteitsbeginsel. Uiteindelijk zal met behulp van de opgedane kennis in hoofdstuk 9 een conclusie worden getrokken en de hoofdvraag worden beantwoord.