Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.3.6
3.4.3.6 Beperken van aansprakelijkheid bij de kapitaalvennootschappen
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS387995:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wel dient in dit geval rekening gehouden te worden met het feit dat er op grond van art. 2:248 lid 7 BW en 2:216 lid 4 BW ook aansprakelijkheid geldt voor een medebeleidsbepaler.
Welke, zoals gezegd, nader werd uitgelegd door de Hoge Raad in HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881, NJ 2013/302 (Villa Mundo) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, NJ 2015/21 (Tulip Air), HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1406, NJ 2015/267 en HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745, JOR 2015/289, m.nt. Kortmann (Alasco Vastgoed).
Het gebruik van een kapitaalvennootschap biedt in beginsel adequate bescherming tegen (beroeps)aansprakelijkheid. Omdat de kapitaalvennootschappen rechtspersonen zijn, raken zij bij bevoegde vertegenwoordiging immers zelf gebonden aan overeenkomsten (van opdracht). Hetzelfde geldt voor een aan de vennootschap toerekenbare onrechtmatige daad; ook hiervoor is de vennootschap zelf aansprakelijk.
Dit betekent dat beroepsbeoefenaren bij het gebruik van een kapitaalvennootschap in de hoofdregel beschermd zijn tegen aansprakelijkheid voortvloeiende uit zowel eigen fouten als fouten gemaakt door compagnons. Op dit beginsel van beperkte aansprakelijkheid (voortvloeiende uit artikel 2:64/175 BW) bestaat echter wel een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn voor een deel eigen aan het gebruik van specifiek deze rechtsvormen (BV en NV) en deels eigen aan de uitoefening van een beroep. De rechtsvorm-specifieke uitzonderingen zijn de bestuurdersen aandeelhoudersaansprakelijkheid:
Als beroepsbeoefenaren ervoor kiezen om naast aandeelhouder ook bestuurder van de vennootschap te zijn, krijgen zij te maken met het risico op bestuurdersaansprakelijkheid. Zoals uit de vorige paragrafen blijkt, is dit risico echter redelijk beperkt omdat veel van deze vormen van aansprakelijkheid slechts in zeer specifieke gevallen aan de orde zijn en bovendien de normen die gelden, in verband met de beleidsvrijheid van bestuurders, strikt geformuleerd zijn. Ook is het risico op bestuurdersaansprakelijkheid voor beroepsbeoefenaren die gebruikmaken van de NV of BV redelijk eenvoudig te vermijden door het bestuur aan een derde (kantoordirecteur) over te laten.1
Ook als een beroepsbeoefenaar zijn rol beperkt tot die van aandeelhouder loopt hij echter enig risico, met name in het licht van winstuitkeringen. Een aandeelhouder kan namelijk zowel op grond van artikel 2:216 BW (jegens de vennootschap) als, onder bijzondere omstandigheden, op grond van onrechtmatige daad (jegens crediteuren) aansprakelijk worden gesteld voor het doen c.q. ontvangen van ongeoorloofde uitkeringen. Ook het risico op deze vormen van aansprakelijkheid is echter goed beheersbaar nu de aandeelhouders hierop zelf een grote mate van invloed kunnen uitoefenen en daarnaast de verantwoordelijkheid voor (het doen van) winstuitkeringen delen met het bestuur waardoor er extra controle plaatsvindt.
De twee vormen van aansprakelijkheid die niet eigen zijn aan het gebruik van de kapitaalvennootschappen maar specifiek zien op risico’s in de sfeer van beroepsuitoefening zijn:
De aansprakelijkheid die voor een beroepsbeoefenaar voortvloeit uit een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht verleend met het oog op zijn persoon (artikel 7:404 BW). Hiervoor is de beroepsbeoefenaar naast de vennootschap (als opdrachtnemer) persoonlijk aansprakelijk. Deze vorm van aansprakelijkheid zou wellicht, zoals gezegd, op basis van het feit dat het een bepaling van regelend recht betreft, beperkt kunnen worden middels contractuele exoneratie, waarover meer in paragraaf 3.5.1. Het is echter de vraag of deze exoneratie de beroepsbeoefenaar in alle gevallen voldoende bescherming biedt.
De zogenoemde rechtstreekse aansprakelijkheid voortvloeiende uit onrechtmatige daad wanneer een beroepsbeoefenaar als dienstverlener heeft gehandeld in strijd met een op hem in die hoedanigheid van deskundig bemiddellaar rustende zorgvuldigheidsnorm.2 Zoals ook al aan de orde kwam bij de bespreking van de maatschap is voor deze vorm van aansprakelijkheid geen enkele vorm van beperking mogelijk. Ook het ‘schild’ van de kapitaalvennootschap biedt hiervoor geen bescherming. De beroepsbeoefenaar is met betrekking tot het beperken van de schade die voortvloeit uit deze vorm van aansprakelijkheid aangewezen op een beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Deze wordt besproken in paragraaf 3.5.2.