Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.3
3.4.3 Gebruik van een rechtsvorm: de kapitaalvennootschappen
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS384340:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, nr. 2.
Van Schilfgaarde 2009, p. 961. Er is echter nooit volledige eenstemmigheid geweest over het verlaten van de contractuele gedachte. Zo is Raaijmakers altijd aanhanger van de contractuele gedachte gebleven, zie Raaijmakers 1987. In hoofdstuk 5 zal uitgebreid worden ingegaan op de (verhouding tussen) de contractuele opvatting en de institutionele opvatting.
Met uitzondering van de commanditaire vennoot, die gezien kan worden als de ‘aandeelhouder’ van de personenvennootschap.
De Groot 2001, p. 254.
In de vorige paragraaf is de maatschap getoetst op haar ‘aansprakelijkheidsvriendelijkheid’. Uit deze toets bleek dat het lastig is om door middel van het gebruik van deze rechtsvorm het risico op aansprakelijkheid voor beroepsbeoefenaren volledig in te dammen. Zoals ook al beschreven werd in de inleiding van dit hoofdstuk, hopen veel beroepsbeoefenaren in hun zoektocht naar de optimale rechtsvorm ‘veiligheid’ te vinden door hun maatschap om te zetten in een NV of BV. Het is echter de vraag in hoeverre de kapitaalvennootschappen daadwerkelijk bescherming tegen aansprakelijkheid bieden. In deze paragraaf zal op die vraag een antwoord worden gezocht. De rechtsvormen NV en de BV zullen zo veel mogelijk gezamenlijk worden besproken, omdat ze veel overeenkomsten vertonen op dit vlak.
Tot de invoering van Boek 2 BW in 1976 waren de bepalingen met betrekking tot de v.o.f., CV, NV en BV opgenomen in de derde titel van het Eerste Boek Wetboek van Koophandel. Deze titel had als opschrift: ‘Van enige soorten van vennootschap’. Ook de NV en de BV werden gezien als vormen van samenwerking in vennootschappelijk verband.1 De NV (en later ook de BV) werd tot de invoering van Boek 2 BW dan ook gezien als een rechtspersoonlijkheid bezittende variant van de contractuele vennootschap (zoals men de personenvennootschap ook wel typeert). Na de invoering van Boek 2 BW heeft de ‘institutionele opvatting’, die sterk de nadruk legt op het eigen karakter van de rechtspersoon-kapitaalvennootschap, voet aan de grond gekregen en werd de contractuele gedachte met betrekking tot de NV en BV verlaten.2
De wetgever heeft echter altijd al een onderscheid willen maken tussen de personenvennootschappen en de NV (en later de BV). Bij de kapitaalvennootschappen staan de aandeelhouders immers niet op de voorgrond. De samenwerkende personen treden (anders dan bij de personenvennootschappen3) na de oprichting naar de achtergrond, terwijl het door hen gecreëerde samenwerkingsverband op de voorgrond blijft staan en als zelfstandige entiteit naar buiten toe optreedt. In zoverre hebben de kapitaalvennootschappen, in tegenstelling tot de maatschap, een onpersoonlijk karakter. Dit is ook logisch nu het samenwerkingsverband in de vorm van een NV of BV als het ware een eigen persoonlijkheid heeft, te weten rechtspersoonlijkheid, met alle externe en interne rechtsgevolgen van dien.
Er wordt in Nederland veelvuldig gebruikgemaakt van de NV en de BV-vorm. De BV is in Nederland zelfs de meest gehanteerde rechtsvorm.4 Er zijn verschillende redenen voor de populariteit van de kapitaalvennootschappen. Zo stelt het gebruik van een kapitaalvennootschap de onderneming in staat om risicodragend kapitaal van derden aan te trekken door middel van het uitgeven van aandelen. Een ander voordeel is dat er, zoals gezegd, met de oprichting van een NV en BV een juridisch zelfstandige entiteit ontstaat met een eigen vermogen dat voor zijn voortbestaan niet afhankelijk is van de persoon van de aandeelhouder. Voorts maakt het feit dat de aandelen overdraagbaar zijn dat het vennootschappelijk vermogen gemakkelijk te verhandelen is. Op deze voordelen van organisatorische aard zal nog uitgebreid worden ingegaan in hoofdstuk 5.
3.4.3.1 De kapitaalvennootschap en gebruik in het beroep3.4.3.2 Vertegenwoordiging van de kapitaalvennootschap3.4.3.3 Aansprakelijkheid bij de kapitaalvennootschap: algemeen3.4.3.4 Aansprakelijkheid bij de kapitaalvennootschap: bestuurders3.4.3.5 Aansprakelijkheid bij de kapitaalvennootschap: aandeelhouders3.4.3.6 Beperken van aansprakelijkheid bij de kapitaalvennootschappen