Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/2.3.1
2.3.1 Ontoereikende codificatie en de taak van de rechter
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS420611:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog zorgden voor een kentering in het denken over de rol van de rechter in die zin dat de rechter als starre regeltoepasser niet langer als wenselijk beeld werd gezien. Zie L.H.A. Lokin en W.J. Zwalve, Hoofdstukken uit de Europese codificatiegeschiedenis, Deventer: Kluwer 2001, blz. 52. Overigens was in Nederland in de jaren 30 reeds het gezaghebbende werk van Scholten over rechtsvinding verschenen waar sterk afstand werd genomen van het legisme en ieder ander idee dat rechtspreken verwarde met wetstoepassing. Zie Asser/Scholten Algemeen deel I 1974.
Montesquieu, Espirit des lois, XI, 6.
Dit wil overigens niet zeggen dat men in de rechtstheoretische literatuur geen rechtspositivistische denkbeelden meer aantreft. Het gaat dan veelal niet om legistisch rechtspositivisme als absolute tegenhanger van het volstrekt vrije natuurrecht, maar van een gradueel onderscheid. Zie bijvoorbeeld F.T. Groenewegen, Wetsinterpretatie en rechtsvorming, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2006, blz. 39. Hij geeft aan dat – op basis van een rechtspositivistische visie – de geschreven rechtsregel het geldende recht weergeeft en erkent tegelijkertijd dat de rechter de invulling van dat geldende recht volstrekt kan omkeren. Daarnaast valt te wijzen op de kritiek van Dworkin op de ideeën van Hart, die volgens Dworkin te sterk leunen op de rechtspositivistische traditie, zie paragraaf 2.3.1 en verder. Zie R. Dworkin, Taking Rights Seriously, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 1977, blz. 31 e.v.
Mocht zich al een (theoretisch) geval voor doen waarin de uitleg van een regel niet tot onduidelijkheid kan leiden, dan zal hier hoogstwaarschijnlijk nooit over geprocedeerd worden. Zie in gelijke zin G.J. Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, Deventer: Kluwer 1999, blz. 141.
H.L.A. Hart, The Concept of Law, Oxford: Oxford University Press 1961, blz. 141-144, zie ook H.C.F.J.A De Waele, Rechterlijk activisme en het Europees Hof van Justitie, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, blz. 13.
Zie H.L.A. Hart, The Concept of Law, Oxford: Oxford University Press 1961, blz. 141-144.
Zie R. Dworkin, Taking Rights Seriously, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 1977, blz. 31 e.v.
In dit verband beschrijft Dworkin een imaginaire, ideale rechter die hij Hercules noemt en die beschikt over bovenmenselijke vaardigheden, geleerdheid, geduld en scherpzinnigheid. Deze perfecte rechter moet in staat worden geacht om op iedere rechtsvraag het enige juiste antwoord te vinden. Dit enige juiste antwoord moet in twee dimensies passen binnen het systeem van het recht als geheel. De eerste dimensie is de ‘dimension of fit’. Deze dimensie houdt in dat de gevonden rechtsregel het best moet aansluiten bij het bestaande recht. De oplossing van een geschil moet passen in het positieve recht. De tweede dimensie, de ‘dimension of justification’ komt in beeld wanneer meerdere mogelijke antwoorden op een rechtsvraag de test van ‘fit’ doorstaan. Deze dimensie leidt ertoe dat het enige juiste antwoord wordt gevonden op basis van de rechtvaardiging ervan in het licht van de sociale praktijk en een afweging door de rechter van de politieke moraliteit. Deze veel bekritiseerde overtuiging is door Dworkin uitgebreid beschreven en verdedigd. Zijn meest compacte omschrijving van beide dimensies is de volgende:“Judges who accept the interpretive deal of integrity decide hard cases by trying to find, in some coherent set of principles about people’s rights and duties, the best constructive interpretation of the political structure and legal doctrine of their community.[…] It will include convictions about both fit and justification. Convictions about fit will provide a rough threshold requirement that an interpretation of some part of the law must meet if it is to be eligible at all.[…] Hard cases arise, for any judge, when his threshold test does not discriminate between two or more interpretations of some statute or line of cases. Then he must choose between eligible interpretations by asking which shows the community’s structure of institutions and decisions – its public standards as a whole – in a better light from the standpoint of political morality.” R. Dworkin, Law’s Empire, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 1986, blz. 255-256.
Asser/Scholten Algemeen deel I 1974, blz. 88.
Asser/Scholten Algemeen deel I 1974, blz. 12.
Asser/Scholten Algemeen deel I 1974, blz. 135.
Asser/Scholten Algemeen deel I 1974, blz. 119.
H.C.F. Schoordijk, ‘Enige aspecten van privaat- en fiscaalrechtelijke rechtsvinding’, WFR 1997/919.
H.C.F. Schoordijk, ‘Enige aspecten van privaat- en fiscaalrechtelijke rechtsvinding’, WFR 1997/919.
Het idee dat het mogelijk is om zo uitgebreid te codificeren of zo nauwkeurig te formuleren dat het geschreven recht voorziet in alle geschillen die kunnen ontstaan, is een illusie die na de legistische 19e eeuw in het rechtstheoretische debat grotendeels is losgelaten.1 De idee dat de rechter slechts bouche de la loi2 is of zou moeten zijn, wordt nergens meer serieus verdedigd.3
Over de toepassing van elke rechtsregel kan immers op enig moment onduidelijkheid of onenigheid ontstaan.4 Het is hierdoor steeds de rechter die uiteindelijk met inachtneming van de regels bepaalt wat ‘recht’ is. De rechter zoekt in het recht naar de juiste beslissing. Het ligt voor de hand om in dit verband vast te stellen dat de rechter vrijheid van beslissen (discretie) toekomt in die gevallen waar het juiste antwoord niet evident blijkt uit de regel. Het is van belang om deze mogelijke vrijheid verder onder de loep te nemen.
Rechtsfilosoof Hart is van mening dat de rechterlijke vrijheid niet slechts een mogelijkheid is, maar een uitgangspunt van het rechterlijk handelen.5 Immers, de meest welomschreven rechtsregel kan in een specifieke situatie om invulling (interpretatie) en aanvulling vragen. Het is in de opvatting van Hart van belang hierbij in het oog te houden dat discretie in dit verband niet moet worden opgevat als de vrijheid voor de rechter om in het luchtledige te besluiten wat hem goeddunkt. Zoals een scheidsrechter bij een sportwedstrijd bepaalt de rechter niet de uitslag, maar past wel de regels toe om te bepalen of één van de deelnemers een punt gemaakt heeft.6
In tegenstelling tot Hart is Dworkin van mening dat de rechter geen discretionaire beslissingsmacht heeft.7 Hij ziet Harts erkenning van de discretionaire ruimte voor de rechter als een uitvloeisel van de rechtspositivistische basis voor Harts ideeën. Dworkins betoog komt erop neer dat het erkennen van discretie alleen maar kan voortvloeien uit de – in zijn ogen – onjuiste idee dat sprake is van regels die zijn vastgelegd in wetgeving of anderszins, waarbij een situatie kan ontstaan die niet door die regels wordt gedekt. In een dergelijke situatie die niet door wetstoepassing kan worden opgelost, is in die visie ruimte voor rechterlijke discretie. Volgens Dworkin bestaat dergelijke discretie niet, aangezien zelfs daar waar het geschreven recht geen oplossing biedt of geen precedent in de rechtspraak te vinden is, steeds een vaststaand principe bestaat waarop de rechter zijn uitspraak kan funderen. Er is dus altijd recht dat gevonden moet worden door de rechter. Omdat die principes vaststaande beginselen van moraliteit of rechtvaardigheid vertegenwoordigen, is nooit sprake van rechterlijke discretie. Als gevolg hiervan is het recht volgens Dworkin een integer systeem. Wetgeving verschaft rechten en verplichtingen voor justitiabelen die uiteindelijk hun wortels hebben in de sociale praktijk. De doelen, belangen en beginselen van een maatschappij zijn neergelegd in deze sociale praktijk die het fundament vormt voor het (geschreven) recht. De maatschappij herkent zich in deze beginselen en aanvaardt hierdoor het recht. Dworkin ziet het recht daarom als een ‘seamless web’. Als gevolg van het fundament van het recht in de sociale praktijk is er op basis van principes altijd een antwoord te vinden in het recht.8
In Nederland is door Scholten reeds sinds de jaren dertig van de 20e eeuw met veel navolging de idee verdedigd dat het recht een open systeem is, waarbij de geschreven rechtsregel niet de enige bepalende autoriteit vertegenwoordigt. Iedere opvatting die ervan uitgaat dat de rechter in eerste instantie de wet toepast en slechts bij dubbelzinnige bewoordingen tot interpretatie overgaat, wijst Scholten resoluut van de hand. Net als Dworkin betoogt Scholten dat iedere rechterlijke arbeid interpretatie is, waarbij het recht moet worden gevonden niet in de geschreven regel alleen, maar in het recht dat wordt gevormd door rechtsnormen, rechtspraak, (ongeschreven) beginselen en uiteindelijk uit ‘de drang tot gerechtigheid die het geheel overheerst’.9 Het recht is daarom een open systeem. De rechter doet daarin aan rechtsvinding en niet aan rechtsvorming. Het recht is er, doch moet gevonden worden.10 Het subjectieve geweten van de rechter geeft uiteindelijk de doorslag.11
De enige begrenzing van de rechtsvinding door de rechter is volgens Scholten gelegen in het aanbrengen van veranderingen aan de doeleinden die in het systeem van het recht zijn erkend. Wanneer belangen en begeerten botsen, is het aan de wetgever en niet aan de rechter om hierover het beslissende woord te spreken.12 Het is dus niet aan de rechter om politieke of beleidsmatige beslissingen te nemen. Volgens Schoordijk schuilt hierin een zwakte in het betoog van Scholten. Schoordijk is van mening dat een rechter juist uitspraken moet doen die aansluiten bij het ‘actuele juridische cultuurbeeld’ 13 en dat het recht als open systeem nu juist betekent dat ook het systeem aan (maatschappelijke) verandering onderhevig is. In zijn door de sociologie beïnvloede werk pleit hij daarom voor rechterlijke beslissingen die in eerste instantie ‘werfkracht’ hebben en daarmee recht doen aan maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen. De rechter stelt vast welke inhoud het recht hic et nunc heeft en doet dit in volledige vrijheid.14