Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/3.6
3.6 Soms is toerekening van kennis overbodig
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS598484:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 oktober 1991, NJ 1993/165.
Bestaande uit de advocaatkosten voor het ongedaan maken van de beperkingen.
Zie over dit aspect Hoekzema 2000, p. 174; Klaassen 2000, p. 13; Sieburgh 2000, p. 231-232.
Een gebrek aan interne communicatie komt overigens niet zonder meer voor rekening en risico van de vennootschap. Zie HR 11 maart 2005, NJ 2005/576 (Idee 2).
Zie over de interactie tussen lid 1 en lid 2 van art. 6:228 BW en de integrale beoordeling van de wederzijdse verantwoordelijkheden van beide partijen die op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad moet plaatsvinden: Jansen 2012a, p. 179-180.
80. In sommige gevallen zal de rechter de vraag naar toerekening van kennis kunnen vermijden doordat de norm hem de gelegenheid biedt om het rechtsgevolg te laten intreden zonder dat hoeft te worden vastgesteld dat de rechtspersoon een bepaald feit kende. Het arrest Staat en Van Hilten/M.1 is daarvan een voorbeeld. Officier van justitie Van Hilten had verdachte M. beperkingen opgelegd in de omgang met zijn advocaat. Door een verkeerde interpretatie van art. 50 lid 2 Sv had Van Hilten ten onrechte verondersteld dat hij daartoe bevoegd was. De Hoge Raad oordeelde dat Van Hilten slechts persoonlijk aansprakelijk was voor de schade die ontstaan was door dit onbevoegd handelen2 indien Van Hilten persoonlijk een verwijt trof. Zijn onwetendheid was echter niet verwijtbaar, zodat Van Hilten geen fout had begaan in de zin van art. 6:170 BW. De Staat was dan ook niet op die grond aansprakelijk. Wel was de Staat aansprakelijk omdat de onrechtmatige gedraging van de officier gold als eigen3 onrechtmatige daad van de Staat die op grond van de verkeersopvattingen aan de Staat werd toegerekend. Een onzekerheid over de uitleg van art. 50 lid 2 Sv behoort voor rekening te komen van de Staat, aldus de Hoge Raad. Schuld – en daarmee wetenschap – van de Staat was in dit geval dus niet nodig voor de toerekening van de onrechtmatige daad (in de zin van art. 6:162 lid 3 BW).
81. Ook bij dwaling zal de omweg van toerekening van kennis soms kunnen worden vermeden. Indien een bepaalde functionaris beschikt over de relevante kennis, maar deze niet kan worden toegerekend aan de rechtspersoon, dan heeft de rechtspersoon gedwaald (art. 6:228 lid 1 BW). Is het echter aan gebrekkige interne communicatie te wijten dat de informatie niet terechtkwam bij degene die namens de rechtspersoon onderhandelde over de overeenkomst, dan zal wellicht worden geoordeeld dat de dwaling in verband met de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de rechtspersoon behoort te blijven (art. 6:228 lid 2 BW).4 Met andere woorden: wordt de kennis van de functionaris wel aan de rechtspersoon toegerekend, dan heeft de rechtspersoon niet gedwaald; wordt zijn kennis niet aan de rechtspersoon toegerekend, dan kan de dwaling niettemin voor rekening van de rechtspersoon blijven. Is op voorhand duidelijk dat de dwaling naar verkeersopvattingen voor rekening van de rechtspersoon behoort te blijven, dan kan de vraag naar toerekening van kennis worden overgeslagen. Dit onderscheid hoeft overigens niet tot een ander inhoudelijk oordeel te leiden. De omstandigheden die maken dat de kennis van de functionaris aan de rechtspersoon wordt toegerekend, zijn wellicht dezelfde als de omstandigheden die maken dat de dwaling naar verkeersopvattingen voor rekening van de rechtspersoon behoort te blijven.5