Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.9.4.9:III.9.4.9 Aanpassing artikel 169, onderdeel c, Btw-richtlijn
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/III.9.4.9
III.9.4.9 Aanpassing artikel 169, onderdeel c, Btw-richtlijn
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS492903:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op basis van artikel 15, lid 2, onderdeel c, Wet OB 1968 bestaat voor vrijgestelde financiële diensten bij wijze van uitzondering toch recht op aftrek van voorbelasting, met name als de afnemer buiten de Unie is gevestigd. De corresponderende bepaling in de Btw-richtlijn is artikel 169, onderdeel c. Het doel van deze uitzondering is beweerdelijk te vermijden dat verleners van financiële diensten uit de Unie een concurrentienadeel hebben als zij buiten de Unie actief zijn (zie par. 6.5.4.2).
In paragraaf 6.8.2 is aan de hand van twee voorbeelden besproken dat de uitzondering betrekkelijk willekeurig kan uitwerken en daardoor inbreuk maakt op het beginsel van rechtsgelijkheid. Ervan uitgaande dat het wenselijk is artikel 169, onderdeel c, Btw-richtlijn te behouden, verdient het naar mijn mening aanbeveling haar toepassing niet langer afhankelijk te maken van waar de afnemer is gevestigd, maar van waar de financiële dienst werkelijk wordt gebruikt of geëxploiteerd. Dan bestaat, bijvoorbeeld, steeds recht op aftrek van voorbelasting bij een krediet voor de aanschaf van vastgoed buiten de Unie of een deelneming in een buiten de Unie gevestigde vennootschap. Dit geldt ook als de kredietnemer een in de Unie gevestigde partij is. Juist in die gevallen ligt immers concurrentie van partijen van buiten de Unie voor de hand. Aan de andere kant bestaat in geen geval meer recht op aftrek als, bijvoorbeeld, een krediet wordt verstrekt voor de aanschaf van in de Unie gelegen vastgoed of voor de verkrijging van een deelneming in een onderneming in de Unie.
Opmerking verdient dat deze aanpassing in bepaalde gevallen minder rechtszeker of minder eenvoudig is dan de huidige regeling. Het zal zich doorgaans immers relatief eenvoudiger laten vaststellen waar een afnemer is gevestigd dan waar het werkelijk gebruik of de werkelijke exploitatie van een financiële dienst is gelegen. Dit is naar mijn mening evenwel een minder zwaarwegend argument dan de rechtsgelijkheid, omdat het binnen de systematiek van de bepalingen over aftrek van voorbelasting in de richtlijn en wet een uitzondering betreft.