Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.14.3.3.1
III.14.3.3.1 Temporele werking van de intrekking
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS374113:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 17 lid 3 (ingeval de veranderde omstandigheden leiden tot een verhoging van het ouderdomspensioen) en lid 5 (ingeval de veranderde omstandigheden leiden tot een verlaging van het ouderdomspensioen) AOW. In het vijfde lid van art. 17 AOW is voorts geregeld dat wanneer het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend, intrekking of herziening plaatsvindt met ingang van de dag waarop het ouderdomspensioen is ingegaan. Mij is niet precies duidelijk op welke situaties deze laatste zinsnede ziet, aangezien intrekking of herziening vanwege het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen is geregeld in art. 17a AOW.
In geval van intrekking vanwege vrijheidsontneming gaat de intrekking in op de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming een maand heeft geduurd. Zie art. 17 lid 6 AOW.
Art. 17 lid 5 AOW.
Beleidsregels SVB AOW e.d. 2014, nr. SB1077. Volgens deze beleidsregels is dat het geval wanneer het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel zich tegen intrekking verzetten.
Beleidsregels SVB AOW e.d. 2014, nr. SB1078.
SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1078.
SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1079.
SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nrs. SB1079 en SB1078.
SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1079.
SVB Beleidsregels AOW e.d. 2014, nr. SB1102.
Art. 3 Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006. Dringende redenen kunnen ertoe leiden dat de intrekking of herziening ex tunc geschiedt. Daarvan is slechts sprake, indien als gevolg van bijzondere aspecten van het individuele geval onaanvaardbare gevolgen voor de verzekerde zouden optreden. Zie de toelichting bij voornoemd artikel 3 (Stcrt. 2006, 230). Ook in de rechtspraak komen deze uitgangspunten terug. Zie bijvoorbeeld CRvB 10 augustus 1999, USZ 1999/328 en RSV 1999/271, waarin intrekking met terugwerkende kracht in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel werd geoordeeld, nu het betrokkene niet redelijkerwijs duidelijk had behoeven te zijn dat hij geen recht had op een vervolguitkering. Zie voorts CRvB 26 november 2009, RSV 2010/42, waarin de herziening met terugwerkende kracht niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel werd geoordeeld, nu appellant niet alle als zelfstandige gewerkte uren had opgegeven.
Art. 4 Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006. Dringende redenen kunnen aanleiding vormen om betrokkene een overgangstermijn te gunnen. Zie de toelichting bij voornoemd artikel 4 (Stcrt. 2006, 230). Zie voor een voorbeeld van toepassing van deze bepaling CRvB 19 april 2006, RSV 2006/230 en PJ 2006/89.
Stcrt. 2008, 80.
Art. 25 WW. De maatregel wordt dan opgelegd o.g.v. art. 27 lid 3 WW.
Pennings en Damsteegt 2009, p. 218.
CRvB 6 september 2007, JWWB 2007/330 m.nt. Nacinovic, USZ 2007/284 en RSV 2007/301.
Zie bijvoorbeeld CRvB 20 juli 2006, JWWB 2006/263 m.nt. Red., USZ 2006/268 en RSV 2006/274.
Zie bijvoorbeeld CRvB 13 maart 2012, USZ 2012/104 en JWWB 2012/64 waarin de Raad oordeelt dat de bijstandsuitkering ook was ingetrokken over een periode waarin geen sprake was van schending van de inlichtingenplicht.
In het theoretisch kader is onderscheid gemaakt tussen de intrekking ex tunc en de intrekking ex nunc. Ook in de sociale zekerheidswetgeving wordt dit onderscheid gemaakt. Onder de AOW geldt het volgende. Een herziening of intrekking wegens veranderde omstandigheden (art. 17 AOW) vindt plaats met ingang van de maand waarin deze verandering plaats heeft gevonden, respectievelijk de maand waarin geen recht dan wel een lager recht bestaat op ouderdomspensioen.1,2 Het betreft aldus een intrekking ex nunc. Is sprake van een verlaging van het ouderdomspensioen ten gevolge van veranderde omstandigheden,3 dan kan, zij het slechts in uitzonderlijke situaties, een afbouwregeling worden getroffen, of geheel van intrekking worden afgezien.4
Wanneer de SVB pas geruime tijd nadat een verandering van omstandigheden heeft plaatsgevonden, constateert dat vanaf dat moment geen recht meer bestaat op een ouderdomspensioen, dan dient intrekking blijkens de beleidsregels van de SVB plaats te vinden op grond van art. 17a lid 1 AOW.5 Wat betreft de vraag of intrekking al dan niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden, bepalen deze beleidsregels het volgende:
intrekking vindt in beginsel plaats met terugwerkende kracht wanneer sprake is van een fout van de SVB en betrokkene deze fout had kunnen onderkennen;
wanneer het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, maar betrokkene is al zijn verplichtingen nagekomen en heeft hij niet kunnen begrijpen dat het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend, dan vindt geen intrekking met terugwerkende kracht plaats.
Het lijkt hier alsof in de beleidsregels de intrekking wegens veranderde omstandigheden wordt verward met de intrekking vanwege onjuistheid van het ouderdomspensioen. Ik vermoed dat de gedachte is dat wanneer sprake is van een verandering van omstandigheden welke noopt tot een verlaging van het ouderdomspensioen, maar het SVB constateert een en ander niet (of te laat), het ouderdomspensioen vanaf het moment dat de verandering van omstandigheden wordt geacht onjuist te zijn. Het ouderdomspensioen kan dan in beginsel worden ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop de verandering van omstandigheden heeft plaatsgevonden (en dus het ouderdomspensioen wordt geacht onjuist te zijn). Een uitzondering wordt gemaakt voor de situatie waarin betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en niet kon begrijpen dat het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. Daarvan zal mijns inziens slechts in enkele gevallen sprake zijn. Een en ander blijkt ook uit de beleidsregels, waarin is vermeld:
‘De SVB pleegt bij toekenning van een uitkering aan de gerechtigde mede te delen welke feiten en omstandigheden hij spontaan aan de SVB moet melden. Als deze mededeling heeft plaatsgevonden gaat de SVB ervan uit dat het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat deze feiten en omstandigheden van invloed konden zijn op de uitkering.’6
Vindt herziening of intrekking plaats vanwege het niet nakomen van controlevoorschriften of de algemene mededelingsverplichting, dan wel omdat het ouderdomspensioen anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend (art. 17a lid 1 AOW), dan geldt als uitgangspunt dat de herziening of intrekking volledig terugwerkende kracht heeft.7 Op grond van art. 17a lid 2 AOW kan de SVB besluiten om geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Een en ander is in de beleidsregels van de SVB nader uitgewerkt. Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel spelen blijkens deze beleidsregels een rol bij de vraag of intrekking al dan niet met terugwerkende kracht kan geschieden. Is de reden voor herziening of intrekking gelegen in een door de SVB gemaakte fout, dan kan het ouderdomspensioen enkel met volledige terugwerkende kracht worden ingetrokken of herzien, indien de fout kenbaar was voor de betrokkene. Is de fout niet kenbaar, dan vindt herziening of intrekking zonder terugwerkende kracht plaats.8 Voorts geldt dat intrekking ten gevolge van een wijziging van het door de SVB gevoerde beleid nimmer met terugwerkende kracht plaatsvindt. Herziening of intrekking geschiedt met inachtneming van een overgangstermijn van een half jaar tot een jaar.9
Het voorgaande is in overeenstemming met het in het theoretisch kader gestelde, waarin is gesteld dat beleidswijzigingen nimmer kunnen leiden tot intrekking met terugwerkende kracht. Tot slot is er de maatregel op grond van art. 17b AOW. De term maatregel houdt in dat het ouderdomspensioen (geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk) wordt geweigerd. De term weigering suggereert dat de maatregel slechts voor de toekomst kan worden opgelegd, en dus niet kan zien op reeds uitbetaalde bedragen aan ouderdomspensioen. Een en ander blijkt ook uit de door de SVB gehanteerde beleidsregels. Daarin is bepaald dat de maatregel wordt geëffectueerd door het bedrag van de maatregel in mindering te brengen op de eerstvolgende termijn(en) van het pensioen.10
Dan de wijze van intrekking en herziening op grond van de WW. In de eerste plaats biedt art. 22a WW de mogelijkheid de WW-uitkering in te trekken of te herzien. In de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 staan nadere bepalingen inzake de wijze van intrekking. Herziening of intrekking geschiedt met terugwerkende kracht in een drietal gevallen:
door toedoen van de verzekerde is de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekt;
als gevolg van schending van de inlichtingen- of medewerkingsverplichting is de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekt;
indien het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.11
Intrekking of herziening vindt ex nunc plaats indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering was verstrekt.12 Het voorgaande is in overeenstemming met het theoretisch kader, in die zin dat wanneer gedragingen van de uitkeringsgerechtigde aanleiding zijn voor intrekking, dan wel voor de uitkeringsgerechtigde kenbaar was of redelijkerwijs behoorde te zijn dat hem ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag een uitkering was verstrekt, intrekking met terugwerkende kracht kan geschieden. Tot slot kan ook op grond van de WW een maatregel worden opgelegd, inhoudende (gehele of gedeeltelijke, tijdelijke of blijvende) weigering van de uitkering (art. 27 WW). Hoewel de term weigering, zoals hiervoor reeds is opgemerkt, suggereert dat de uitkering slechts ex nunc kan worden aangetast, blijkt dat onder omstandigheden ook aantasting ex tunc mogelijk is. In art. 9 lid 1 van de Beleidsregel maatregelen UWV13 is als hoofdregel bepaald dat de maatregel in gaat op de begindatum van de periode waarop de eerstvolgende betaling van de uitkering betrekking heeft (de maatregel heeft aldus betrekking op toekomstige betalingen). In een aantal gevallen wordt de maatregel toegepast op in het verleden gelegen uitkeringstijdvakken. Dat is onder meer het geval wanneer betrokkene zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.14 De maatregel kan dus betrekking hebben op reeds uitbetaalde termijnen, zij het dat de maatregel niet verder kan terugwerken dan de datum waarop de gesanctioneerde gedraging heeft plaatsgevonden.15
Herziening en intrekking op grond van de Pw kan in de eerste plaats geschieden op grond van art. 54 van die wet. Intrekking of herziening vanwege het niet herstellen van een verzuim naar aanleiding waarvan het recht op bijstand reeds is opgeschort, geschiedt met terugwerkende kracht tot de dag waarop het recht op bijstand is opgeschort (art. 54 lid 1 jo lid 4 Pw). Nu de opschorting maximaal 8 weken mag duren, kan de intrekking of herziening dus maximaal terugwerken tot het moment dat het opschortingsbesluit van kracht is geworden. Intrekking met terugwerkende kracht tot een eerder moment is niet toegestaan. In die gevallen dient het bestuursorgaan gebruik te maken van art. 54 lid 3 Pw.16 Op basis van dit artikel zijn herziening en intrekking mogelijk indien ten gevolge van het niet voldoen aan de informatieplicht door betrokkene, dan wel anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend (art. 54 lid 3 Pw). Intrekking op deze grond kan plaatsvinden met terugwerkende kracht,17 waarbij geldt dat niet mag worden ingetrokken over een periode waarin niet ten onrechte bijstand is ontvangen.18 Wat betreft de verlaging van de bijstand op grond van art. 18 Pw (maatregel), bepaalt de Pw zelf niets over het moment waarop de verlaging in gaat. Een en ander is geregeld in de gemeentelijke afstemmingsverordening.