Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:76 BW:Aansprakelijkheid voor hulppersonen
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:76 BW
Aansprakelijkheid voor hulppersonen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. W.L. Valk, actueel t/m 30-12-2025
Actueel t/m
30-12-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. W.L. Valk
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:76 BW
Art. 6:76 BW bevat een hulpregel met betrekking tot de vraag of de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend in de zin van art. 6:74 lid 1 BW en art. 6:75 BW: indien de schuldenaar bij de uitvoering van een verbintenis gebruikmaakt van de hulp van een of meer andere personen, dan is hij voor hun gedragingen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk. Wanneer wij de vraag stellen wie met betrekking tot de elementen van art. 6:76 BW de stelplicht en bewijslast draagt, moeten wij art. 6:76 BW dus lezen in samenhang met art. 6:74-75 BW.
Wie art. 6:76 BW op zichzelf leest, zou kunnen menen dat met de woorden āMaakt de schuldenaar bij de uitvoering van een verbintenis gebruik van de hulp van andere personenā de feiten worden benoemd die nodig zijn voor het vervolgens omschreven rechtsgevolg, namelijk dat de schuldenaar voor de gedragingen van deze personen op gelijke wijze als voor eigen gedragen aansprakelijk is. Consequentie van die lezing zou dan zijn dat de schuldeiser deze feiten dient te stellen en zo nodig te bewijzen, dus dat de schuldenaar bij de uitvoering van de verbintenis gebruik heeft gemaakt van de hulp van een of meer andere personen. Deze lezing is echter onjuist.
Uit de formulering van art. 6:74 lid 1 BW (ātenzij de tekortkoming niet kan worden toegerekendā) volgt dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de niet-toerekenbaarheid van een tekortkoming rusten op de schuldenaar die zich tegen een vordering tot schadevergoeding verweert met een beroep op de niet-toerekenbaarheid van de tekortkoming.1 Vervolgens wordt in art. 6:75 BW uitgewerkt wat niet-toerekenbaarheid veronderstelt, namelijk dat de tekortkoming niet is te wijten aan de schuld van de schuldenaar en ook niet krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Aan deze regels voegt art. 6:76 BW slechts toe dat voor de toerekenbaarheid van de tekortkoming niet van belang is of de tekortkoming besloten ligt in een gedraging van de schuldenaar zelf dan wel van een hulppersoon van de schuldenaar, omdat de schuldenaar voor de gedragingen van zulke hulppersonen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is. Anders gezegd: art. 6:76 BW geeft een wettelijke regel van toerekening in de zin van art. 6:75 BW voor het geval dat de schuldenaar bij de uitvoering van de verbintenis van een hulppersoon gebruikmaakt. Art. 6:76 BW bevat dus geen afwijking ten opzichte van het stelsel van art. 6:75 BW, maar alleen een nadere invulling. Geheel overeenkomstig dat stelsel geldt daarom ook in het geval dat de schuldenaar bij de uitvoering van de verbintenis van een of meer hulppersonen gebruikmaakt, dat het op de weg van de schuldenaar ligt om de feiten te stellen waaruit de niet-toerekenbaarheid van de tekortkoming volgt en dat als de schuldeiser die feiten betwist, de schuldenaar die feiten zal moeten bewijzen.
Nadere uitwerking
Veronderstellen wij dat de schuldenaar een beroep op overmacht doet en dat beroep op overmacht motiveert met de stelling dat de tekortkoming door de gedraging van een ander is veroorzaakt. Indien deze ander een hulppersoon is als bedoeld in art. 6:76 BW (dus een persoon van wie hij bij de uitvoering van de verbintenis gebruikmaakte), volgt uit art. 6:76 BW dat de schuldenaar voor een geslaagd beroep op overmacht de feiten zal moeten stellen (en bij voldoende betwisting bewijzen) waaruit volgt dat het gedrag van de hulppersoon, getoetst als was het het gedrag van hemzelf, niet-toerekenbaar is als bedoeld in art. 6:75 BW. Omdat art. 6:76 BW slechts een nadere invulling geeft van het element ātoerekeningā in art. 6:75 BW (nƔƔst het element āschuldā van dezelfde bepaling), zal de schuldenaar bovendien de feiten moeten stellen (en bij voldoende betwisting bewijzen) waaruit volgt dat zijn keuze om bij de uitvoering van de verbintenis gebruik te maken van de hulppersoon, geen schuld oplevert. Indien het gaat om een verbintenis om te doen of te geven, veronderstelt het ontbreken van schuld bovendien dat de schuldenaar, nadat hij op de hoogte was geraakt van het falen van de hulppersoon of redelijkerwijs daarvan op de hoogte had moeten zijn, aan de verbintenis niet (meer) op andere wijze kon voldoen (hetzij door de hulppersoon op te dragen een nieuwe nakomingspoging te doen, hetzij door zelf of middels een ander hulppersoon na te komen).
Samengevat dient de schuldenaar in het bedoelde geval dus te stellen en te bewijzen:2
1.
dat de tekortkoming door een gedraging van de hulppersoon is veroorzaakt;
2.
dat het gedrag van de hulppersoon getoetst als was het het gedrag van hemzelf, niet-toerekenbaar is als bedoeld in art. 6:75 BW;
3.
dat de keuze om deze hulppersoon bij de uitvoering van de verbintenis te gebruiken, geen schuld oplevert in de zin van art. 6:75 BW;
4.
bij een verbintenis om te geven of te doen bovendien: dat hij, nadat hij op de hoogte was geraakt van het falen van de hulppersoon of redelijkerwijs daarvan op de hoogte had moeten zijn, aan de verbintenis niet (meer) op andere wijze kon voldoen.
Hiervoor werd verondersteld dat de ander die volgens de stellingen van de schuldenaar de tekortkoming heeft veroorzaakt, hulppersoon is als bedoeld in art. 6:76 BW. Is dat anders, dan is de vraag of sprake is van overmacht geheel overgelaten aan de norm van art. 6:75 BW.3 In dat geval zal de schuldenaar dus de feiten moeten stellen (en bij voldoende betwisting bewijzen) waaruit volgt dat de tekortkoming niet aan zijn schuld is te wijten en ook niet krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. De stelling dat de tekortkoming door een gedraging van een derde is veroorzaakt, bevrijdt de schuldenaar dus geenszins van zijn aansprakelijkheid. Hij zal de feiten moeten stellen waaruit volgt dat hem niet kan worden verweten dat hij de gedraging van de derde niet heeft voorkomen, alsook dat de gedraging van de derde hem niet kan worden toegerekend. Waar art. 6:76 BW met betrekking tot die toerekening inhoudt dat de schuldenaar voor gedragingen van derden die als hulppersoon door hem zijn ingeschakeld, op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is, ligt voor de hand om aan te nemen dat de schuldenaar die in het kader van zijn beroep op overmacht onder meer aanvoert dat de tekortkoming is veroorzaakt door een ander die geenhulppersoon was, ook met betrekking tot de feiten die tot deze kwalificatie van niet-hulppersoon zouden moeten leiden, de bewijslast draagt. Beroept de schuldenaar zich op een gedraging van een derde zonder met zoveel woorden te stellen dat deze niet een hulppersoon was, dan is het een kwestie van uitleg van de gedingstukken hoe de rechter dit opvat. De rechter zal de stellingen van de schuldenaar zo kunnen opvatten dat de schuldenaar kennelijk bedoelt dat de derde geen hulppersoon is, zodat de regel van art. 6:76 BW niet van toepassing is. Hij zal echter ook kunnen oordelen dat waar de schuldenaar niet heeft verhelderd of de derde mogelijk een hulppersoon is, zijn stellingen onvoldoende zijn om tot de gevolgtrekking te kunnen komen dat de tekortkoming niet-toerekenbaar is.
Art. 6:76 BW zelf benoemt geen uitzonderingen op de regel die het bevat. Toch zijn zulke uitzonderingen wel voorstelbaar. Zo kunnen de omstandigheden dat de schuldeiser de overeengekomen prestatie slechts door een bepaalde door hem aangewezen hulppersoon uitgevoerd wilde zien en dat de schuldeiser en de hulppersoon om hen of een van hen moverende redenen niet rechtstreeks wilden contracteren, grond opleveren voor de slotsom dat toepassing van de regel van art. 6:76 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.5 De schuldenaar draagt in dit verband opnieuw de bewijslast, niet alleen omdat dit past bij de formulering van de uitzondering als een geval van de beperkende werking, maar ook omdat het overeenstemt met het uitgangspunt van art. 6:74 lid 1 BW (zie opnieuw het ātenzijā in die bepaling) dat de schuldenaar de stelplicht en bewijslast draagt met betrekking tot feiten die overmacht opleveren.
Art. 6:76 BW bevat, volgens wat in het verbintenissenrecht de hoofdregel is, aanvullend recht. Partijen kunnen dus uitdrukkelijk of stilzwijgend in afwijking van de wet bedingen dat de schuldenaar voor fouten van hulppersonen niet of slechts beperkt aansprakelijk is. Hoewel niet zomaar voor alle bepalingen van aanvullend recht geldt dat de partij die betoogt dat partijen iets anders zijn overeengekomen, daarvan de bewijslast draagt,6 is dit mijns inziens met betrekking van art. 6:76 BW wel zonder meer juist. Een andere opvatting zou het eerder bedoelde uitgangspunt van art. 6:74 lid 1 BW miskennen, namelijk dat de schuldenaar de stelplicht en bewijslast draagt met betrekking tot feiten die overmacht opleveren.
Op gelijke wijze als voor eigen gedragingen
Hiervoor is verondersteld dat de schuldenaar door toedoen van de hulppersoon is tekortgeschoten. De formulering āop gelijke wijze als voor eigen gedragingenā impliceert evenwel dat het onderscheid tussen resultaats- en inspanningsverplichtingen doorwerkt naar het geval dat de schuldenaar zich van een hulppersoon bedient. Was in het geval van een inspanningsverbintenis de inzet van de hulppersoon op zichzelf toegelaten en levert ook de keuze van de ingeschakelde hulppersoon nog niet een tekortkoming van de schuldenaar op, dan komt overeenkomstig de zinsnede āop gelijke wijze als voor eigen gedragingenā het er vervolgens op aan of de hulppersoon bij de uitvoering van de verbintenis zich onvoldoende heeft ingespannen.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:76 BW
Aansprakelijkheid voor hulppersonen
mr. W.L. Valk, actueel t/m 30-12-2025
30-12-2025
01-01-1992 tot: -
mr. W.L. Valk
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:76 BW
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 76
Uitgangspunt
Art. 6:76 BW bevat een hulpregel met betrekking tot de vraag of de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend in de zin van art. 6:74 lid 1 BW en art. 6:75 BW: indien de schuldenaar bij de uitvoering van een verbintenis gebruikmaakt van de hulp van een of meer andere personen, dan is hij voor hun gedragingen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk. Wanneer wij de vraag stellen wie met betrekking tot de elementen van art. 6:76 BW de stelplicht en bewijslast draagt, moeten wij art. 6:76 BW dus lezen in samenhang met art. 6:74-75 BW.
Wie art. 6:76 BW op zichzelf leest, zou kunnen menen dat met de woorden āMaakt de schuldenaar bij de uitvoering van een verbintenis gebruik van de hulp van andere personenā de feiten worden benoemd die nodig zijn voor het vervolgens omschreven rechtsgevolg, namelijk dat de schuldenaar voor de gedragingen van deze personen op gelijke wijze als voor eigen gedragen aansprakelijk is. Consequentie van die lezing zou dan zijn dat de schuldeiser deze feiten dient te stellen en zo nodig te bewijzen, dus dat de schuldenaar bij de uitvoering van de verbintenis gebruik heeft gemaakt van de hulp van een of meer andere personen. Deze lezing is echter onjuist.
Uit de formulering van art. 6:74 lid 1 BW (ātenzij de tekortkoming niet kan worden toegerekendā) volgt dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de niet-toerekenbaarheid van een tekortkoming rusten op de schuldenaar die zich tegen een vordering tot schadevergoeding verweert met een beroep op de niet-toerekenbaarheid van de tekortkoming.1 Vervolgens wordt in art. 6:75 BW uitgewerkt wat niet-toerekenbaarheid veronderstelt, namelijk dat de tekortkoming niet is te wijten aan de schuld van de schuldenaar en ook niet krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Aan deze regels voegt art. 6:76 BW slechts toe dat voor de toerekenbaarheid van de tekortkoming niet van belang is of de tekortkoming besloten ligt in een gedraging van de schuldenaar zelf dan wel van een hulppersoon van de schuldenaar, omdat de schuldenaar voor de gedragingen van zulke hulppersonen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is. Anders gezegd: art. 6:76 BW geeft een wettelijke regel van toerekening in de zin van art. 6:75 BW voor het geval dat de schuldenaar bij de uitvoering van de verbintenis van een hulppersoon gebruikmaakt. Art. 6:76 BW bevat dus geen afwijking ten opzichte van het stelsel van art. 6:75 BW, maar alleen een nadere invulling. Geheel overeenkomstig dat stelsel geldt daarom ook in het geval dat de schuldenaar bij de uitvoering van de verbintenis van een of meer hulppersonen gebruikmaakt, dat het op de weg van de schuldenaar ligt om de feiten te stellen waaruit de niet-toerekenbaarheid van de tekortkoming volgt en dat als de schuldeiser die feiten betwist, de schuldenaar die feiten zal moeten bewijzen.
Nadere uitwerking
Veronderstellen wij dat de schuldenaar een beroep op overmacht doet en dat beroep op overmacht motiveert met de stelling dat de tekortkoming door de gedraging van een ander is veroorzaakt. Indien deze ander een hulppersoon is als bedoeld in art. 6:76 BW (dus een persoon van wie hij bij de uitvoering van de verbintenis gebruikmaakte), volgt uit art. 6:76 BW dat de schuldenaar voor een geslaagd beroep op overmacht de feiten zal moeten stellen (en bij voldoende betwisting bewijzen) waaruit volgt dat het gedrag van de hulppersoon, getoetst als was het het gedrag van hemzelf, niet-toerekenbaar is als bedoeld in art. 6:75 BW. Omdat art. 6:76 BW slechts een nadere invulling geeft van het element ātoerekeningā in art. 6:75 BW (nƔƔst het element āschuldā van dezelfde bepaling), zal de schuldenaar bovendien de feiten moeten stellen (en bij voldoende betwisting bewijzen) waaruit volgt dat zijn keuze om bij de uitvoering van de verbintenis gebruik te maken van de hulppersoon, geen schuld oplevert. Indien het gaat om een verbintenis om te doen of te geven, veronderstelt het ontbreken van schuld bovendien dat de schuldenaar, nadat hij op de hoogte was geraakt van het falen van de hulppersoon of redelijkerwijs daarvan op de hoogte had moeten zijn, aan de verbintenis niet (meer) op andere wijze kon voldoen (hetzij door de hulppersoon op te dragen een nieuwe nakomingspoging te doen, hetzij door zelf of middels een ander hulppersoon na te komen).
Samengevat dient de schuldenaar in het bedoelde geval dus te stellen en te bewijzen:2
dat de tekortkoming door een gedraging van de hulppersoon is veroorzaakt;
dat het gedrag van de hulppersoon getoetst als was het het gedrag van hemzelf, niet-toerekenbaar is als bedoeld in art. 6:75 BW;
dat de keuze om deze hulppersoon bij de uitvoering van de verbintenis te gebruiken, geen schuld oplevert in de zin van art. 6:75 BW;
bij een verbintenis om te geven of te doen bovendien: dat hij, nadat hij op de hoogte was geraakt van het falen van de hulppersoon of redelijkerwijs daarvan op de hoogte had moeten zijn, aan de verbintenis niet (meer) op andere wijze kon voldoen.
Hiervoor werd verondersteld dat de ander die volgens de stellingen van de schuldenaar de tekortkoming heeft veroorzaakt, hulppersoon is als bedoeld in art. 6:76 BW. Is dat anders, dan is de vraag of sprake is van overmacht geheel overgelaten aan de norm van art. 6:75 BW.3 In dat geval zal de schuldenaar dus de feiten moeten stellen (en bij voldoende betwisting bewijzen) waaruit volgt dat de tekortkoming niet aan zijn schuld is te wijten en ook niet krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. De stelling dat de tekortkoming door een gedraging van een derde is veroorzaakt, bevrijdt de schuldenaar dus geenszins van zijn aansprakelijkheid. Hij zal de feiten moeten stellen waaruit volgt dat hem niet kan worden verweten dat hij de gedraging van de derde niet heeft voorkomen, alsook dat de gedraging van de derde hem niet kan worden toegerekend. Waar art. 6:76 BW met betrekking tot die toerekening inhoudt dat de schuldenaar voor gedragingen van derden die als hulppersoon door hem zijn ingeschakeld, op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is, ligt voor de hand om aan te nemen dat de schuldenaar die in het kader van zijn beroep op overmacht onder meer aanvoert dat de tekortkoming is veroorzaakt door een ander die geenhulppersoon was, ook met betrekking tot de feiten die tot deze kwalificatie van niet-hulppersoon zouden moeten leiden, de bewijslast draagt. Beroept de schuldenaar zich op een gedraging van een derde zonder met zoveel woorden te stellen dat deze niet een hulppersoon was, dan is het een kwestie van uitleg van de gedingstukken hoe de rechter dit opvat. De rechter zal de stellingen van de schuldenaar zo kunnen opvatten dat de schuldenaar kennelijk bedoelt dat de derde geen hulppersoon is, zodat de regel van art. 6:76 BW niet van toepassing is. Hij zal echter ook kunnen oordelen dat waar de schuldenaar niet heeft verhelderd of de derde mogelijk een hulppersoon is, zijn stellingen onvoldoende zijn om tot de gevolgtrekking te kunnen komen dat de tekortkoming niet-toerekenbaar is.
Met lette in dit verband op het verschil met de buitencontractuele aansprakelijkheid voor hulppersonen van art. 6:171 BW. Het uitgangspunt van art. 6:74 BW met betrekking tot een op de schuldenaar rustende verbintenis is dat de schuldenaar voor iedere tekortkoming aansprakelijk is, zodat het geval dat hij voor een tekortkoming niet aansprakelijkheid is, uitzondering is. Het uitgangspunt bij onrechtmatige daad daarentegen is dat ieder alleen voor zijn eigen gedragingen aansprakelijk is, behoudens de in de wet geregelde gevallen van kwalitatieve aansprakelijkheid. Daarom draagt de benadeelde die betoogt dat zijn schade is veroorzaakt door een fout van een niet-ondergeschikte derde die in opdracht van gedaagde werkzaamheden ter uitoefening van het bedrijf van gedaagde verricht, wƩl ook de stelplicht en bewijslast met betrekking die hoedanigheid van de derde.4
Uitzonderingen
Art. 6:76 BW zelf benoemt geen uitzonderingen op de regel die het bevat. Toch zijn zulke uitzonderingen wel voorstelbaar. Zo kunnen de omstandigheden dat de schuldeiser de overeengekomen prestatie slechts door een bepaalde door hem aangewezen hulppersoon uitgevoerd wilde zien en dat de schuldeiser en de hulppersoon om hen of een van hen moverende redenen niet rechtstreeks wilden contracteren, grond opleveren voor de slotsom dat toepassing van de regel van art. 6:76 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.5 De schuldenaar draagt in dit verband opnieuw de bewijslast, niet alleen omdat dit past bij de formulering van de uitzondering als een geval van de beperkende werking, maar ook omdat het overeenstemt met het uitgangspunt van art. 6:74 lid 1 BW (zie opnieuw het ātenzijā in die bepaling) dat de schuldenaar de stelplicht en bewijslast draagt met betrekking tot feiten die overmacht opleveren.
Art. 6:76 BW bevat, volgens wat in het verbintenissenrecht de hoofdregel is, aanvullend recht. Partijen kunnen dus uitdrukkelijk of stilzwijgend in afwijking van de wet bedingen dat de schuldenaar voor fouten van hulppersonen niet of slechts beperkt aansprakelijk is. Hoewel niet zomaar voor alle bepalingen van aanvullend recht geldt dat de partij die betoogt dat partijen iets anders zijn overeengekomen, daarvan de bewijslast draagt,6 is dit mijns inziens met betrekking van art. 6:76 BW wel zonder meer juist. Een andere opvatting zou het eerder bedoelde uitgangspunt van art. 6:74 lid 1 BW miskennen, namelijk dat de schuldenaar de stelplicht en bewijslast draagt met betrekking tot feiten die overmacht opleveren.
Op gelijke wijze als voor eigen gedragingen
Hiervoor is verondersteld dat de schuldenaar door toedoen van de hulppersoon is tekortgeschoten. De formulering āop gelijke wijze als voor eigen gedragingenā impliceert evenwel dat het onderscheid tussen resultaats- en inspanningsverplichtingen doorwerkt naar het geval dat de schuldenaar zich van een hulppersoon bedient. Was in het geval van een inspanningsverbintenis de inzet van de hulppersoon op zichzelf toegelaten en levert ook de keuze van de ingeschakelde hulppersoon nog niet een tekortkoming van de schuldenaar op, dan komt overeenkomstig de zinsnede āop gelijke wijze als voor eigen gedragingenā het er vervolgens op aan of de hulppersoon bij de uitvoering van de verbintenis zich onvoldoende heeft ingespannen.
Voetnoten
1.
Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:75 BW.
2.
Vgl. Broekema-Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:76 BW, aant. 5.1.
3.
Asser/Sieburgh 6-I 2024/349.
4.
Zie Boonekamp/Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:171 BW.
5.
HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2903, NJ 1999/733 m.nt. Hijma (Verduisterende hulppersoon).
6.
Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:248 BW (Aanvullende en dwingende wetsbepalingen).