Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.1:9.1 Inleiding
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/9.1
9.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS596149:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze uitdrukking is een verbastering van een Bijbels appèl om je niet te laten voorstaan op je goede daden “Laat je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet,” Matteüs 6:3 NBV. Het heeft in het dagelijks spraakgebruik een andere betekenis gekregen.
Zie over het begrip ‘het aspect van de rechtsverhouding dat ter beoordeling voorligt’ par. 7.7.1.
Zie over de stelplicht en het bewijsrisico ten aanzien van kennis in het algemeen par. 2.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
289. ‘De linkerhand weet niet wat de rechterhand doet.’1 Deze verzuchting over de slechte communicatie binnen organisaties refereert aan het fenomeen dat ik kennisversplintering noem. Informatie wordt soms gebrekkig opgeslagen, gedeeld en opgevraagd. Dit kan ertoe leiden dat relevante informatie wel ergens binnen de organisatie aanwezig is of is geweest, maar niet terechtkomt bij het individu voor wiens handelen die informatie relevant is. In dit hoofdstuk onderzoek ik wat kennisversplintering is en hoe gevallen van kennisversplintering moeten worden beoordeeld in het kader van de toerekening van kennis aan een rechtspersoon.
Het eerste deel van dit hoofdstuk is gewijd aan de afbakening van het probleem. Het behandelt wat kennisversplintering nu eigenlijk is en waarom het onderscheid met de standaardsituatie niet scherp, maar wel nuttig is (par. 9.2). Ook komt de norm aan de orde aan de hand waarvan situaties van kennisversplintering moeten worden beoordeeld. Soms zal eenvoudigweg een wetsartikel de toerekening bepalen (par. 9.3), maar meestal zal de vraag welke kennis kan worden toegerekend, moeten worden beantwoord aan de hand van de verkeersopvattingen. Voor een goed begrip van de problematiek is van belang dat helder wordt wat de vraag ‘welke kennis kan worden toegerekend’ nu eigenlijk inhoudt. Die helderheid tracht ik te scheppen in par. 9.4, waar ik concludeer dat het Babbel-criterium weliswaar materieel het juiste criterium is, maar dat de formulering daarvan voor situaties van kennisversplintering onvoldoende passend is.
In par. 9.5 constateer ik dat er in Nederland geen coherente of uitgediepte leer bestaat inzake kennisversplintering. De jurisprudentie is schaars en casuïstisch. Het tegengestelde is het geval in Duitsland. Daarom besteed ik in het tweede deel van dit hoofdstuk aandacht aan de (uitbundige) ontwikkeling van het Duitse recht op dit vlak. In Duitsland neemt men aan dat een rechtspersoon een Organisationspflicht heeft. Dat is een plicht om de opslag, doorgifte en raadpleging van kennis adequaat te organiseren. De Duitse rechtsleer en rechtspraak worden behandeld in par. 9.6.
290. In het derde deel van dit hoofdstuk presenteer ik mijn eigen visie op kennisversplintering. Naar mijn mening geldt ook in Nederland een organisatieplicht. Volgens mij maakt een daaraan ten grondslag liggend rechtsbeginsel, het organisatiebeginsel deel uit van de Nederlandse verkeersopvattingen. Ik laat zien hoe het organisatiebeginsel past binnen de Nederlandse rechtspraak en literatuur (par. 9.7) en geef dat begrip nadere duiding (par. 9.8). Vervolgens diep ik deze visie verder uit door te onderzoeken of, wanneer vast staat dat de handelende functionaris van niets wist, een rechter toch kan oordelen dat de rechtspersoon subjectieve kennis of zelfs opzet had, enkel op de grond dat de opslag of doorgifte van kennis niet goed was georganiseerd (par. 9.9).
Verder komt in dit hoofdstuk aan de orde of kennis kan worden toegerekend aan de rechtspersoon indien die zijn organisatieplicht naar behoren heeft vervuld, maar de relevante informatie niettemin niet op de juiste plek is terechtgekomen, bijvoorbeeld wegens ziekte of een computerstoring. Met andere woorden: is toerekening van kennis met toepassing van het organisatiebeginsel een toerekening op basis van schuld of van risico (par. 9.10)? Tot slot behandel ik welke invloed het aannemen van een organisatieplicht heeft op de stelplicht en bewijslast in een procedure (par. 9.11).
291. Of een rechtspersoon in het concrete geval aan zijn organisatieplicht heeft voldaan, hangt natuurlijk af van de omstandigheden van het geval. Het vierde en meest praktische deel is daaraan gewijd. Ik behandel welke gezichtspunten en omstandigheden welk gewicht in de schaal leggen en waarom (par. 9.12 en 9.13). Ik ga daarbij ook in op omstandigheden die niets te maken hebben met de organisatie van de interne informatiestromen. Het organisatiebeginsel verklaart niet uitsluitend en volledig waarom het soms gerechtvaardigd is om kennis toe te rekenen. Daarna beschouw ik in hoeverre relevant is of de wetende of handelende functionaris een orgaan van de rechtspersoon is (par. 9.14).
Overigens kunnen er ook legitieme beperkingen gelden voor de opslag en doorgifte van informatie. Die beperkingen behandel ik niet in dit hoofdstuk, maar in hoofdstuk 10. Wel kom ik in par. 9.15 terug op de vraag of omstandigheden die maken dat de rechtspersoon niet de rechtsgevolgen zou moeten ondervinden van de aanwezigheid van bepaalde informatie binnen zijn organisatie, moet leiden tot het niet-toerekenen van kennis of tot het terzijde stellen van de rechtsgevolgen op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Par. 9.16 vormt de conclusie.
292. In dit hoofdstuk komen geregeld de termen ‘wetende functionaris’ en ‘handelende functionaris’ voor. Met de wetende functionaris doel ik op de functionaris met de relevante kennis die niet of onvoldoende betrokken is bij het aspect van de rechtsverhouding dat ter beoordeling voorligt2 en waarvoor diens kennis relevant is. De handelende functionaris is wel betrokken bij het te beoordelen aspect van de rechtsverhouding, maar ontbeert de relevante kennis. Het ‘handelen’ van de handelende functionaris kan ook bestaan uit nalaten daar waar hij had behoren te handelen – en mogelijk ook zou hebben gehandeld indien hij over de relevante informatie had beschikt.
In veel gevallen zal het niet gemakkelijk zijn om vast te stellen of de handelende functionaris het feit daadwerkelijk niet kende; soms is ronduit ongeloofwaardig dat hij het feit niet kende. De rechter zal steeds gebruik moeten maken van de hem ter beschikking staande mogelijkheden tot vaststelling van de feiten om te bepalen of de handelende functionaris inderdaad onwetend was. Bij elk onderdeel van onderhavig hoofdstuk is uitgangspunt dat vaststaat dat de handelende functionaris het relevante feit niet kende toen hij handelde of had behoren te handelen. Onderzocht wordt steeds hoe een geval moet worden beoordeeld wanneer dat eenmaal vaststaat.3