Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/305:305 Art. 3:229 BW
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/305
305 Art. 3:229 BW
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD49165:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gaat, buiten het in paragraaf 11.5 te behandelen geval van inning daarvan, een verpande vordering teniet of vermindert deze in waarde en verkrijgt de pandgever vanwege dit tenietgaan of deze waardevermindering een vordering dan is het naar mijn mening wenselijk dat, indien aan de hiervóór in paragraaf 11.3 vermelde vereisten is voldaan, substitutie plaatsvindt. De oorzaak van het tenietgaan of de waardevermindering zou daarbij geen rol moeten spelen. De grondslag van de vervangende vordering zou irrelevant moeten zijn. De vervangende vordering zou een vordering tot vervangende schadevergoeding als bedoeld in art. 6:87 BW kunnen zijn, maar bijvoorbeeld ook een vordering op een kredietverzekeraar die de pandgever verkrijgt indien de debiteur van de oorspronkelijke vordering insolvent wordt.1
Art. 3:229 lid 1 BW voorziet in substitutie in de hier bedoelde gevallen. Het artikel geeft de vereiste wettelijke grondslag en bevat geen ongewenste beperkingen voor wat betreft de oorzaak van het tenietgaan of de waardevermindering dan wel voor de grondslag van de vervangende vordering.2 De wetgever heeft een ruime toepassing van dit artikel beoogd, zo blijkt uit de (motivering in de wetsgeschiedenis van) de ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp aangebrachte wijziging waardoor in de huidige redactie van het artikel expliciet is bepaald dat niet alleen vorderingen terzake van tenietgaan, maar ook vorderingen terzake van waardevermindering object van een substitutiepandrecht kunnen zijn.3
Mijn conclusie luidt dat de specifieke vereisten die gelden voor substitutie in geval van het in waarde verminderen of tenietgaan van een vordering buiten het geval van inning in overeenstemming zijn met het wenselijke recht.