Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/306:306 Een voorbeeld van te enge interpretatie
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/306
306 Een voorbeeld van te enge interpretatie
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 10-03-2026
- Datum
10-03-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD49168:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof ’s-Hertogenbosch 19 januari 2000, NJ 2000, 611 (Volmerink/FMN).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een naar mijn mening te enge interpretatie van art. 3:229 lid 1 BW is te vinden in een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.1 De feiten waren voor zover hier van belang als volgt. Een pandgever had recht op een vergoeding van een factormaatschappij in geval van insolventie van de debiteuren van bepaalde vorderingen. Volgens het hof had de pandhouder (een ander dan de factormaatschappij) geen substitutiepandrecht op de vordering die de pandgever deswege op de factormaatschappij had verkregen om de reden dat de vorderingen op de insolvente debiteuren nog niet teniet waren gegaan. Het hof miskent hierbij dat ook substitutie kan plaatsvinden in geval van waardevermindering van een vordering.