Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/1.3.2:1.3.2 Het instrumentele deel: waarheidsvinding
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/1.3.2
1.3.2 Het instrumentele deel: waarheidsvinding
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS455572:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als duidelijk is hoe de hersenen normaliter werken, hoe een EEG wordt gebruikt om de elektrische communicatie in de hersenen te meten en op welke wijze de afname van (neuro)geheugendetectie plaatsvindt, wordt dit mogelijke opsporingsinstrument beoordeeld op haar bijdrage aan de waarheidsvinding. Het introduceren van een nieuwe opsporingsmethode in een wettelijke regeling is niet ingewikkeld. De vraag is echter of en waarom deze methode in praktijk zal of moet worden gebruikt. Hierbij spelen bijvoorbeeld de kosten van de inzet een rol. Als een nieuwe methode veel goedkoper of duurder is dan het bestaande arsenaal aan opsporingsmethoden, dan is de logische voorspelling dat de nieuwe methode respectievelijk wel en niet wordt gebruikt. Ten minste als het nieuwe instrument in voldoende mate zijn doel – het vinden van de waarheid – bereikt. Derhalve moet duidelijk worden dat de nieuwe opsporingsbevoegdheid onder andere een betrouwbaardere en/of efficiëntere methode is dan de al bestaande bevoegdheden. Anders is de nieuwe bevoegdheid inferieur aan de al bestaande mogelijkheden en zal deze daarom niet worden gebruikt. De beoordeling van (neuro)geheugendetectie op haar toegevoegde waarde voor de strafvorderlijke opsporing vindt plaats aan de hand van twee subvragen: (1) aan welke criteria moet een opsporingsmethode worden getoetst om te beoordelen of het een effectieve onderzoeksmethode is en is (neuro)geheugendetectie een effectieve methode? en; (2) aan welke criteria moet een opsporingsmethode worden getoetst om te beoordelen of het een efficiënte onderzoeksmethode is en is (neuro)geheugendetectie een efficiënte methode?
Het gaat daarbij algemeen gezien om de doeltreffendheid en doelmatigheid van een opsporingsmethode. Wordt het doel dat de methode beoogt te bereiken daadwerkelijk bereikt? Hiervoor is het noodzakelijk dat de methode meet wat hij beoogt te meten, dat de methode valide is. Daarnaast moeten de resultaten die met de test worden verkregen consistent en herhaalbaar zijn, de methode moet betrouwbaar zijn. Als de methode valide en betrouwbaar is, hoeveel en welke middelen zijn dan nodig om het doel te bereiken? Deze vragen staan in hoofdstuk 3 centraal. Het doel is de vaststelling van een concreet toetsingskader voor de bijdrage aan de waarheidsvinding van opsporingsmethoden aan de hand van efficiëntie en effectiviteit. Om deze begrippen te operationaliseren wordt voornamelijk geput uit een klassiek model uit de organisatiekunde. Om te beoordelen of een proces in een organisatie effectief en efficiënt is, dient te worden bekeken wat de input, throughput, output,outcome (en impact) is.
De efficiëntie van een bevoegdheid hangt af van de hoeveelheid middelen (input), taken, processen en activiteiten die worden uitgevoerd (throughput) die noodzakelijk zijn om de resultaten van de methode (output) te verkrijgen. Een voorbeeld: Om te beoordelen of het handschrift van een brief overeenkomt met het handschrift van de verdachte, zijn als input personeel (deskundigen en opsporingsambtenaren) en goederen (onder andere pen, papier en een computer om handschriftkenmerken te vergelijken) noodzakelijk. Daarnaast is – als throughput – apparatuur en personeel nodig om bewijsmateriaal te vervoeren en de analyse te verrichten. Als output komt uit de inzet van de handschriftvergelijking een rapport waarin staat of en in welke mate het onderzochte handschrift van de gevonden brief overeenkomt met het handschrift van de verdachte. Als de input, throughput en output bekend zijn, kan de efficiëntie van een opsporingsmethode worden berekend.
De beoordeling van de effectiviteit van de methode begint bij het einde van de efficiëntie, het resultaat (output). De effectiviteit van een proces (in dit geval het inzetten van de handschriftvergelijking als opsporingsmethode) hangt af van de evaluatie of het doel dat de methode beoogt te bereiken ook daadwerkelijk wordt bereikt. Als de output van de methode een bijdrage levert aan het bereiken van het doel, dan is de methode (in bepaalde mate) effectief. Het al dan niet (gedeeltelijk) bereiken van het doel is de outcome van de methode. Om het doel, in dit geval waarheidsvinding door een handschriftanalyse, te bereiken, moet de ingezette methode valide en betrouwbaar zijn. De impact van de methode ziet op neveneffecten die worden bereikt door de methode te gebruiken. Zo kan worden gedacht aan het toenemen van het veiligheidsgevoel onder burgers of het toenemen van het vertrouwen in de strafrechtspleging als een nieuwe opsporingsmethode wordt gecreëerd, of een generaal preventieve werking doordat de samenleving weet dat beter kan worden opgespoord. De beschrijving van de efficiëntie en effectiviteit als toetspunten voor opsporingsmethode vindt plaats in hoofdstuk 3. Na de algemene uiteenzetting hierover en het opstellen van een concreet toetsingskader, wordt het kader ten slotte toegepast op (neuro)geheugendetectie.
In hoofdstuk 4 volgt vervolgens een kort intermezzo als voorloper op het rechtsbeschermingsdeel. Omdat (neuro)geheugendetectie enigszins futuristisch klinkt en het een onbekende en daardoor misschien onduidelijke opsporingsmethode is, geschiedt in hoofdstuk 4 een vergelijking met al bestaande opsporingsmethoden. Door de GKT te vergelijken met andere instrumenten wordt duidelijker op welke wijze en in welke mate de test een inbreuk maakt op bepaalde mensenrechten. Dit hoofdstuk bevat twee delen. Eerst wordt zo exact mogelijk vastgesteld op welke aspecten van het leven en lichaam van een verdachte inbreuk wordt gemaakt met (neuro)geheugendetectie. Ten tweede worden deze inbreuken vergeleken met inbreuken die in het huidige strafprocesrecht plaatsvinden door gebruik te maken van het beschikbare instrumentarium. Het eerste doel is om het beeld over de ingrijpendheid van (neuro)geheugendetectie te verduidelijken. Het tweede doel is om alvast aan te geven welke aspecten van belang zijn voor de beoordeling van de toepassing van (neuro)geheugendetectie in het strafprocesrecht in het licht van mensenrechtelijke bescherming.