Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/21.4:21.4 Implicaties voor de overheid
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/21.4
21.4 Implicaties voor de overheid
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS304028:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk Bartels 1996, p. 152: “Geen van de betrokken partijen – ook derden niet – zal door zo'n uitleg in een slechtere positie worden gebracht dan voor de cessie het geval was”.
Raaijmakers 2001, p. 695.
Dit zou minder nodig zijn indien men zou aanvaarden dat ook kwalitatieve rechten die een wilsrecht tot het tot stand brengen van een vordering inhouden onder de term ‘vorderingen’ uit art. 6:143 BW begrepen dienen te worden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
847. De overheid krijgt naar aanleiding van dit onderzoek, in zijn rol als wetgever, een duidelijke opdracht toebedeeld. Hij dient te onderscheiden tussen gevallen waarin hij ingrijpt in het vermogensrecht door aanspraken direct toe te delen aan subjectief gerechtigden omdat hij meent door deze herverdeling de maatschappelijke welvaart te verhogen enerzijds (zie hoofdstuk 12 en 13) en gevallen waarin hij de transactiekosten voor partijen verlaagt om hun eigen en daarmee de maatschappelijke welvaart te verhogen anderzijds (zie hoofdstuk 14-16).
848. Bij het direct toebedelen van aanspraken door de overheid, kan de overheid zelf bepalen aan wie en onder welke omstandigheden dat gebeurt. Waar hij wenst dat door hem toebedeelde aanspraken ook toekomen aan een opvolgend verkrijger van het subjectieve recht waar deze aanspraken mee samenhangen, kan hij simpelweg een regel opleggen die dat bepaalt. Zo zou het goed mogelijk zijn om te bepalen dat de bescherming die wordt geboden door de Vormerkung ook toekomt aan de cessionaris van de vordering tot levering van de onroerende zaak. Ook kan de overheid bepalen dat de retentor die de vordering overdraagt waarvoor de zaak wordt teruggehouden verplicht is de teruggehouden zaak te verschaffen aan de cessionaris van die vordering (zoals ook het geval is bij vuistpand, art. 6:143 lid 3 BW). Tegen het opruimen van zulke technische barrières bestaat geen bezwaar.1
849. Bij het verlagen van transactiekosten voor partijen om zelf hun welvaart – en daarmee de maatschappelijke welvaart – te verhogen, dient de overheid zich bescheidener op te stellen. Hij heeft hier enkel een faciliterende rol. De in de wet opgenomen regelingen over afhankelijke rechten, kwalitatieve rechten en nevenrechten bieden partijen in beginsel voldoende mogelijkheden. Een kleine verbetering zou nog kunnen worden doorgevoerd door het synchroon laten lopen van de regelingen voor afhankelijke rechten, kwalitatieve rechten en nevenrechten waar het logisch is dat deze rechten op dezelfde wijze behandeld worden. Zoals blijkt uit paragraaf 7.5.4 van dit onderzoek hebben deze figuren dezelfde functie. De verschillen tussen afhankelijke rechten en kwalitatieve rechten zijn vooral van technische aard (zie bijvoorbeeld randnummer 669).2 De functie van nevenrechten stemt volledig overeen met die van de afhankelijke en kwalitatieve rechten (zie paragraaf 16.1.4). Daarom is het enigszins vreemd dat de nevenrechten een wettelijke bepaling kennen over het afgeven van bewijsstukken bij overgang van de vordering waar de nevenrechten bij horen, terwijl een soortgelijke regeling ontbreekt voor de afhankelijke rechten en de kwalitatieve rechten (art. 6:143 lid 1 BW). Praktisch gezien zijn de meeste afhankelijke rechten tevens nevenrechten (dan wel registergoederen, waardoor het vinden van bewijsstukken minder problematisch is), zodat het probleem daar niet zo speelt. Bij de kwalitatieve rechten zou het in bepaalde gevallen evenwel zinvol zijn om aan te nemen dat art. 6:143 lid 3 BW analoog van toepassing is. Zo zou het bijvoorbeeld nuttig zijn dat de garantiebewijzen die bij een goed horen dienen te worden verschaft aan de opvolgend verkrijger van het goed (óók in gevallen waarin geen sprake is van koop en het afgeven van documenten dus niet op art. 7:9 lid 1 BW gebaseerd zou kunnen worden).3