Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.11.3.2
III.11.3.2 Gronden voor intrekking
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375284:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Artt. 4:46 lid 2 onder c en 4:48 lid 1 onder c Awb.
De Awb spreekt van onjuiste subsidiebesluiten.
In de artt. 4:46 lid 2 sub d, 4:48 lid 1 sub d en 4:49 lid 1 sub a Awb is vereist dat de subsidieontvanger ‘wist of behoorde te weten’ van de onjuistheid. In art. 4:50 lid 1 sub a Awb wordt slechts gesproken van de onjuistheid van de subsidieverlening, waaruit a contrario wordt afgeleid dat hier het vereiste van ‘weten of behoren te weten’ niet geldt. Vgl. Bok 2002, p. 150.
Ook dient eventuele dispositieschade te worden vergoed. Vgl. art. 4:50 lid 2 Awb.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 73. Zie voor enkele voorbeelden van deze laatste situatie ABRvS 9 december 1997, JB 1998/9 m.nt. Simon (een aanvraag om huursubsidie werd eerder afgewezen, waarna op een tweede aanvraag positief werd beslist) en ABRvS 6 oktober 2004, JB 2004/372 (zowel op de hoorzitting in het kader van de behandeling van de beslissing op bezwaar tegen het verleningsbesluit als bij de uiteindelijke beslissing op bezwaar was aangegeven dat de berekening die ten grondslag lag aan de subsidieverlening onjuist was).
ABRvS 20 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ4814 en ABRvS 1 juni 2005, AB 2005/ 311 m.nt. Verheij. In het laatste geval werd het besluit tot lagere vaststelling van de subsidie echter vernietigd, nu het subsidieverlenende bestuursorgaan in andere gevallen wel subsidie had verstrekt, ook al waren de verplichtingen reeds voor de aanvraag aangegaan. Vgl. ook CBb 8 mei 2008, AB 2008/273 m.nt. Van der Vlies, waarin ook een rol speelde dat het bestuursorgaan nieuw beleid had ingezet op basis waarvan in bepaalde gevallen een uitzondering werd gemaakt. Wanneer een aanvrager min of meer verplicht is om voor indiening van zijn aanvraag bepaalde verplichtingen aan te gaan, staat het evenredigheidsbeginsel in de weg aan lagere vaststelling van de subsidie. Vgl. ABRvS 8 mei 2002AB 2003/137 m.nt. Verheij en JB 2002/168 (Hendrix Meat Group CV).
Vgl. ABRvS 30 december 2009, AB 2010/55 m.nt. Den Ouden en JB 2010/46, waarin een verkeerd rekenstelsel werd gehanteerd en ABRvS 25 juni 2008, JB 2008/179, waarin subsidieverlening in strijd was met een (achterliggende) kaderverordening.
Vgl. ABRvS 10 maart 2010, AB 2011/68 m.nt. Van den Brink. De Afdeling overweegt: ‘Gelet op het voorgaande was het college bevoegd tot intrekking van de subsidieverlening alsmede tot terugvordering van betaalde deelbetalingen en heeft het in redelijkheid van deze bevoegdheden gebruik kunnen maken, zodat het besluit op bezwaar in rechte stand kan houden. Hierbij heeft de Afdeling mede in aanmerking genomen dat de SAN medegefinancierd wordt met Europese gelden, te weten het EOGFL, waarvoor strikte eisen gelden.’
De subsidietitel van de Awb maakt onderscheid tussen de intrekking van juiste en onjuiste subsidiebesluiten. Wat betreft onjuiste subsidiebesluiten wordt nader onderscheid gemaakt tussen subsidiebesluiten waarvan de onjuistheid het gevolg is van door de aanvrager verstrekte onjuiste gegevens1 en subsidiebesluiten die ‘anderszins’ onjuist zijn.2 Bij de subsidiebesluiten die anderszins onjuist zijn, gaat het om fouten die door het bestuursorgaan zijn gemaakt bij het geven van de beschikking. Van belang daarbij is of de onjuistheid voor de subsidieontvanger al dan niet kenbaar is.3 Is de onjuistheid kenbaar, dan kan het subsidiebesluit op nihil worden vastgesteld c.q. ex tunc worden ingetrokken. Wanneer de subsidieontvanger niet wist dat de subsidieverlening onjuist was en dit ook niet kon weten, dan mag het bestuursorgaan slechts ex nunc, met inachtneming van een redelijke termijn, intrekken.4
De vraag is wanneer de onjuistheid voor de subsidieontvanger kenbaar is, dan wel behoort te zijn. Volgens de memorie van toelichting gaat het bij kenbare onjuistheid om eenvoudig te herkennen fouten, zoals een typefout in het subsidiebesluit waardoor plotseling tien keer zoveel subsidie wordt verstrekt dan de bedoeling was, of de situatie waarin de onjuistheid van het subsidiebesluit blijkt uit eerdere contacten met het bestuursorgaan.5 Ook wanneer verplichtingen worden aangegaan alvorens een subsidieaanvraag in te dienen, terwijl dit in strijd is met de betreffende subsidieregeling, en de subsidie wordt uiteindelijk verleend, wordt aangenomen dat het gaat om een kennelijk onjuist subsidiebesluit.6 Strijd met een wettelijke regeling levert niet per definitie kenbare onjuistheid op.7 In Unierechtelijke context wordt het begrip kenbare onjuistheid ruimer uitgelegd.8