Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/II.3.4.0
II.3.4.0 Introductie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS453191:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
H. Goldstein, ‘Improving Policing: A Problem-Oriented Approach’, Crime & Delinquency 1979, 25, p. 238.
S. Heijsman, ‘Toekomst van de opsporing: ontwikkelingen en scenario’s’, in: N. Kop & P. Tops (red.), Toestand en toekomst van de opsporing, Apeldoorn: Politieacademie 2010, p. 29.
P. Duijn, ‘Stilstaan of meebewegen? Over de effectiviteit van het opsporingsproces binnen de politie, belicht vanuit de bestrijding van georganiseerde hennepteelt’, Proces 2013, 3, p. 178.
Bankston en Soltani beschrijven fraai de verschillen in arbeidsintensiteit en -kosten in het surveilleren van verdachten te voet, per auto, met een GPS tracker en door de frequentie van een mobiele telefoon te gebruiken. K.S. Bankston & A. Soltani, ‘Tiny Constables and the Cost of Surveillance: Making Cents Out of United States v. Jones’, YaleL.J. Online 2014, 335, http://yalelawjournal.org/forum/tiny-constables-and-the-cost-ofsurveillance-making-cents-out-of-united-states-v-jones, laatst geraadpleegd op 16 februari 2017.
E.W. Kruisbergen & C.J. de Poot, ‘Toepassing van DNA-wetgeving in de praktijk: Nog veel onbeantwoorde vragen’, NJB 2007, 28, p. 1729.
S. Heijsman, ‘Toekomst van de opsporing: ontwikkelingen en scenario’s’, in: N. Kop & P. Tops (red.), Toestand en toekomst van de opsporing, Apeldoorn: Politieacademie 2010, p. 29 en Kamerstukken II 2002-2003, 28 695, nr. 3, p. 27 (Memorie van Toelichting Regeling van DNA-onderzoek bij veroordeelden).
Vgl. A. Brenninkmeijer, ‘Stresstest rechtsstaat Nederland’, NJB 2015, 16, p. 1047.
M.D. Taverne, J.F. Nijboer, M.F. Abdoel & S. Farooq, DNA in de databank: de moeitewaard?, Den Haag: WODC 2012, p. 54
H.L. Packer, The limits of the criminal sanction, London: Oxford University Press 1969, p. 159.
Zie bijvoorbeeld de cie. Kalsbeek over de bureaucratisering van bijzondere opsporingsmethoden:Kamerstukken II 1998-1999, 26 269, nrs. 4-5, p. 203.
Naast de effectiviteit van een opsporingsmethode is de efficiëntie van de methode een belangrijke pijler om de bevoegdheid op te beoordelen. Er is echter zeer weinig informatie bekend over de efficiëntie van opsporingsmethoden. De kosten van de verschillende methoden die in Nederland worden ingezet, zijn niet inzichtelijk. Gegevens over in hoeveel strafzaken een bepaalde methode werd ingezet en in hoeveel zaken deze methode bewijs opleverde dat werd gebruikt voor een bewezenverklaring, worden niet gepubliceerd. De mogelijkheid om efficiëntieberekeningen te maken van verschillende opsporingsmethoden is niet mogelijk als de kosten van de inzet en het aantal keer dat de methode bruikbaar, betrouwbaar bewijs heeft opgeleverd. Dat betekent dat het ook niet mogelijk is om de efficiëntie van (neuro)geheugendetectie te vergelijken met andere opsporingsmethoden om te beoordelen of (neuro)geheugendetectie een doelmatige toevoeging aan het al bestaande arsenaal zou zijn.
Net zoals bij de effectiviteitsbeoordelingen geef ik een voorbeeld van ontbrekende efficiëntieberekening: bij de behandeling van het DNA-verwantschapsonderzoek verwijst de toenmalige minister van Justitie Hirsch Ballin naar positieve ervaringen met DNA-verwantschapsonderzoek in Engeland.1 In Engeland zou 33 keer in de database op familieverbanden zijn gezocht waarvan destijds (2005) in zeven zaken een veroordeling was uitgesproken en vijf zaken onder de rechter waren. Als bekend is in hoeveel zaken een DNA-match met verwantschapsonderzoek is gevonden en hoe vaak de resultaten uit het DNA-onderzoek als bewijs zijn gebruikt, kan een efficiëntieberekening worden gemaakt. Dit wordt echter nagelaten door de Nederlandse regering bij de introductie van het DNA-verwantschapsonderzoek. Blijkbaar is het voldoende dat de methode in Engeland succesvol is ingezet en is het niet belangrijk (genoeg) om ook de doelmatigheid te beoordelen. Het beleid lijkt neer te komen op wat Goldstein ‘the means-over-ends-syndrome’ heeft gedoopt: als methoden mogelijk zijn, worden ze gecreëerd voor en gebruikt door de politie, ongeacht of de methode efficiënt is.2
De afwezigheid van efficiëntieberekeningen in het debat voor de introductie van verschillende opsporingsmethoden en na enkele jaren praktijkervaring met de methoden, betekent echter niet dat efficiëntie geen belangrijke pijler van opsporingsmethoden is of ten minste zou moeten zijn. Heijsman gebruikt de maatschappelijke energiebehoefte als metafoor om het belang van de financiële subsidiariteit duidelijk te maken:
‘Om in onze toenemende energiebehoefte te kunnen voorzien, is de vraag naar olie zeer sterk toegenomen. Dit heeft geleid tot een enorme exploratie en exploitatie van oliebronnen. […] Om in de energievraag van de toekomst te kunnen voorzien, is andere brandstof noodzakelijk: zoeken dus naar alternatieve energiebronnen.’3
Ook in de opsporing moet volgens hem worden gezocht naar alternatieve mogelijkheden. Mijns inziens is beter onderzoek en (daardoor) inzicht in de efficiëntie van opsporingsmethoden broodnodig. En dat is broodnodig, gezien het volgende citaat:
‘Strategische beslissers binnen het OM en de politie zijn immers, net als andere overheidsinstellingen, verplicht om ingezette capaciteit en middelen te verantwoorden en indien nodig bij te stellen. Deze bedrijfsmatige benadering van publiek bestuur wordt ook wel het new public management genoemd, waarin het liefst wordt gestuurd op “harde cijfers”.’4
Bij de efficiëntie van een opsporingsmethode gaat het om de vraag met hoeveel input en throughput bewijs (als output) wordt verkregen. Bij de input van een methode gaat het om de inzet van personeel en middelen. De arbeidsintensiteit is een eerste punt dat een rol speelt bij de berekening van de efficiëntie van een opsporingsmethode.5 Uit het Amerikaanse Wiretap Report blijkt dat een telefoontap in één zaak in de Verenigde Staten van Amerika ongeveer $ 50.000 kost. De kosten hiervan zitten vooral in het uitluisteren en verbatim uitwerken van de gesprekken. Een opsporingsmethode waarbij altijd één of meerdere ambtenaren nodig zijn om de methode te kunnen toepassen is niet bepaald efficiënt. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het DNA-onderzoek. Het vergelijken van DNA-profielen met de in de databank opgeslagen profielen verloopt voornamelijk geautomatiseerd. Een forensisch deskundige hoeft niet handmatig de DNA-profielen te vergelijken waardoor het DNA-onderzoek arbeidsextensief is.6 Een opsporingsmethode die gebruik maakt van computers en informatie- en communicatietechnologie zal in de meeste gevallen minder arbeidsintensief zijn en derhalve vanuit efficiëntieoverwegingen de voorkeur verdienen.7 Daarnaast is voor veel opsporingsmethoden bepaalde apparatuur vereist. Bloed en speeksel waaruit een DNA-profiel kan worden afgeleid moeten op de juiste manier worden vervoerd en bewaard. Voor het opstellen van het DNA-profiel en de vergelijking met andere profielen zijn onder andere microscopen en computers onmisbaar.
Bij de throughput gaat het over hoe met bestaande personele en materiële middelen het ketenproces zo efficiënt mogelijk kan plaatsvinden.8 In het onderzoek naar de DNA-databank werden het organisatie- en communicatieproces en de knelpunten in de praktijk bekeken en met elkaar vergeleken.9 Zo dient voor het afnemen van DNA-materiaal bij veroordeelden de officier van justitie op de hoogte te worden gebracht van een veroordeling voor een DNA-V-waardig delict. De veroordeelde moet vervolgens worden opgeroepen om lichaamsmateriaal te laten afnemen. Het afgenomen materiaal dient daarna te worden geanalyseerd. Als laatste dient terugkoppeling plaats te vinden over een eventuele match. Voor dit proces kunnen protocollen en/of (wettelijke) kaders worden opgesteld. Protocollen of kaders stroomlijnen het proces.
Een volgend onderdeel van het ketenproces van een opsporingsmethode dat de efficiëntie bepaalt, is wat Packer ‘finality’ noemt.10 Onder finaliteit wordt verstaan het zo snel mogelijk afronden van het onderzoek en het produceren van bewijs zonder tussenkomst van autoriteiten. Een mogelijke factor die de finaliteit van het bewijs kan vertragen, zijn opsporingsbevoegdheden waarbij binnen een termijn telkens een nieuwe machtiging moet worden verkregen over de verlenging van de inzet van de bevoegdheid.11 Ook beroepsmogelijkheden (bijvoorbeeld bezwaarschrift tegen de inbeslagname en een contra-expertise) zorgen voor een slechtere finaliteit.
Het berekenen van de efficiëntie van een methode hangt voornamelijk af van de kosten van de input en throughput. Of met de output het doel van het middel wordt bereikt, is een vraag naar de effectiviteit van de methode. Toch kan ook de output van een methode kostenbesparing opleveren. Een punt dat de efficiëntie van een opsporingsbevoegdheid positief kan beïnvloeden, is of de methode bewijs of informatie oplevert dat maar in één zaak is te gebruiken of dat het bewijs ook in andere zaken kan worden gebruikt. Als door het eenmalig inzetten van een opsporingsmethode bewijs wordt vergaard dat ook in andere zaken bijdraagt aan de waarheidsvinding, levert dat in de toekomst een kostenbesparing op. De output is immers al verzameld en de kosten voor de input en throughput hoeven niet nogmaals (volledig) te worden gemaakt. Voorbeelden van bewijs dat meerdere malen kan worden gebruikt zijn DNA-profielen en vingerafdrukken. Het DNA-profiel en vingerafdrukken van een persoon blijven door de jaren heen hetzelfde. Dit betekent dat een eenmaal opgesteld DNA-profiel of opgeslagen vingerafdrukken in meerdere zaken kunnen worden gebruikt dan alleen in de zaak waarin het bewijs is vergaard. Omdat het bewijs maar eenmaal hoeft te worden verkregen maar het wel meerdere malen kan worden gebruikt, levert dit een kostenbesparing op. Dit bewijs is onafhankelijk van de context waarin het wordt verzameld.