De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.3.5:3.3.5 Beroepsaansprakelijkheid in de praktijk: medisch specialisten
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.3.5
3.3.5 Beroepsaansprakelijkheid in de praktijk: medisch specialisten
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS390341:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2286, NJ 1999/145.
HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213, NJ 2006/606.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er is aardig wat jurisprudentie te vinden over de beroepsaansprakelijkheid van artsen.
De bekendste arresten op het gebied van medische aansprakelijkheid zijn waarschijnlijk de zaken wrongful birth1en wrongful life2. Beide zaken zijn voorbeelden van een geval waarin een medische fout van een arts aan hem valt toe te rekenen. In het wrongful birth-arrest had een vrouw met haar man uitdrukkelijk besloten geen kinderen meer te willen krijgen. De arts die haar behandelde, had echter bij het verwijderen van haar spiraaltje (dat aan vervanging toe was) nagelaten een nieuw spiraaltje te plaatsen. De vrouw werd zwanger en kreeg een kind. Vervolgens eiste zij schadevergoeding van de arts op grond van wanprestatie. Zowel de kosten van de opvoeding als de kosten voor de verzorging van het kind wilde zij vergoed zien. Zij en haar man hadden er immers uitdrukkelijk voor gekozen om geen kinderen meer te willen krijgen (ook in verband met hun financiële situatie) en zij vertrouwden erop dat de arts zijn taak (verwijderen van de oude, en het plaatsen van de nieuwe spiraal) zorgvuldig had uitgevoerd. In het tweede arrest, wrongful life, werd een verloskundige aansprakelijk gesteld voor het nalaten genetisch onderzoek bij een ongeboren kind te verrichten. Eiseres, de zwangere vrouw, had hier tweemaal om verzocht, omdat haar neef een chromosomale afwijking had en zij zelf al tweemaal een miskraam had gehad. De vrouw beviel vervolgens van een kind dat zwaar lichamelijk en geestelijk gehandicapt was en eiste schadevergoeding van de verloskundige voor onder meer de kosten van de verzorging en opvoeding van het kind en voor de immateriële schade van de moeder, het kind en de vader. Het belangrijkste argument van eiseres was dat, als zij wel een genetisch onderzoek had gekregen en daarmee de afwijkingen boven water waren gekomen, zij abortus had laten plegen. Een verschil tussen de zaken is dat in wrongful birth de medisch specialist op grond van artikel 6:74 BW (wanprestatie) werd veroordeeld en in wrongful life op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). Wat maakte nu dit verschil? In wrongful birth bepaalde de rechter dat het hier een (behandelings)overeenkomst tussen arts en patiënt betrof (tot het verwijderen en opnieuw plaatsen van een spiraal) en dat de arts, door nalatig te zijn, deze verbintenis niet was nagekomen. In wrongful life heeft de verloskundige niet gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot zou hebben gedaan, aldus de Hoge Raad. Zij heeft met haar handelen geen contractuele verbintenis geschonden, maar heeft jegens de vrouw wel een onrechtmatige daad gepleegd door geen medisch onderzoek te verrichten.
Een onrechtmatige daad van een arts jegens een derde wordt niet snel toegewezen. In wrongful life werd de mogelijkheid hiertoe wel erkend, zij het onder zeer bijzondere omstandigheden. De Hoge Raad wees de vordering van de vader van zijn immateriële schade uit onrechtmatige daad toe, voor zover deze erop berust dat hem de mogelijkheid is ontnomen samen met de moeder te kiezen voor het voorkomen van de geboorte van een ernstig gehandicapt kind. Ook wat hem betreft moet een zo ingrijpende aantasting als in dit geding aan de orde, van een zo fundamenteel recht, worden aangemerkt als een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW, zonder dat nodig is dat geestelijk letsel is vastgesteld.