Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/10.8:10.8 Conclusie
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/10.8
10.8 Conclusie
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS598511:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
460. In dit hoofdstuk kwam aan de orde wanneer het legitiem is om de informatie-uitwisseling binnen een rechtspersoon te beperken. Ik onderzocht welke rol dergelijke legitieme beperkingen spelen binnen de afweging van omstandigheden die nodig is om te bepalen of, in geval van kennisversplintering, de kennis van de wetende functionaris aan de rechtspersoon moet worden toegerekend. Een legitieme beperking van de informatie-uitwisseling weegt mee in het nadeel van toerekening en kan doorslaggevend zijn. De grondslag voor de beperking van informatie-uitwisseling kan in de wet liggen, zoals bij beroepsmatige geheimhoudingsplichten (art. 272 en 273 Sr), bij de bescherming van persoonsgegevens (Wbp/AVG), bij het voorkomen van schending van het tipverbod of het transactieverbod (MAR) en bij het beheersen van belangenconflicten (Wft). Soms is geheimhouding een contractueel aangegane verplichting of een algemeen geaccepteerde praktijk. Voor elk van deze grondslagen onderzocht ik het wettelijk kader – voor zover dat bestaat – om te bepalen wanneer de beperking van de interne informatie-uitwisseling überhaupt legitiem is. Daarnaast besprak ik welke overwegingen de rechter zal moeten meenemen in zijn oordeel.
De rode draad daarbij is dat rechtspersonen enerzijds in staat moeten worden gesteld de interne informatie-uitwisseling te beperken wanneer dat nodig is om aan hun wettelijke of contractuele plichten te voldoen en om hun ondergeschikten te beschermen tegen het (onopzettelijk) begaan van strafbare feiten, maar dat rechtspersonen anderzijds die legitieme beperkingen niet mogen gebruiken om zich erachter te verschuilen. Waar kennisuitwisseling mogelijk is zonder schending van wettelijke of contractuele plichten of waar zonder een dergelijke schending nadeel voor de wederpartij kan worden voorkomen, dient de rechtspersoon zich daarvoor in te spannen.
Beperking van de interne informatie-uitwisseling zal het snelst gerechtvaardigd zijn wanneer die uitwisseling wettelijk verboden is, zoals door art. 273 Sr en, in uitzonderingsgevallen, door diverse artikelen van de Wbp (AVG). De beperkingen mogen ook zwaar meetellen in het nadeel van kennistoerekening wanneer ze zijn aangebracht om de reële kans te verkleinen dat medewerkers van de rechtspersoon strafbare feiten begaan, zoals schending van hun beroepsgeheim of handel met voorwetenschap. Minder zwaar wegen wat mij betreft contractuele geheimhoudingsplichten en de begrijpelijke, maar niet verplichte beperking van interne verspreiding van informatie over bijvoorbeeld de financiële toestand van de rechtspersoon, een aanstaande fusie of een reorganisatie.
461. Steeds zal moeten worden beoordeeld wat redelijkerwijs van de rechtspersoon had kunnen worden gevergd om benadeling van de wederpartij te voorkomen zonder schending van de geheimhoudingsplicht of met behoud van de legitieme beperking van de interne informatie-uitwisseling. Daarbij zal de rechter in het achterhoofd moeten houden dat een rechtspersoon meestal geen afweging inzake informatie-uitwisseling zal kunnen maken in het individuele geval. Wanneer een beperking van de interne informatie-uitwisseling noodzakelijk is, moet de rechtspersoon vooraf een beleid vaststellen op dit gebied. De toepassing van dat beleid zal ertoe leiden dat wetende functionarissen niet geïnformeerd raken over gevallen waarvoor hun kennis relevant is. Wetende functionarissen (en hun leidinggevenden) komen daarmee niet in een situatie terecht waarin zij – zoals achteraf van de rechter wordt gevraagd – kunnen afwegen of zij in dat individuele geval niet toch hun kennis zouden moeten delen. De rechter moet dus waken voor een eenvoudige afweging tussen het belang dat de rechtspersoon had bij geheimhouding van de informatie en het belang van de wederpartij dat die informatie te zijnen behoeve werd benut in het concrete geval. In plaats daarvan moet de rechter toetsen of de beperking van informatie-uitwisseling in het onderhavige geval legitiem was en vervolgens of geen alternatief beleid mogelijk was geweest waarmee een nadeel voor de wederpartij zou zijn voorkomen zonder schending van wettelijke of contractuele plichten.