Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.14.3.1.1
III.14.3.1.1 Limitatieve opsomming van intrekkingsgronden?
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS378961:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Hetgeen is voorgeschreven in art. 23 lid 1 WW.
CRvB 12 maart 2014, AB 2014/202 m.nt. Damen.
Zie hierover meer uitgebreid paragraaf 3.2.2.
Ook in de voorganger van de Pw, de Wet Werk en Bijstand, ontbrak een wettelijke bepaling inzake beëindiging van de bijstandsuitkering.
CRvB 20 juni 2006, USZ 2006/204, CRvB 18 juli 2006, RSV 2006/275 m.nt. Stijnen, JWWB 2006/262 en USZ 2006/267 en CRvB 20 juli 2006, JWWB 2006/263 m.nt. Red., RSV 2006/274 en USZ 2006/268.
Deze bevoegdheid tot beëindiging bestaat volgens de Raad slechts wanneer de beëindiging ingaat op de dag waarop het beëindigingsbesluit wordt genomen of op een later gelegen moment. Is sprake van terugwerkende kracht, dan is volgens de CRvB sprake van een intrekking. Art. 54 WWB vormt daartoe de grondslag.
Wat betreft het al dan niet limitatieve karakter van de hiervoor besproken intrekkingsregelingen kan worden gewezen op twee interessante uitspraken. Dit betreft in de eerste plaats een uitspraak van de CRvB uit 2014 inzake de intrekking van een WW-uitkering. Aan appellant was een uitkering toegekend, welke in bezwaar vervolgens werd ingetrokken, omdat appellant had nagelaten passende arbeid te behouden. Appellant had namelijk zelf ontslag genomen. Nu het een beslissing betrof op een door de werkgever gemaakt bezwaar, vond intrekking plaats met ingang van de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar bekend was gemaakt.1 Er vindt om die reden geen terugvordering plaats. Appellant vertrekt vervolgens naar het buitenland, om na enkele maanden weer terug te keren naar Nederland. Appellant vraagt opnieuw een WW-uitkering aan, welke uitkering ook wordt verleend. Niet lang daarna wordt de uitkering met terugwerkende kracht ingetrokken, omdat appellant geen recht had op voortzetting van de WWuitkering. De eerdere uitkering was namelijk, naar later bleek, ten onrechte toegekend. De intrekking geschiedt ex nunc, omdat het appellant niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij geen recht had op uitkering. In de procedure die op de intrekking volgt, beroept appellant zich op het vertrouwensbeginsel. In de besluiten inzake toekenning van de WW-uitkering was namelijk steeds bepaald dat bij ongewijzigde omstandigheden recht bestond op uitkering tot een bepaalde datum. De CRvB weerspreekt dit argument, door te stellen dat geen sprake is van een ongeclausuleerde toezegging. Wat betreft de bevoegdheid tot intrekking overweegt de Raad het volgende:
‘Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2003:AN8625) komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel.’2
Het lijkt erop alsof de CRvB uitgaat van een ongeschreven bevoegdheid tot intrekking. Een zinsnede als deze wordt namelijk veelal gebruikt in gevallen waarin een bevoegdheid tot intrekking ontbreekt.3 Waarom hij dit doet, is mij niet duidelijk. Immers, wanneer sprake is van een ten onrechte verstrekte uitkering, bestaat een bevoegdheid tot intrekking op grond van art. 22a lid 1 sub b WW. De hiervoor geciteerde overweging van de Raad kan ik daarom niet goed plaatsen. Wellicht is enkel beoogd te benadrukken dat de bevoegdheid tot intrekking vanwege een door het bestuursorgaan gemaakte fout wordt beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De gebruikte formulering doet echter anders vermoeden.
Ten tweede kan worden gewezen op de jurisprudentie van de CRvB inzake de beëindiging van een bijstandsuitkering. Een expliciete bevoegd heidsgrondslag daartoe ontbreekt in de Pw.4 In de jurisprudentie ter zake van de Wet Werk en Bijstand (WWB), de voorganger van de Pw, werd de oplossing gevonden in de artt. 43 en 44 WWB. Volgens de Raad vormen deze bepalingen de grondslag voor het toekennen, weigeren en beëindigen van het recht op bijstand. Hoewel in deze bepalingen alleen een en ander is bepaald over de vaststelling en toekenning van het recht op bijstand, wordt in deze bepalingen dus blijkbaar ook een bevoegdheid tot beëindiging van het recht op bijstand gelezen. Het betreft een impliciete bevoegdheid voor de situatie waarin niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden om voor bijstand in aanmerking te komen.5,6