Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.14.3.1.2
III.14.3.1.2 Vormgeving intrekkingsbevoegdheid
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS374112:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld CRvB 9 augustus 2007, USZ 2007/287 en CRvB 15 november 2007, RSV 2008/58.
Zie art. 17a lid 2 en art. 17b lid 4 AOW.
Zie bijvoorbeeld CRvB 12 juni 2002, RSV 2002/216.
Zie art. 22a lid 2 en 27 lid 8 WW.
CRvB 26 januari 2005, RSV 2005, 150 met een verwijzing naar CRvB 5 april 2000, RSV 2000/151 en USZ 2000/134 m.nt. Lenos.
Kamerstukken II 2012/13, 33556, nr. 3, p. 20-21.
Kamerstukken II 1994/95, 23909, nr. 3, p. 68.
CRvB 12 juni 2002, RSV 2002/216.
CRvB 16 augustus 2000, JB 2000/310 m.nt. AWH, AB 2001/103 en USZ 2000, 253.
In het socialezekerheidsrecht zijn de intrekkingsbevoegdheden hoofdzakelijk gebonden van aard. Echter, het lijkt erop dat de wetgever heeft getracht de scherpe kantjes hiervan af te halen. Zo bevat de AOW enkel gebonden intrekkingsbevoegdheden. Wanneer zich een van de intrekkingsgronden voordoet, is de SVB dan ook gehouden om tot herziening, intrekking of oplegging van een maatregel over te gaan.1 De wet biedt echter wel de mogelijkheid om in geval van dringende redenen van intrekking af te zien (zie hierna).2 Eenzelfde beeld zien we in de WW. In de artt. 22a en 27 van die wet is bepaald dat indien zich een van de daar genoemde gronden voordoet, de uitkering wordt herzien of ingetrokken, respectievelijk een maatregel wordt opgelegd.3 Ook hier is voorzien in de mogelijkheid om af te zien van intrekking ingeval van dringende redenen.4Art. 27 WW is in het bijzonder noemenswaardig, nu in de eerste twee leden van dit artikel de hoogte van de maatregel dwingend is voorgeschreven. Doen de daar omschreven gronden zich voor, dan dient de uitkering blijvend te worden geweigerd. De Centrale Raad oordeelt hieromtrent dat door de dwingende formulering toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is uitgesloten.5 Wel biedt art. 27 lid 1 WW de mogelijkheid om, indien het niet nakomen van de daar genoemde verplichtingen de werknemer niet in overwegende mate te verwijten valt, de maatregel te matigen tot een periode van 26 weken. In de Pw is de bevoegdheid om een maatregel op te leggen een gebonden bevoegdheid, zij het dat indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt van verlaging wordt afgezien. Wat betreft de intrekkingsbevoegdheden neergelegd in art. 54 Pw moet onderscheid worden gemaakt tussen lid 3 en lid 4 van deze bepaling. In lid 4 is een discretionaire bevoegdheid tot intrekking neergelegd. Het derde lid betrof voor 1 juli 2013 eveneens een discretionaire bevoegdheid. De wetgever achtte dit echter sinds inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving niet meer wenselijk, nu op grond van deze wet het uitgangspunt is dat ingeval van fraude de ten onrechte betaalde bijstand wordt teruggevorderd. De bevoegdheid tot terugvordering6 werd daarom gewijzigd van een beleidsvrije naar een gebonden bevoegdheid. De wetgever besloot om die reden ook tot wijziging van art. 54 lid 3 eerste volzin WWB (oud) over te gaan.7 Een en ander is ook onder de Participatiewet het geval. In art. 54 lid 3 eerste volzin Pw is een gebonden bevoegdheid tot intrekking wegens fraude neergelegd. De tweede volzin van genoemde bepaling bevat (nog steeds) een discretionaire bevoegdheid tot intrekking, voor gevallen waarin de bijstand anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
De hiervoor genoemde term dringende redenen suggereert reeds dat de mogelijkheden om op deze grond van intrekking af te zien beperkt zijn. Dat wordt bevestigd in de memorie van toelichting bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid. De mogelijkheid om af te zien van intrekking op grond van dringende redenen is opgenomen om voor betrokkene onaanvaardbare consequenties te voorkomen. Er moet, aldus de toelichting, wel iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn. Het betreft afwijking van de hoofdregel in incidentele gevallen. Het is niet de bedoeling dat algemene of categoriale afwijkingen worden gemaakt. Dringende redenen kunnen niet zijn ingegeven door doelmatigheidsoverwegingen, inhoudende dat vanwege het feit dat het slechts om een zeer gering bedrag gaat, wordt afgezien van intrekking.8 In aansluiting op de beperkte uitleg van het begrip dringende reden is ook de CRvB terughoudend in het aannemen van aanwezigheid van een dringende reden. Zo overwoog de CRvB in 2002:
‘Ook de Raad is van opvatting dat de in genoemd artikellid aangeduide dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien, niet kunnen bestaan uit factoren welke te maken hebben met de oorzaak en de mate van verwijtbaarheid. In de parlementaire behandeling van (het ontwerp van) de desbetreffende bepaling is benadrukt dat de daarin genoemde dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een maatregel voor een betrokkene heeft.’9
Tevens heeft de Raad overwogen dat dringende redenen niet gelegen kunnen zijn gelegen in onevenredigheid tussen de ernst van de verweten gedraging en de zwaarte van de maatregel.10