Fusies en overnames in de Europese BTW
Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.3.6.1:6.3.6.1 Nederlands beleid
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.3.6.1
6.3.6.1 Nederlands beleid
Documentgegevens:
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS416990:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie S.B. Cornielje, ‘De toepassing van art 37d Wet OB bij de verkoop van een (minderheids) deelneming’, WFR 2012/403.
Zie H.W.M. van Kesteren, ‘Gewettigd vertrouwen op onwettige besluiten’, WFR 2013/272.
Ondermeer HvJ EG 16 maart 2006, nr. C-94/05, ECLI:EU:C:2006:185 (Emsland Stärke), HvJ EU 20 mei 2013, nr. C-568/11, ECLI:EU:C:2013:407 (Agroferm).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hiervoor besproken koerswijziging van de Hoge Raad betekent niet dat de sporen van de bekritiseerde arresten uit 2003 en 2004 zijn uitgewist. De gevolgen van deze arresten zijn immers vastgelegd in een beleidsbesluit.1 Naar mijn idee is dit beleidsbesluit achterhaald. Dit betekent evenwel niet dat de uitgangspunten die in het beleidsbesluit zijn opgenomen steeds tot onwenselijke resultaten leiden. Er kan zelfs worden beargumenteerd dat het besluit recht doet aan het arrest AB SKF, voor zover het leidt tot het aanmerken als belastbare handeling van een verkoop van een deelneming door een houdster die zich mengt in het beheer van haar deelneming, waarbij de btw op de in dit kader gemaakte kosten in beginsel voor aftrek in aanmerking komt.2 Voor die uitkomst is het besluit evenwel niet meer nodig aangezien dit rechtstreeks uit de rechtspraak voortvloeit. Voor hetgeen resteert gaat het besluit uit van onjuiste uitgangspunten. Naar mijn idee zou het besluit dan ook moeten worden ingetrokken. Zolang het echter niet is ingetrokken, lijkt het erop dat belastingplichtigen in beginsel een beroep kunnen (blijven) doen op het besluit, indien dit tot een gunstiger uitkomst leidt.3 Het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel kan evenwel niet worden aangevoerd tegen een duidelijke Unierechtelijke bepaling, en een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het Unierecht belaste nationale autoriteit bij een marktdeelnemer kan geen gewettigd vertrouwen wekken op een met het Unierecht strijdige behandeling.4 Gezien de complexiteit van het Unierecht rondom de btw-behandeling van het verwerven, houden en verkopen van aandelen, kan naar mijn idee sterk betwijfeld worden of het besluit in strijd is met een ‘duidelijk Unierechtelijke bepaling’.