Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/7.5.4.3
7.5.4.3 Aandeelhoudersbesluiten en bestuursbesluiten
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS368817:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zoals bevestigd door de Hoge Raad in ABN Amro en ASMI, zie HR 13 juli 2007, JOR 2007/178 en HR 9 juli 2010, JOR 2010/228.
Vgl. Van Olffen 2000, p. 10-11.
Een bekend voorbeeld is het door TCI ingediende voorstel tot opsplitsing van ABN Amro (2007). Begin 2013 werd door het bestuur van Simac Techniek een motie tot verkoop, splitsing of fusie op de agenda geplaatst, zie HFD 20 februari 2013 en de Eumedion-nieuwsbrief van maart 2013. Na een openbaar bod door grootaandeelhouder Simal Beheer werd Simac in 2014 van de beurs werd gehaald.
Hof Den Haag 31 mei 2016, JOR 2016/181 m.nt. Nowak en Rb. Den Haag 17 maart 2015, JOR 2015/135 m.nt. Nowak (Boskalis/Fugro).
Verdedigbaar is dat dat niet het geval is waar het de strategie van de vennootschap betreft of daaraan raakt, zie in die richting Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/414. In de zaken ABN Amro en ASMI, waarin de Hoge Raad de bestuursautonomie ten aanzien van de strategie bevestigde, was geen sprake van een statutair instructierecht (zie HR 13 juli 2007, NJ 2007/434 m.nt. Maeijer; JOR 2007/178 m.nt. Nieuwe Weme (ABN Amro) en HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2010/228 m.nt. van Ginneken (ASMI)).
Berle en Means maakten in hun standaardwerk uit 1932 over de moderne beursvennootschap al onderscheid tussen de controle over het bestuur via het recht tot benoeming en ontslag en de controle over het bestuur door middel van informele pressie, zie Berle/Means 1932, p. 66-67.
Het komt wel voor dat aandeelhouders bepaalde controlerende bevoegdheden hebben buiten de aandeelhoudersvergadering, zoals bijvoorbeeld een bijzonder recht verbonden aan een prioriteitsaandeel, maar die zijn in het kader van het verplicht bod niet relevant nu steeds – ook bij acting in concert – moet zijn voldaan aan het 30%-criterium (overwegende zeggenschap in conditionele zin; zie eerder § 7.3.3.3).
Genoemd in Kamerstukken II, 2010/11, 32 887, nr. 3, p. 15 (herziening enquêterecht).
Zie naar aanleiding van de zogenaamde Nedlloyd-affaire Van der Grinten 1991, p. 197.
In de VS vormt het dreigen met een proxy contest een invloedrijk middel om invloed op het bestuur uit te oefenen. Zie over de consequenties van het dreigen met een dergelijk voorstel, voor onder andere de meldingsplicht van sec. 13-D (waarover eerder § 6.2.2.4 sub I), Bratton 2007, p. 1403-1404.
Vgl. Kamerstukken II, 2010/11, 32 887, nr. 3, p. 15 (herziening enquêterecht) waar wordt opgemerkt dat het bestuur op verschillende manieren onder druk kan worden gezet door aandeelhouders. Ter bescherming daartegen is ervoor gekozen om de rechtspersoon zelf enquêtebevoegdheid te geven, zie art. 2:346 lid 1 sub d en lid 2 BW. Zie ook Leijten/Nieuwe Weme 2012, p. 133 en p. 149-153 en Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013, nr. 42.
Vgl. Gaede 2008, p. 201: “Die tatsächliche Einflussmöglichkeit wird nur über die rechtliche Einflussmöglichkeit in der Hauptversammlung vermittelt.
I. Aandeelhoudersbesluiten
Uitgangspunt is de invloed in de algemene vergadering. Via het stemrecht kan een aandeelhouder zijn invloed doen gelden binnen de vennootschap. Voor een biedplicht is ook steeds vereist dat partijen ten minste 30% van de stemrechten kunnen uitoefenen in de zin van de definitie van overwegende zeggenschap in art. 1:1 Wft. Dat geldt niet alleen bij de “gewone” biedplicht, maar ook bij de biedplicht wegens acting in concert (§ 7.3.1 en § 7.3.3.3). Hierna zal worden uitgewerkt welk soort aandeelhoudersbesluiten tot controleverwerving kunnen leiden (§ 7.5.5-7.5.6).
II. Bestuursbesluiten onder formele invloed van aandeelhouders
Behalve beïnvloeding van aandeelhoudersbesluiten moet ook worden gekeken naar invloed op bestuursbesluiten door aandeelhoudersbesluiten. De invloed op bestuursbesluiten is relevant omdat het bestuur de strategie van de vennootschap bepaalt1 en bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen. Gelet op de strekking van de biedplicht is van groot belang dat het bestuur uiteindelijk de handelingen verricht die voor minderheidsaandeelhouders (mogelijk) nadelig zijn. Hierbij kan worden gedacht aan het verkopen van activa (§ 7.5.5) of het wijzigen van de strategische koers (§ 7.5.6). Daarom mag worden aangenomen dat degene die het bestuur controleert, de vennootschap controleert.2 Dit uitgangspunt komt in verschillende normen terug.3 Het lag ook ten grondslag aan het ingetrokken wetsvoorstel beschermingsconstructies, dat ertoe strekte de verwerver van 70% van het geplaatste kapitaal “in overeenstemming met zijn kapitaaldeelneming invloed te geven op de samenstelling van bestuur en de raad van commissarissen”.4 De controle in de aandeelhoudersvergadering, zonder daarmee corresponderende controle over het bestuur, werd als een onvolkomen – en daarom ongewenste5 – vorm van de controle gezien.
In dit verband relevante aandeelhoudersbesluiten zijn een motie ter vergadering6 of instructies zoals bedoeld in art. 2:129 lid 4 BW. Instructies komen echter zelden voor en vermoedelijk worden aandeelhoudersmoties in toekomst ook steeds zeldzamer; onderwerpen ten aanzien waarvan aandeelhouders niet bevoegd zijn, hoeven immers niet ter stemming op de agenda te worden gezet.7 Van deze omstandigheid abstraherend is niet relevant of het bestuur gehouden is dit soort instructies of moties uit te voeren.8 Ook uit het geven van een instructie kan immers al de intentie worden afgeleid om het bestuur in een bepaalde richting te bewegen en dat is het cruciale criterium voor de biedplicht (zie uitgebreid hoofdstuk 6).
III. Bestuursbesluiten onder informele invloed van aandeelhouders
Ten slotte kan doorslaggevende invloed ook buiten het formele kader van de algemene vergadering worden uitgeoefend.9,10 Dat gebeurt door te dreigen met het ontslag van een of meer bestuurders, het weigeren van goedkeuring van het bezoldigingsbeleid of de jaarrekening11, het weigeren van decharge12, het agenderen van een aandeelhoudersmotie (vgl. sub II)13 of persoonlijke aansprakelijkheid.14 Als het bestuur onder druk besluit tot de door de samenwerkende aandeelhouders gewenste wijziging, kan dat tot een biedplicht leiden, afhankelijk van het onderwerp van de wijziging. Dat geldt ook voor een eventueel compromisvoorstel van het bestuur, mits dit nog steeds valt binnen de door mij voorgestane definitie van de controle (§ 7.5.5-7.5.6). In veel gevallen zal onduidelijk zijn of het bestuur uit eigen beweging de door aandeelhouders gewenste actie heeft ondernomen of dat het is gezwicht onder de druk (§ 6.2.3.4). Maar, ook hier geldt dat het bestaan van de intentie om het bestuur in een bepaalde richting te bewegen volstaat voor het ontstaan van een biedplicht (zie eerder sub II).
Bij het voorgaande moet wel worden bedacht dat de invloed die aldus op het bestuur kan worden uitgeoefend steeds een afgeleide is van de invloed in de aandeelhoudersvergadering. Zonder invloed in de aandeelhoudersvergadering zullen samenwerkende aandeelhouders immers het ontslag niet daadwerkelijk kunnen afdwingen. In zoverre kan worden gesteld dat de controle over het bestuur bestaat bij de gratie van de controle in de aandeelhoudersvergadering.15